[p. 67]
Bekentenis
- O, ja! ik voel 't, wanneer ik, na den eten
- Met schrijfpapier en pen,
- Voor mijn bureau zoo rustig ben gezeten,
- Dat ik een dichter ben!
-
- Dan voel 'k een dichtgloed in mijn aad'ren klimmen,
- Die mij tot zingen noopt,
- En haastig dan, eer 't vonkje zou verglimmen,
- Mijn pen in de inkt gedoopt!
-
- Wat vreugd! dat juist de Heer mij heeft verkoren,
- Gestempeld tot genie,
- Zoodat ik in 't publiek zijn lof laat hooren,
- In vrome poëzie.
|