[p. 71]
Een dolende gids
- Wat wil die dolle jong'lingstrits,
- Zich dwaas'lijk noemend ‘Nieuwe Gids’?
-
- Wier schaamt'looze opgeblazenheid
- Ons ergert en ten hemel schreit.
-
- Eerst waagden zij het in de bladen
- De dichtkunst en Gods naam te smaden!
-
- Geen dichter was zóó groot, zóó hoog,
- Dien niet hun zwadder stout bespoog.
-
- Men riep tot hen: ‘Doe zelf eens wat!’
- Toen maakten zij een waard'loos blad.
-
- Doch zie! als 't in de wereld kwam,
- Ontbrak hun richting en ‘program’.
-
- Er stond niet: ‘Wat wij willen’ in,
- Dies vatte niemand hunnen zin.
-
- En dan hun eigen maaksel: foei!
- Dat was erbarmelijk geknoei!
-
- De taal was slecht, de vorm was zwak,
- Terwijl zelfs de inhoud gansch ontbrak.
-
- Ook de gedachte was verward,
- Geen regel sprak van hart tot hart.
-
- O gij verdoolden, jong en klein,
- Zult gij een Nieuwe Gids ons zijn?
-
- Gij, die op alles schimpt en scheldt,
- Wat door u-zelf niet is gesteld!
-
[p. 72]
-
- Die spot met dicht- en zedewetten,
- En leeft van ontucht en sonnetten!
-
- Pas op!-Weet, dat de Heer zal treffen,
- Wie ingebeeld zich durft verheffen.
-
- Dan stort gij neder, ijd'le trits,
- Door donderslag en bliksemflits!
- En stelt zich de oude, ervaren Gids
- Weer welgemoed aan 's dichtkunst's spits!
|