[p. 73]
O tempora!
- O Piëteit!
- Van vroeger tijd,
- Hoever zijt gij te zoeken!
- Der vaad'ren deugd ging naar de maan,
- Der vaad'ren dichtkunst van de baan
- Voor vreemde zwadder-boeken!
-
- Ach! Helmers dood!
- En Poot niet groot!
- Is 't niet om bij te huilen?
- Dit jong geslacht zou, als het kon,
- Den blanken, marm'ren pantalon
- Van Tollens zelf bevuilen!
-
- Ik doe mijn best
- Net als de rest
- Van stichtende poëten,
- Ik dichtte met mijn hartebloed,
- En nu durft mij dat addrenbroed
- Een grappenmaker heeten!
-
- Den lieven Heer
- Bewees ik eer
- Met zangen vroom en vaardig-
- Ik sprak van deugd en godsdienstzin,
- Van kristenvreugd en kristenmin!
- Helaas!-men vond mij aardig!!!
-
- Mijn vaderland,
- Den Huwlijksband
- Prees ik met al mijn krachten.
- 'k Zong van ons dierbaar Vorstenhuis,
- Van 't lief en leed in eigen kluis-
- En Neêrland, Neêrland lachte!!!
-
[p. 74]
-
- Ween! Holland, ween!
- Waar moet dat heen?!
- Mijn volk, gij zijt verkouden!
- Wis loopt de wereld op haar end,
- Als echte vroomheid wordt miskend
- En voor een grap gehouden!
-
- Vermolm! mijn lier!
- Geen dichtervier
- Zal meer mijn borst ontstijgen.
- Strooit, vrome barden, dan niet meer
- Uw paarlen voor die zwijnen neer,
- Komt! laat ons nu maar zwijgen!
|