[p. 85]

Cats, Tollens, Cosman

Maar de geestelijke stand vormt niet het enige doelwit in de Grassprietjes. Andere slachtoffers zijn de seculiere dichters van ‘huiselijke’ poëzie: Cats en Tollens voorop. Voor elk gedicht in de afdeling ‘Een tuiltje poëzie voor het huisgezin’ is bij Tollens wel een voorbeeld te vinden, zoals ‘Op de oogen van mijn jongste zoontje’, ‘De eerste stap’ en het befaamde ‘Op den eersten tand van mijn jongst-geboren zoontje’ (Triomf, triomf! hef aan, mijn luit,/Want moeder zegt: de tand is uit!/Laat dreunen nu de wanden!/Eerst gaf Gods gunst het lieve wicht/Den adem en het levenslicht,/Nu geeft zij 't wichtje tanden.)

De cyclische bouw van deze eenentwintig gedichtjes (waaronder van Tollens zelf nota bene nummer XIV ‘Moeder bij de wieg’!) is al evenmin een nieuwigheid. Beets bij voorbeeld schreef een Liederkransje voor de jarige moeder en de Tollens-epigoon C. Honigh deed in Mijne Lente (1871) en Geen Zomer (1880) verslag van geboorte en vroege dood van zijn zoontje.

Die huiselijke traditie was te onzent aangevangen met vader cats, wiens reputatie, ondanks verscheidene goed lopende herdrukken, zowel grote geïllustreerde prachtedities als sobere volksuitgaven, door toedoen van Busken Huet in één forse uithaal danig geknakt was. In zijn grote Gids-artikel van 1863 had deze gevreesde criticus zich herinnerd hoe hij zo'n tien jaren tevoren over Cats dacht en dat had er niet om gelogen. Weliswaar viel zijn tegenwoordige oordeel iets gunstiger uit en golden zijn verwijten nu minder de arme Cats zelf dan wel diens vereerders, maar ondertussen was het vernietigende vonnis toch maar uitgesproken. Mensen van smaak konden sindsdien de naam Cats niet meer in geletterd gezelschap uitspreken zonder gevaar te lopen zelf verdacht te zijn. Welnu, wat Paradijs doet, door Cats nog boven Vondel, Bredero, Hooft, Bellamy en Poot te stellen, is een piramidale omkering van onder fijnproevers sindsdien gangbare waarden.

Van gelijke orde is blijkbaar Tollens. De Paradijs-elijke lofzang ‘Aan Tollens’ is een nagalm van de ‘Feestzang’, waarmee Tollens zijn bundel Nieuwe Gedichten opende. De voetnoot met de mededeling dat de complete lofzang 1200 verzen bevat, vindt weer z'n verklaring in de aanzienlijke lengte van het origineel. En over een gevallen meisje bestond ook al een ontroerend vers van Tollens, maar hier vond Paradijs een directer voorbeeld bij Cosman, over wie straks.



[p. 86]

Vanuit de vrome beginselen van Cornelis Paradijs zijn de aanvallen op de ‘Atheïsten’ en de ‘Naturalisten’ heel begrijpelijk, maar rechtstreeks in een actuele discussie werpt hij zich met ‘Een dolende gids’.

In de strijd tussen de oude en de nieuwe richting was het niet ongebruikelijk de poëtenstrijd in poëzie uit te vechten en in dit versje zijn heel wat bezwaren van de oude tegen De Nieuwe Gids terug te vinden: het ontbreken van een programma - de Literaire Kronieken van Kloos met hun principiële uitspraken waren op dit ogenblik nog niet verschenen - en dan het verwijt dat de nieuwe poëzie, met name Verweys bundel Persephone en andere gedichten (1885) krom van taal, vol van klank maar zonder bevattelijke inhoud was. De sonnettencultus van de jongeren en hun aanmatigende houding tegenover de ouderen rechtvaardigden voldoende de wraak des Heren.

De gevoelens van nationale zelfverheffing, vurige geloofsijver en saamhorigheid rond de viering van Nicolaas Beets' zeventigste verjaardag in september 1884, kort samen te vatten in de bekende drieslag ‘God, Vaderland en Oranje’, mogen dan het decor vormen waarin Cornelis Paradijs een jaar later optrad, de onmiddellijke aanleiding zal de bundel Wilde halmen geweest zijn, waarmee de jonge rechtenstudent Herman Cosman (1862-1921) in 1884 debuteerde. De Grassprietjes bevatten een te groot aantal overeenkomsten om aan toeval te kunnen blijven denken. ‘Grassprietjes’ mag dan als titel tammer klinken dan ‘Wilde halmen’, het beeldrijm kon de beschouwer van het omslag - althans van de tweede druk van Grassprietjes - nauwelijks ontgaan.

De parallel met Cosman wordt trouwens door Paradijs uitgesproken in de voetnoot bij ‘Het gevallen meisje’ dat ‘tot in de woorden’ met een vers van Cosman zou overeenkomen. Wie bladzijde 25 van Cosmans bundel opslaat, vindt een gedicht dat als volgt begint:

 Gevallen
 
 Gevallen en verworpen!
 Veroordeeld en veracht!
 Maar weet gij hoeveel lijden
 Het meisje zoo ver bracht?


[p. 87]

Voor 't overige vertoont dit gedicht niet meer overeenstemming met dat van Paradijs of welke willekeurige negentiende-eeuwse dichter over dit aandoenlijk onderwerp dan ook. Paradijs noemt Cosman een godverzaker en kon zich daarbij beroepen op het voorwoord tot Wilde halmen waarin de jonge Cosman zich fier Multatuliaan noemde. Paradijs heeft echter gezien dat onder deze wapenkreet een ethisch-humanitaire boodschap werd uitgedragen in antieke poëtische gedaante. Over Cosmans tweede bundel, Nosca (1886) zou Kloos in De Nieuwe Gids opmerken dat uit het werk grote sociale bewogenheid sprak, maar dat dat alles met kunst niets te maken had. ‘De heer Cosman is een philantroop in poëzie, een soepuitdeler in rijm en maat, een Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, verpersoonlijkt in een Artiest.’ Voor Kloos en Van Eeden moet de Multatuli-verering van hun leeftijdgenoot Cosman geen excuus gevormd hebben voor het schrijven van slechte poëzie.

De zetten en tegenzetten in het letterkundige steekspel die ik hierboven beschreef, hebben alle iets boekachtigs, alsof het alleen om opvattingen over literatuur gaat, en niet om de mensen achter die opvattingen. In het vervolg dan wat minder aandacht voor de zetten en wat meer voor de spelers.

Een aantal van de voornaamste combattanten, ouderen en jongeren, en onder de jongeren zowel aanhangers van de oude richting als van de nieuwe inzichten, ontmoetten elkaar in ‘De letterkundige Vereeniging “Flanor” te Amsterdam’.