Berouw

Met deze parodie op een parodie zou de geschiedenis van de Grassprietjes kunnen worden afgesloten, ware het niet dat Van Eeden zelf nog eenmaal aan de affaire herinnerde en wel ter gelegenheid van het herdenken van de dag waarop J.J.L. ten Kate honderd jaar tevoren geboren was. De bijna zestigjarige Van Eeden herinnerde zich in berouwvolle oudejaarsstemming wat hij als jonge blaag de predikant-dichter, die toen ongeveer even oud was geweest als hij zelf nu, had aangedaan en zond het volgende stuk naar De Groene Amsterdammer, die het plaatste in het nummer van 3 januari 1920:

 

J.J.L. ten Kate

 

Niemand zal wel denken dat het mij te doen is om bij de dominees in de pas te komen als ik een enkel woord wijd aan de nagedachtenis van J.J.L. ten Kate. Ik gevoel er behoefte aan.

Ik heb eens een ruiter met steentjes beschoten uit een katapult. De aanval had alle succes dat een kwa-jongen kan begeren. Het paard ging ervan door en de ruiter had veel werk om in 't zadel te blijven. Ik heb toen een zwaren gang gedaan en ben den ruiter excuus gaan vragen. Jarenlang voelde ik een zeekere schaamte als ik hem ontmoette of zijn huis voorbijging. Toen ik zelf later eens het mikpunt werd en bijna uit het zadel ging, herdacht ik mijn daad met nog duidelijker gevoelens. Twee zaken behooren bij den goeden ouderdom. Name-

[p. 96]

lijk meer verdraagzaamheid en meer waardering. Het bij elke kwetsing opstuwende zelfgevoel is noodig voor de jeugd, om zich te handhaven, de vinnige kritiek om de standaard van het goede werk niet te laten zakken. In den goeden ouderdom schijnt dit alles niet zoo dringend noodig meer. Men behoeft zich nu niet meer te verontrusten oover den grooten aanhang en de groote bewondering die J.J.L. ten Kate ten deel viel - en een eerbiedwaardig mensch, die het zeer goed meende, en ook meenig goed vers gemaakt heeft, vinnig te bespotten, dat is actie uit de vleegeljaren, waarop men later niet zeer trots is.

Ten Kate wordt nu niet meer over het paard getild - en er zijn nu nog wel anderen in tijdelijk aanzien, die meer spot verdienen dan hij. Ik heb een studenten-tijd gehad, maar ik gevoel geen recht om dien tijd - zooals veelen doen - tot de goede en noodzakelijke leevens-perioden te reekenen. Ik heb mee-gedaan aan fuiven en baldadigheeden met heimelijke afkeer, en een gevolg van stijgende schaamte. En tot die dingen, waarvoor ik toen te oud en te wijs had behooren te zijn -reeken ik ook: mijn spotternij teegenoover drie eerbiedwaardige mannen, Nicolaas Beets, Allard Pierson en J.J.L. ten Kate. Bij Pierson heb ik het door een persoonlijk bezoek zooveel mogelijk goed gemaakt - bij de andere twee is dat niet gebeurd en het gevolg is een pijnlijke herdenking. Het was voor een volwassene - als ik toen mocht heeten - niet waardig en niet correct - eevenmin als het stuktrekken van een huis-schel. Ik wil ook geen verzachtende omstandigheeden pleiten - maar voor de jongeren van deezen tijd nog meedeelen, dat het de omgeeving was van de ‘helden van tachtig’ die tot zulke baldadigheeden den stimuleerende bijval schonk. Voor Kloos en zijn satellieten kon het nooit heftig genoeg. En wie onttrekt zich geheel aan den invloed van een prijzenden kring? Men neeme nu ten Kate's verzen nog eens ter hand, en men zal zien dat het meer is dan vlotte rijmelarij.

Walden, 30 dec. 1919,

 

F.v.E.

 

Een halve eeuw na de dood van Cornelis Paradijs en Frederik van Eeden geschiedt dan eindelijk recht: de jeugdzonde zelf mét de akte van berouw verenigd onder één omslag. En voor zover de literatuurgeschiedenis rechtvaardigheid kent, bovendien van onze kant een poging tot begrip en vergeving voor de poëtische zonden van al die predikant-dichters, J.J.L. ten Kate voorop.