De kleine Johannes. Deel 1


auteur: Frederik van Eeden


bron: Frederik van Eeden, De kleine Johannes. Mouton, Den Haag 1892


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 185]

VIII.

Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.

‘Vader! Vader!’ fluisterde Johannes.

Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige zonnewijding.

En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als zongen de lichte stralen.

‘Zonnezoon! Zonnezoon!’

Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.

‘Zonnezoon! Zonnezoon!’

Het was als Windekinds stem. Die alleen had hem zoo genoemd, - zou hij hem nu roepen?

Doch hij zag naar het gelaat naast hem, - hij wilde niet meer luisteren.

‘Arme, lieve vader!’ zeide hij.

Doch plotseling klonk het weer om hem, - van alle zijden om hem, - zoo sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.

[p. 186]

‘Zonnezoon! Zonnezoon!’

Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk licht! Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere avondwolkjes vormden.

Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw des hemels.

Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.

Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, - en durfde zich nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.

Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond half

[p. 187]

geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.

Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog werd niet afgewend van Windekinds stralende verschijning, van wat daar blonk in de hoog-geheven hand.

Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en zagen met hun duizende bleekgele kelkjes in het zonlicht. Ook bloeiden er vele andere bloemen, helderblauwe, gele en purpere, - zwoele hitte lag in de kleine dalen en

[p. 188]

koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortging, - het thijm rook hij en de geur van het drooge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van het teederste blauw. Om het hoofd snorden de gouden kevers, die op den duinroos leven en dikke hommels danstens gonzend tusschen het geblakerde duingras.

Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, - als hij maar bij Windekind was.

Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het stekelig helm.

Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterde tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengde hun geur rnet die van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den moerassigen grond.

[p. 189]

Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen het wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale, dorre helm.

Op den top der laatste hooge duinenrei zag Johannes Windekinds beeld. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot gestadig bruischen van gene zijde, door een koele wind overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën en staarde over de zee. -

Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur, - een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des verre hemels.

Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van den lichtgrot. Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.

Johannes wachtte, - totdat de zonneschijf den

[p. 190]

gloeienden weg die tot hem leidde, aan het verste einde aanraakte.

Toen zag hij neder, en aan den aanvang des wegs was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond Windekinds ranke gedaante, met het gouden voorwerp, dat blonk in zijn hand. Aan het ander einde herkende Johannes den duisteren Dood.

‘Windekind! Windekind!’ riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar het verre einde van den weg. In het midden van de lichte ruimte, door de groote, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, - langzaam naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en rustig kwam hij nader.

Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos zachten weemoed, zooals Johannes die nimmer in andere oogen gezien had.

- ‘Wie zijt gij,’ vroeg Johannes. ‘Zijt gij een mensch?’

- ‘Ik ben meer!’ zeide hij.

[p. 191]

- ‘Zijt gij Jezus, zijt gij God!’ vroeg Johannes.

- ‘Noem die namen niet,’ zeide de gestalte; ‘zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.’

- ‘Ik ken u! ik ken u!’ - zeide Johannes.

- ‘Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.’

- ‘Waarom zie ik u nu eerst?’

- ‘Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.’

- ‘Ik ken u - Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.’

Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.

‘Zie! - zeide hij, ‘dat is de weg naar alles waar gij verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult gij het niet vinden. Doe nu uwe

[p. 192]

keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij verlangt te kennen. Daar!’ - en hij wees naar het donkere Oosten, - ‘waar de menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat gij gedoofd hebt, maar Ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe uwe keuze.’ -

Toen wende Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.

...................

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een sprookje zal het dan niet meer gelijken.