begin  verderprepost
[p. 5]
sprache, wesen und schicksal drängen die dichter in den mittelpunkt des völkischen lebens. so will und darf sie niemand und dürfen vor allem sie selbst sich nicht hindern, seher und mitgestalter der nation zu sein.
ludwig friedrich barthel
[p. 7]

Inleiding

De Stem van den Kunstenaar weze de diepste Stem van zijn Volk.
Jan H. Eekhout
.

In tegenstelling met het Nederlandsche gedicht van heden, dat veelal in een verfijnde ‘Spielerei’ ontaardde, getuigt het Duitsche gedicht van vandaag van een benijdenswaardige volksverbondenheid.

Het groote leed tengevolge van het schandelijk Verdrag van Versailles is daarvan ongetwijfeld de scherpste oorzaak. Het heeft den Duitschen poëet doelbewust gemaakt en daarmede zijn gedicht tot Dààd. Dieper dan ooit werd hij doordrongen van de beteekenis van het heilige woord: Vaderland.

Met eenige minachting werd gedurende den laatsten tijd door onze dichters gesproken over den Duitschen collega, het peil van diens kunst verre achter gesteld bij de ‘hooge waarde’ der eigen egocentrisch gerichte poëzie. Doch de waarde van een diergelijke dichtkunst zal uiteindelijk steeds zeer beperkt blijken te zijn, want luttel levensvatbaar. Volk en bodem verloochenen beduidt den dood voor alle poëzie.

[p. 8]

Waarachtige kunst is bloed, is kracht, verzet zich hartstochtelijk tegen de decadentie.

Aan de Nederlandsche poëzie ontbreekt momenteel, ondanks alle vitalistische leuzen, het dynamisch element. Wie zich in ivoren torentjes opsluit of op eilandjes afzondert en de wereld, daar buiten, vergeet, verzaakt zijn roeping van Dichter, van Ziener, van Profeet. De Nederlandsche dichters zullen het voorbeeld van de Duitsche kunstbroeders dienen te volgen, willen zij weer door hun Volk geëerd worden.

 

De Duitsche poëzie van nu wortelt hecht in het hart van het Duitsche Volk, is de Stem van dit Volk, en zijn Ziel.

In de hier geboden Nationaal-Socialistische lyriek blijkt de Maker nu eens een poëet van professie te zijn, dan weer een boer of een fabrieks-arbeider. Doch poëet en boer en fabrieksarbeider hebben elkander in onverbrekelijke kameraadschap gevonden. De poëet ontpopt zich niet langer als langharigen aestheet, poëtiseert niet meer naast het leven, maar weet zich te staan, evenals de arbeider, te midden van het gedrang. Hij werd een gelouterde, rijpte tot Mènsch. Hij zingt thans uit dezelfde aandrift als de arbeider. Zijn vers werd leugenloos en daarom wellicht eenigermate rauw van klank (de zang-toon van het Duitsche lijden). Hij zingt, uiteraard, bekwamer dan de arbeider en, ten slotte, dieper, mystischer, - raakt de schier onverwoordbare dingen.

De boer en de fabrieksarbeider zingen bij voorkeur van hun arbeid. Waarvan zouden zij ànders zingen? De arbeid is immers het kostelijkst goed, arbeid, die liefde is, liefde voor Vaderland en Volksgemeenschap!

[p. 9]

Wanneer de stemmen van poëet en arbeider als het ware ineenstroomen, klinkt het één-geworden lied opvallend harmonieus.

En daarmede hebben zich voor de Duitsche dichtkunst nieuwe verschieten geopend. Een nieuwe poëzie is in wording: de dienende poëzie-van-bloed-en-aarde, die eenmaal een ontzaggelijke grootheid bereiken kan.

 

Groot-Duitschland zingt en zijn zingen is een religieuze handeling. Want het Nationaal-Socialisme is niet enkel een ‘politiek’, het is, in zijn diepste gronden, een sublieme levensbeschouwing en een subliem levensgeloof. Vandaar dat zijn ‘politiek’ honderd werven christelijker is dan de politiek der vooroorlogsche democratie, die slaven verwekte: het vecht voor de ware Vrijheid (de Vrijheid-in-zelftucht). Hierin bovenal staat het diametraal tegenover het bolsjewisme, dat de krachten van den arbeider uitbuit ten behoeve van ... diens snellere verontmenschelijking. En diametraal tegenover de kapitalistische staten, welke den arbeider uitbuiten ten profijte van enkelingen - en hem althans den schijn laten, mènsch te zijn (de uitersten raken elkaar).

 

Noch het ‘communisme’ van Stalin en zijn trawanten, noch de democratische machthebbers streefden ooit ernstig het geluk van het Volk na. Het Nationaal-Socialisme wil dit geluk wèl, en het wil dit zonder meer. Een der schoonste bewijzen hiervan is, dat het het gevaar van de techniek ten aanzien van den mensch onmiddellijk heeft onderkend. Leerde het Russisch ‘communisme’ zijn aanhangers de machine te verafgoden en haar volstrekt onderdanig te zijn (de machine vervangt in Rusland God) - het Nationaal-

[p. 10]

Socialisme waarschuwt den Duitschen mensch herhaaldelijk voor de demonie der motoren: de Mensch blijve de Meester (zie het gedicht ‘Machine’ van Heinrich Lersch).

Het Nationaal-Socialisme is anti-materialistisch.

Thans nog een enkel woord over de wijze, waarop ik deze gedichten in onze taal heb overgebracht. Ik betrachtte n.l. bij het overbrengen een zekere mate van vrijheid - wijl dit noodwendig moèst. Van een letterlijke vertaling is dus geen sprake. Poëzie is nu eenmaal onvertaalbaar. Maar men kan haar vertolken. Deze gedichten, waaronder enkele, stammend van oudere dichters, zijn vertòlkingen; zeg, desnoods, lètterlijke vertòlkingen. Ik vertolkte, hèr-schiep. En daarom kon het poëtisch element gaaf behouden blijven èn de geest van het gedicht. En kan ik verklaren, dat ook in deze vertolkingen de ziel van Duitschland, de ziel van het Duitsche Volk zich openbaart.

 

Jan H. Eekhout.

prepost  begin  verder