terug  begin  verderprepost
[p. 17]

Duitschland, Duitschland!

 
Duitschland, Duitschland, o mijn Vaderland,
 
Op de hoogten Uwer bergen wil ik stijgen,
 
Noord-toe schouwen over Uwe vlakten,
 
Dronken worden van Uw kostelijkheên:
 
Midden blonde boomgaards blonde dorpen,
 
En zoo menige vorstelijke stad.
 
 
 
Duitschland, Duitschland, o mijn Vaderland,
 
In den flankboog Uwer groene hillen
 
Heemen Uwe kinderen en Uw wouden
 
Schutten, warme vleugels, breed hun huis,
 
En Uw moederlijke handen zeêgnen
 
Hun Verlangen, arbeid, dans en maal.
 
 
 
Duitschland, Duitschland, o mijn Vaderland,
 
Ziet, steil slanken kerken boven daken,
 
Gouden beelden bloeien in het kerkschip,
 
Op de outers brandt de eeuwige Vlam
 
En de vrome aandacht Uwer kinderen
 
Peilt de diepten van het heilig Woord.
 
 
 
Duitschland, Duitschland, o mijn Vaderland,
 
Ach, gij hebt Uw kinderen doen verdwalen,
 
Weldra schreien in de nauwe stegen,
 
Velen, zonder herberg, zonder brood.
 
Moeder, slaapt gij? Wolven, hongerig, sluipen.
 
Groote wolken gloeien rood als bloed.
[p. 18]
 
Duitschland, Duitschland, o mijn Vaderland,
 
Wereldwende! Wolfstijd! Laatste stonde!
 
Helsche honden springen naar de kelen!
 
Redt Uw ziel. O wacht, o weifel niet,
 
Lijk aan Etzels hof de Nevelingen,
 
Tot de zaal laait en het Huis verpuint!

Will Vesper



illustratie

prepostterug  begin  verder