terug  begin  verderprepost
[p. 19]

Bevrijde heros

 
Aardwaarts het gespletene schild, het zwaard
 
Gebroken, den blonden schedel beroofd van den helm, het
 
Hooge, edele voorhoofd blanknaakt en weerloos,
 
De helblauwe oogen zonder schuttende schaduw:
 
 
 
Dùs stortte de held. En boven de bloedende borst
 
Blauwden de heemlen. Gierig slorpten de gronden
 
Zijn leven. Doch tròts stond steil in zijn treurenis, tròts
 
Jegens den dood, die met verstilling hem dreigde.
 
 
 
Duldbaar is de ramp, verwonnen te zijn.
 
Onduldbaar echter des vijands raadlooze hoon, die
 
Den morgen vreest, en het eigen oorlogsgeluk
 
In angsten omzet, waardoor de beulsdrift ontwaakt.
 
 
 
Zij wàntrouwden 't werk van den dood. Zij bonden den held,
 
Den gevallene, nog met koorden de voeten en polsen.
 
Hun vingeren klauwen in den vloed van zijn haar en
 
Sneden het af en spuwden spot uit den mond.
 
 
 
Toen eerst verlieten zij hem en gaven hem prijs aan
 
Den nacht. En deze, vol bitternis, donkerde òp hem.
 
Maar de lange nacht doet Wil soms ontwaken en roept de
 
Groote zon in den geest, verkeert wanhoop in hoop.
[p. 20]
 
De nacht - de breede nacht is vol heelkracht en God
 
Heeft hem lief. En, ziet, in den prillen ochtendstond was het,
 
Dat zich de verslagene van den bodem verhief en
 
Het aangezicht moedig wendde ter kim van het Oosten.
 
 
 
En met hernieuwde macht verbrak hij zijn boeien
 
En rees op de zolen en greep de wapenen weer. En
 
Langs zijn gelaat, het van dood bevrijde, golfden,
 
Lichtend en rijk als weleer, de goudene lokken.
 
 
 
En hij schreed heen over 't veld. Vòòr de eerlijke borst het
 
Schild. Schreed uit en bevond zich temidden de wereld:
 
Groot en recht en onaangetast. En stormachtig
 
Rukte hij God zich terzij, wist geweldig: de ZEGE.

Josef Weinheber



illustratie

prepostterug  begin  verder