[p. 25]
Jeugd
Indien gij, Jeugd, niet offert, wordt gij niet
Verhoord. En offer, dat uit toorn geschiedt
Is niet genoeg.
Als u de liefde tot
Alles wat g' u ontzegt, niet zoo scherp pijnt,
Dat gij u gansch verschenkt, dan zal de god
In vreemden heemen, en gij wordt vroeg oud.
Doch over uw verkorenheid
Moge niemand beschikken dan gij zelf.
Uw gave weze zij aan uwe broeders,
Die niet méér dan u zelf gij richten zult.
Trek hen omhoog tot u, opdat zij weten,
Voelend uw ziel, dat gij, dat gij daar zijt!
Houd de banier rein. Al zal zeker eens
Haar stof als gij vergaan, onsterfelijk leeft,
Datgene dat haar u in handen gaf.
Luister niet achtloos op den klaren roep,
Die diep in 't ruischen van den banner klinkt,
Die trouw vergt, trouw om welke nog veel strijd
Woeden zal in het Volk.
Ontdekt men u,
Houd stand, houd stand! De banner is zeer jong,
En kuisch. Doe dat zij zuiver blijve, want
Geen smet besmeurt haar zóó als lafheid... Zij
Moet zijn gelijk uw ziel!
Hans Schwarz