[p. 29]
De grenslandpriester
(tijdens de bolsjewistische revolutie)
Den mensch te geven wat des menschen is,
Ook dan nog als de mensch de gift veracht en
Verwerpt. De Godsknecht doet het als hij zint
Op woorden, die hij zeggen zal tot kind
En vrouw en man, die hem nooit meer verwachten...
Hij gaat en in hun taal spreekt hij van God,
Schenkt raad den vragenden en troost de kranken,
Prijst dood vervulling van het levenslot,
Een weêr herboren zijn, een blijzaam tot
Hem in-gaan: ‘Wil God innig daarvoor danken...’
De warsen zijn hem even lief. Misschien
Het liefst. En in hun grauwe dompe krotten
Ontvangt hij glimlachend hun haat: ‘... Ik dien’.
En vol vertrouwen en gansch schuldloos zien
Zijn oogen hen, die duister samen-rotten.
En later, in het eigen dorp terug,
Schouwt hij stil naar het bloeien van zijn bloemen:
Den brand der rozen in het avondlicht -;
En heffend het lang, mager aangezicht
Bekent hij God: het leven schoon te roemen.
[p. 30]
Zijn kracht wordt grooter. God is mèt hem en
Hij zal straks zielen in den hemel stooten
Met heilige macht van steilen geest en stem.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
En toen de tijd vervuld was heeft men hem
In 't roode vlek, ginds, door het hart geschoten...
Gertrud von den Brincken