[p. 33]
De geest
[p. 34]
Ode
Niet slechts van brood leeft de mensch. Hij
Leeft van droomen het meest, want de droom
Is hem het innigst eigen. De schoonste
Daad is immer het kind van den droom.
Waar een Volk omwille des Volks te
Strijden waagt, is er altijd één, die
Den droom behoedt als het aller-
Heiligste, het goddelijk Vuur,
Opdat na eeuwen en eeuwen de
Na ons gekomenen, ons
Weervinden in zichzelve en
Zich rijk en gezegenden weten.
Onsterfelijk donkerend lied, gij
Waarlijke ziel van het Vader-
Land, U te zingen is Liefde. Groot
Is het in U te sterven.
Josef Weinheber