[p. 36]
Denk niet terug...
Denk niet terug naar wat in 't diepste van
Uw wezen vreemd u was: het hongeren naar
De gulden weelde, die met Macht bekleedt.
Zooals de anderen kondt gij nimmer zijn,
Niet zoo gering, en grauw... Want gij waart méér.
En proeft uw mond der schaamlen bitternis:
Den hoon der anderen doorsiddert vrees,
Gist reeds, hoe eenmaal gij herrijzen zult,
Zeer steil, zeer jong, en steile jeugd is kracht
En kracht is Zijn en Zijn is wil en moed.
Zwaar is uw pad. Nog bloedt gij aan het hout
En uw ten dood vermoeide oogen zien
Neer op wie dobbelen om uw gewaad.
Maar smart wordt eens een lichtstraal, wit en hel.
Bijna zijt gij herboren. Lijd en duld...
Uw nood is kostbaarder dan schatten gouds.
Verten wijken u open, maatloos wijd.
Het leed verstilt. Verreind verlaat gij 't kruis.
Glimlachend gordt gij u ten heiligen tocht.
Gróót zijt g' uzèlf. Gij schrijdt, gij schrijdt, gij schrijdt...
Erwin Guido Kolbenheyer