[p. 38]
Ridder
Wie meer dan zijn Volk zijn adel bemint,
Worde uitgestooten uit de ridderschap.
't Geërfd blazoen wordt eenmaal door den tijd,
Den strenge, die het leven heilig houdt,
Door schimmel overwoekerd en verwischt.
Eerst hij dient wáárlijk, die de anderen dient,
Geen vrijheid zich verkiest, die eenzaam maakt.
Neen, niet eenelk wordt ridder, daar de drang
Tot ridderdom bedreig ontwaken doet
Van alzijds. Ridder is vermetel en
't Aldaagsche ver vooruit zijn, sterren-ver
Welhaast -, is wegen weten, die de voet
Der laffen nooit betreden zal en waar
De listigaard slechts sluips de zool op waagt.
Wie zich het inzicht werft, dat ridderdom
Niet in blazoenen zonen eigen wordt,
Hem rest zichzelf alleen, en wijl hij niet
Schamel wil zijn, verschenkt hij zich geheel
In diepe blijdschap aan zijn Volk en zoo
Schrijdt steil hij voorwaarts, de gedachten rein.
Bekleed als bedelaars met lompen van
Verloopen recht en lang vergeten dracht,
Blijft rechts de duivel, links de dood terug.
De held puurt manlijk uit zijn bloed den plicht,
Als de geringe zich reeds roemrijk prijst.
Hans Schwarz