[p. 49]
De loutering
Weerloos sta ik in de vlam en
Ken geen spreuk, die haar bezweert.
't Vuur laait voort langs tak en stam en
Heeft ook mij weldra verteerd.
Duldend, weet mijn mond te zwijgen,
Want geboorte is blijde pijn
En wanneer de tongen nijgen
Zal uit d' asch ik opwaarts stijgen
En hernieuwd en blinkend zijn.
Wolfram Brockmeier