[p. 71]
De führer
[p. 72]
Immer zullen er geteekenden zijn
Immer zullen er Geteekenden zijn,
Die, alle geluk verzakend, ten Offer schrijden
En zelve het Offer zijn.
Hun ziel staat zwaar van Verlangen en menigwerf wel klimt hun klagen
Omhoog tot den God van de Dagen en van de Nachten.
Hun handen verdorden in den gloed der Begeerte.
Dan is daar de Nacht, die hen roept en zijn Merkmaal
Schroeit op hun voorhoofd en in hunne zíel en hun hàrt,
En zij verstònden en kennend de Boodschap
Begaven zij priesterlijk zich in de maatlooze Stilte
Der Eenzaamheid, en hel, en gestreng stond hun blik en
Zij zwoeren het lachen af en voelden diep in zich wegen
Den Last van het Goddelijk Geschenk.
Ver van het ijdel gedreun der wereld beidden
Hartstochtelijk zij het geheimvolle lied, dat ìn hen
Ontwaken ging en geheel hen vervulde. Gelouterd
In heiligen Strijd en heerschend nu over de hongerige
Machten der Hebzucht, ontvingen ootmoedig zij Gods
Voor eeuwig bindende wijding. Profeten en Daders,
Verscheen hun gestalte in het land, dat leeg en verdorven
Daar lag in den morgen en wachtte op hun Komen. En zij
Brachten het stil hun groet en begonnen hun Taak.
[p. 73]
Innig als luchten te lente, zoo waren zij over het Volk,
Torsend en leidend - behoedend den heiligen Graal.
Zij staan op de bruggen der wereld en God
Reikt hun de Vlammen des Levens in de zeer zuivere handen.
En Dienst en Offer heet de Wet hunner dagen.
Door vader, moeder noch kind genoemd, door beminde noch bruid -
Want als ongenade welhaast waait, stadig en scherp,
De Goddelijke Adem hen aan - zinkt, waar zij rijzen,
Al het andere teloor, al aardsche drang der verleden
Geslachten. Doch 't huidige Volk zijn zij innig nabij en
Boven de dalen zweeft hun tijdlooze Geest.
Josef Schneider