[p. 79]
Het uur
Stommen jubelen en verlamden schrijden
Onder 't purperen baldakijn. En blinden
Zíen weêr en de tot den strijd bereiden,
Die zich naakt als bedelaars bevinden,
Hebben, koningen, diep een schuld geboet.
Dooden lichtten wel de zware zerken
Konden zij het zonlicht nog verdragen;
Grijsaards daalden van de hoogste bergen
Mochten zij het leven eens nog wagen.
Zie de dapperen met de heldere harten,
Hoe onder hun voortgang bloemen tieren!
Zij zelfs, die ontweken alle smarten,
De bevréésden, willen zege vieren.
Broeders, zusters rijen in de straten
Hem, den Eenige, stralend te begroeten
In het Uur, dat komende geslachten
Aller tijden schóónste schatten moeten.
Ja, ook smaad-beladenen, de vuigen,
Die voorheen de waarheid hoonden,
Beiden hem, en boordevol deemoed buigen
Zij zich voor den ongekroond gekroonde,
Die hen allen, allen wedergroet.
Ilse Ringler-Kellner