[p. 85]
Aan den führer
Niet juichend en overbruisend van jeugd
Ervoer ik het wonder
Van Uw nabijheid.
Neen, zeer verstild, want mijn hart
Droeg een leed door offer gezuiverd.
De wereld mijner kindsheid zag ik ondergaan
In krijg en storm
En daarom groette,
Groot gegrepen,
Mijn hart U in zwijgen.
En iederen morgen opnieuw,
Wanneer in den nacht, wanneer uit het diepst van mijn ziel
Herinneringen stegen als fladderende schaduwen,
Die beangstigden: oorlog en oproer,
Dagen van uiterst vertwijflen,
Kinderen die verkommeren,
Alzijds ondergang -,
Iederen morgen opnieuw sinds U,
Wischte het licht
De benauwende beelden,
Zooals gij van het gelaat der verweeuwde vrouwen
Met Uw handen de tranen wischtet.
Hoe ben ik vervuld jegens U met dank en met deemoed,
Deemoedigen dank, dat ik dit thans beleven mag,
U nog dienen kan, dienen mijn Volk
Met de gave, die God mij schonk!
[p. 86]
O ik weet, hoe zij die mij lief waren,
De gevallenen, de makkers van toen ik nog kind was,
Al de dooden, die hunkerden naar Uw komst,
De Vaadren, wier graven gij weder Duitsche aarde deed zijn -,
Weet hoe zij allen,
Ademend in mijn ziel en mijn bloed,
U door mij zegenen!
Geen overbruisende jeugd kan ik U bieden, ik heb
Het leven lief zooals slechts hij het bemint,
Die omringd van de zijnen uittoog ten vreemde
Gedoemd er eenzaam te sterven.
O mocht het zijn,
Dat mijn leven en de eer mijner Vaadren in mij
In dìt de hoogste Vervulling vond:
Dat ik mij-zelve laatste offer mocht weten:
Niet meer verder gereikte
Heilige Fakkel!
Agnes Miegel