[p. 89]
Ridder, dood en duivel
Op Dürers prent herkennen wij u diep,
U, wien de Heer tot onzen Leider riep.
Eenzaam, den ridder in 't harnas gelijk,
Vingt g' uwen tocht aan in het verre Rijk.
De weg was steil en scherp en overal
Loerden daar haat en leugen op uw val,
Trachtten u weg te lokken van het Doel.
Doch in uw ziel bleef alles klaar en koel,
Gij waart de Wetende als in 't Begin:
Geen schijn, geen drogbeeld spon uw Wezen in.
Uw blik, nog nimmer door het kwaad ontwricht,
Hield gij hecht naar den Graalburcht heen gericht.
Eerst toen Gods hand u de Overwinning bood
Verlieten u de Duivel en de Dood.
Heinrich Anacker