terug  begin  verderprepost
[p. 103]

De hemel dreunt van dood

 
De hemel dreunt van dood. De aarde bloedt
 
Uit harer zonen wonden dag en nacht.
 
Donkere profeten konden 't wereld-einde.
 
Terwijl vijanden dof hun noodlot zoeken,
 
Hoort gij, mijn Volk, temidden woede en waan,
 
Nog heilgeroep en zijt gij groot bereid
 
Ten offer, en werpt alle oude droomsels
 
Ver van u af en vormt met uw wijd hart
 
Machtige ijzeren daden en welhaast
 
Schaamt gij u over dichters, d' eenzamen,
 
Wagend in eenzaamheid der daden stilste.
 
Maar is niet hij het, die altijd geloofde
 
In de gemeenzaamheid en deze hoedde?
 
Wanneer gij uittijgt, broeders, is hij u
 
Nabij en roept tot elk van u zijn: Kom!
 
Kom eenmaal nog in mijn vrij woud. Daar stroomt
 
Uit oergesteente een koele, kostbre bron,
 
Geschenk des hemels met den smaak der aarde -
 
Vogels bevochtigen er de warme vleugels...
 
Drink. Wie hier drinkt verwerft zich diepe Wijsheid.
 
Hij ziet de Vaadren onzer tegenstanders
 
In bond met ons, en zooals vele tochten
 
Hun Teekenen achterlaten in het land,
 
Zóó helder zijn hem in het scheemrig Dal
 
Des Moords der milde geesten sporen zichtbaar.
 
En of hij doodt of wordt gedood, hij weet:
[p. 104]
 
Dit alles: zaden zijn 't slechts eener Liefde
 
Die eenmaal bloeien zal. Veel bloed, veel bloed
 
Moet in de aarde dringen, want niet eer
 
Kan zij den menschen zijn ten Vaderland.

Hans Carossa



illustratie

prepostterug  begin  verder