[p. 112]
Hymne op den terugkeer
(Bevrijding der Oostmark)
Dit in Naam van het Volk!
Dit in Naam van het Bloed!
Dit in Naam van het Leed!
Lijden zuivert het hart.
Ach, en hoe anders wel
Rijpt een Volk tot Zichzelf?
En hoe anders wel, dan
Als uit vlammend bloed, ruischt
Breed de Vrijheid naar 't Licht?
Is het klagenstijd thans
Om de bruutheid, die wreed,
Door verraad op verraad,
Liefde aan liefde onttrok,
Die het hulpeloos kind
Rukte uit moeders arm
En het een beulschen voogd
Voortaan ten meester gaf?
Moeten wij, oog om oog,
Wellicht het wraakgevoel
Voeden met valsche zorg,
Waar toch hun kerkers ons
Te minnen ons leerden 'tgeen
Heemde diep in ons hart,
En mèt ons treurde en
Weende: het Vaderland?
[p. 113]
Dienen wij God niet eer,
God, Hem, Wiens naam zij schel -
Spelend hun huichelspel -
Spanden vòòr hunne schuld,
Te danken daarvoor, dat Hij
Toeliet dien grellen smaad?
Dreef hij niet ieder uur
Dieper in onze ziel
't Zaad, deed met groote smart
Gedijen de kleine kiem,
Houdend de smart geheim
En het geheimnis groot?
Die na het twintigste jaar
Keerde met 't wapen Dood,
't Vrijersgespuis ten schrik,
Dèzen Odysseus roemt
Dreunend een stoer gezang
Dwars door de eeuwen heen.
Hoe hij zijn taak volbracht,
Hoe toèn de vrouwen hem
Kusten hand en gelaat
En hoe begeerte, zoet,
Diep in hem schreien ging,
Daar hij elk heeft herkend:
Alzoo roemt hem het lied
Dwars door de eeuwen heen.
Doch eeuwen en eeuwen - Ach,
Hoezeer gering nog was
't Doolen van Odysseus,
[p. 114]
Dat slechts een nachtlang leed:
Teistrende, woeste droom......
Doch eeuwen en eeuwen lang
Weg-zijn, verscheurdheid, pijn -
Want o de Daad van hem,
Die 't bloed tot waken riep,
Waak in 't millioenenvoud -,
Die ons den grond bezwoer
Ree voor de vrucht te zijn;
En dit is wederkeer
Heilig, vol heerlijkheid:
Wie, van wie sterflijk zijn,
Vindt 't magisch harp-accoord,
Zingt 't magisch woord erbij,
Dat van den Aanvang zegt
En eeuwen duren zal?
Woorden, heel machtig, zijn 't,
Welke 't hart zingen zal,
Woorden, heel teeder ook:
Trouw en geloof, geduld,
Offer en liefde en trots,
Dienen en dapperheid.
Ach, zij zijn schamel nog,
Doelloos bijna, en klein.
O stond des Vaderlands
Zaligste Zanger op:
Hölderlin! Hölderlin!
Puren zou hij het Woord,
Hel van Ziels reine kracht:
Hoe harten versmelten tot Eén
[p. 115]
Hart, door de Schoonheid der Plicht,
En 't Rijk vol bloeiïng wordt -
Hoe de Verkorene kwam,
Leider voor gansch het Volk,
(Volk van zijn eenigen Wil),
Geladen met Scheppingsdrang -,
Hoe nu de steden àl
Blinkend van blondheid zijn,
Kuisch weer en toekomstrijk
En Duitschlands bergen thans
Weder der Muzen woon -,
En hoe de dooden, zij
Die op het eere-veld
Vielen, der Vaadren schaar,
Ontrezen de duisternis,
T' aanschouwen der dagen Dag,
Roemend verzameld staan.
Neen, nog doorgronden wij 't niet.
Te lang bezaten wij
Vaderland slechts in droom.
Nu echter broederhand
Rust in des broeders hand,
Laat ons nu zweren den eed:
Hoort, onafscheidbaar zal
Voortaan der wijzen bloed
Zijn van des wachters bloed,
Van 't stalen voorhoofd het
Hart dat vol zachtheid is,
Hemel van hemel en
Traan van traan. Geen plicht
[p. 116]
Zal ooit te zwaar ons zijn,
Geen taak onvervulbaar, want
Deel van een Grooter Volk,
Weten wij ons voorgoed.
Verten naadren elkaar,
Zuidstreek de Noordstreek. God
Heeft ons thans nieuw gemaakt,
Zooals geliefden zijn:
Stralend van hoop en heil.
Dit in Naam van het Volk!
Dit in Naam van het Bloed!
Dit in Naam van het Leed!
Duitschland, eeuwig en groot,
Duitschland, wij groeten U!
Führer, heilig en koen,
Führer, wij groeten U!
Vaderland, blij en vrij,
Hart-land, wij groeten U!
Josef Weinheber (Ostmarker)