[p. 121]
Aarde. Arbeid. Adel.
[p. 122]
Gedicht na tien jaren zwervens
Breed ligt het land in de duizend armen der bergen.
Breed ruischt het woud, dat opwaarts klimt langs hun flanken.
Breed spant de hel-blauwe zijde des hemels over de aarde.
Korens wiegelen. Lage hellingen dragen
Rijpende wijnen. Langzaam over de wijde
Heide trekken dieren met hunnen herder.
Boeren schrijden over hun akker, breken het braakland.
Boersche deemoed roept God aan om zegen over den arbeid
Waar zij het zaad de voren toe-zenden, opdat de
Halmen buigen onder de zwaarte der aren -,
Roept God aan, wanneer zij diep hun vrouwen omvangen,
Opdat zij kracht, opdat zij erfzonen baren.
Aller rivieren vallen doorbruisen mijn aders.
Aller wouden roken teugen mijn longen.
Aller vruchten zwellen verhardt mijn vleesch. Immer hooger,
Immer onstuimiger stijgt in mij het helder Verlangen
Mijns Volks en wordt klank, wordt machtig woord op mijn lippen.
Gelijk te oogst-tij de boer met blinkende oogen
Zijn winst, zijn zege beraamt, omvaam ik de gronden
Mijns levens, beraam de graanvracht en het verstuifsel
En prijs mijnen Heer om Zijn maatlooze wijsheid en goedheid.
[p. 123]
Àltijd heeft mijn hartslag, U, Duitschland, gezongen.
Krijg en kommer en dood - en o het reine begeeren,
Dáád te zijn, daad van geest en daad van handen, voor Duitschland -
Dit alles verhaalde mijn voorhoofd, ondelgbaar en lichtend.
Zwervend vond ik den weg, zwervend verloor ik hem nimmer.
Heinrich Zillich (Zevenburger)