[p. 130]
Meisjeslied
De Zondag is voorbij.
Mijn hart, gij siddert nog...
Ik sliep geen uur den ganschen nacht,
Ik heb aldoor gedroomd, gedacht...
De morgen nadert mij.
Lag nu een wijde tuin
Voor jou en mij gereed.
Wij zouden langs de paden gaan,
Bloemen en vogels gadeslaan...
Als Gòd zóó'n wonder deed...!
Mijn tuin is de fabriek.
Daar zingt geen lied, geen lach...
De werkhalwanden zijn doods-wit,
Wij aadmen wolken stof en dit
Duurt heel den eeuwigen dag...
De wielen razen weer.
Hun leven maakt ons klein.
Maar groot denk ik: hoe rijk en bont
Die tuin was en hoe rood jouw mond!
Waar zou mijn liefste zijn?
Heinrich Lersch