[p. 137]
Donkere wijs
Ik kom uit een bijna norsch land.
Daar stuurde de grauwige hand
Mijner vaadren eeuwen aaneen
Den ploeg door de gronden heen.
Daar trekken elken morgen,
Verbonden door eendere zorgen,
De vrouwen in vrome rij
Naar Gods Huis, aan de akkers voorbij.
Onze aarde is weerbarstig. Zwaar
Ruischen de boomen daar
Onder vijandigen wind.
Het is of man, vrouw en kind,
En paard en rund in mijn land
Altijd neerslachtig zijn en
vermoeid.
En gij: neen, ontwijk
Mij niet, leg uw hand in mijn hand.
Neem mij zooals ik ben:
Arm - en zeer rijk.
Jakob Kneip