terug  begin  verderprepost

De jaren veertig

Na de oorlog vond Citroen een evenwicht tussen de abstracte, modernistische kunstopvatting en zijn naturalistische aanleg. Zijn techniek was modern, zijn stijl ouderwets: ‘Ik ben modern in 't gebruik van mijn materiaal, ik laat mijn werk vanuit het materiaal ontstaan (dat is de leer van het Bauhaus), maar in mijn vormgeving verloochent zich mijn vroege, klassieke opleiding niet, en wat mijn grafisch begrip, mijn lichtdonker en zwart-grijs-wit-opvatting betreft, voel ik me als een moderne voortzetter van de artistieke nalatenschap van Menzel en Liebermann.’ aldus Citroen in 1956.29 Hij koos voor het portret-

[p. 22]

teren, of zoals hij zei: ‘de mens als psychisch wezen’.30 Citroen, de modernist die zich met de eigentijdse avant-garde wilde meten, keerde terug naar de traditie. Omdat zijn vormuitdrukking modern bleef, voelde hij zich toch nog enigszins tot de modernisten behoren. Hij heeft zijn beperktheden onder ogen durven zien. Mede onder invloed van de Tweede Wereldoorlog is dit proces waarschijnlijk versneld.31 Achteraf analyseerde Citroen zijn onzekere, halfslachtige houding over de richting in zijn werk: ‘Ik echter wou en kon me niet vast leggen, ik schuwde er voor, vermeed het, me te binden, ik was als een vlinder, die hier en daar van de kunst proefde, als een zwerver, die hier of daar verpoosde, zonder zich blijvend te vestigen. Daardoor was er dan ook geen consequentie in mijn werk, er ontstond niets opbouwends, er ontwikkelde zich niets eigens,’ aldus Citroen.32 Hij berustte in zijn aanleg.

 

Citroen legde zich toe op wat hij goed kon: het tekenen van mensen. Zijn interesse voor de psyche van de mens, die als een rode draad door zijn leven liep, stond in de naoorlogse periode centraal. De psychologische portretschilder is gebonden aan de uiterlijke gelijkenis én aan de psychologische benadering van het model en moet hier een eenheid van smeden. Overigens zullen bijna alle portretschilders psychologiserend te werk gaan. In zijn portretten probeerde Citroen het innerlijk, de psychologisch diepte, van de mens uit te drukken waardoor het karakteristieke van de geportretteerde beter naar voren kwam. Dankzij zijn talent en scherpe observatievermogen kon hij in zijn portretten vorm geven aan deze niet zo gemakkelijk waarneembare elementen van de persoonlijkheid van het model: ‘wat je als schilder of tekenaar ervaart bij de confrontatie met je model - dát moet je schilderen of tekenen, en dan zal het portret in een bepaald opzicht ook lijken. De gelijkenis ontstaat als vanzelf uit de juiste manier van tekenen en schilderen’.33 Dat leverde een

[p. 23]

trefzeker gekarakteriseerde, gevoelige en soms vanzelfsprekende manier van portrettekenen op die na de oorlog zijn handelsmerk vormde.

Het portretteren lukte hem beter naarmate mensen hem meer aanspraken. Zakenmensen voelde hij niet aan: ‘Wij zeggen wel en nemen het ook aan, dat het gezicht het innerlijk weergeeft [...] maar niet bij mensen, die hun aandoeningen verbergen, die helemaal zakelijk zijn ingesteld, die hun innerlijk onder de duim houden of zich een houding geven.’34 Hij ervoer bij kunstenaars een geestelijk verwantschap. ‘Wat ik goed kan begrijpen zijn de geestelijke prestaties zoals die van schrijvers, musici en schilders. Met die mensen heb ik weinig moeite.’35 Daarom behoorden de portretten van kunstenaars tot zijn betere portretten. Hella S. Haasse, die hij in 1953 tekende, schreef in een complimenteuze reactie op haar portret: ‘Maar zijn het niet juist die röntgenogen, dat magische vermogen tot doorgronden en het wezenlijke blootleggen, die vooral in de portretkunst kwaliteit en waarde bepalen, [...] Paul Citroen heeft dieper gekeken dan de oppervlakte, verder dan huid en gelaatstrekken, [...] Niemand van mijn familieleden en vrienden vindt eigenlijk dat het lijkt. Maar ik herken mezelf er in.’36



illustratie
Paul Citroen voor het door hem getekende portret van Hella S. Haasse in zijn atelier te Den Haag, juni 1954. (Foto: De Vringer; collectie Prentenkabinet der Rijksuniversiteit, Leiden.)

29‘Paul Citroen’, in Kroniek van Kunst en Kultuur 16 (1956) 1, p. 8. Uit de brief van Paul Citroen aan redacteur L.P.J. Braat van 1 maart 1956 blijkt overigens dat Citroen zelf de auteur is van dit niet ondertekende interview.
30Paul Citroen, ‘Over het portretteren’, in Parnas, Tijdschrift over de Vormgeving 1 (1956) 1, p. 25.
31Mogelijk hebben Citroens oorlogservaringen en zijn twee jaar durende onderduiktijd veel invloed gehad op zijn werk van na de oorlog. Citroen zat tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer ondergedoken bij zijn bevriende uitgever H.W. Methorst van uitgeverij De Driehoek in 's-Graveland, nadat hij eerst in 1944 samen met A. Roland Holst in Laren ondergedoken had gezeten. (Mededeling H.W. Methorst, 20 oktober 1997.)
32‘Paul Citroen’, in Kroniek van Kunst en Kultuur (noot 29), p. 8. (Zie ook cat. tent. Het tekenwerk van Paul Citroen, 's-Gravenhage (Gemeentemuseum) 20 december 1956-4 februari 1957.)
33Paul Citroen, Bij benadering, Helmond 1979, p. 76.
34Paul Citroen, Notities van een schilder (noot 7), p. 36.
35‘Paul Citroen: zoeken naar het essentiële van het individu’, in Nieuwe Apeldoornse Courant 21 december 1974.
36Hella S. Haasse, ‘Mijn portret’, in Parnas, Tijdschrift over de Vormgeving 1 (1956) 1, p. 28. Het portret van Haasse bevindt zich in een particuliere collectie.
prepostterug  begin  verder