terug  begin  verderprepost

Overgangsperiode

Na 1945 was er langzaamaan een verschuiving in het werk van Citroen te zien. In tegenstelling tot de vooroorlogse periode tekende hij na de Tweede Wereldoorlog op grote schaal portretten en veranderde weinig meer van onderwerp. Tussen de nieuw-zakelijke vormexperimenten in de twee portretten van Menno ter Braak uit de vooroorlogse periode en zijn na-oorlogse portretten is een zeker contrast. Zijn werk werd somberder en minder afwisselend. Hij gebruikte minder kleur en het grijs in de portrettekeningen overheerste. Na de overgangsperiode van 1945 tot ongeveer 1952 ontwikkelde zijn werk zich nauwelijks verder.

Uit deze overgangsperiode dateren de twee andere

[p. 31]

olieverfportretten uit de Citroen-collectie. Behalve het olieverfportret van Menno ter Braak uit 1939 omvat de collectie één olieverfportret van Aar van der Werfhorst (cat. 5) uit 1946 en één van Anna Blaman (cat. 10) uit 1950.

 

Het Letterkundig Museum bezit een ongedateerd olieverfportret en een gedateerde portrettekening van Aar van der Werfhorst (cat. 4 en 5) uit 1946. De tekening is naar alle waarschijnlijkheid een voorstudie voor het olieverfportret, gelet op de overeenkomst in kleding en houding. Het olieverfportret van Aar van der Werfhorst is door de lichte vormdwang minder expressief dan de raak getroffen, gevoelige portrettekening. Van de drie olieverfportretten uit de collectie is dit portret het minst geslaagde door de weinig treffende gezichtsuitdrukking. Het is niet bekend wat Van der Werfhorst, die zeer goed met Citroen bevriend was, persoonlijk van de portretten vond. Hun vriendschap begon na de oorlog in hun woonplaats Wassenaar. Onderling spraken ze vaak Duits want Van der Werfhorst was afkomstig uit de stad Gronau. Het verhaal gaat dat Citroen die veel gevoel

illustratie
Paul Citroen gefotografeerd door Piet van der Werfhorst, september 1951. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld Piet Jansen die als pseudoniem Aar van der Werfhorst gebruikte. (Foto: Piet van der Werfhorst; collectie Prentenkabinet der Rijksuniversiteit, Leiden.)

[p. 32]

voor humor had, regelmatig een zo pas bedachte ‘Witz’ meteen doorbelde naar Van der Werfhorst.54 In het voornoemde liber amicorum beschreef Van der Werfhorst in 1956 zijn vriend als de zeer gedreven kunstenaar met wie hij meestal over kunst sprak: ‘Paul sprak met het accent dat ons, toen vooral, op slag dol maakte als wij het hoorden, maar uit zijn mond had het voor mij, wonderlijk genoeg, direct iets charmants en innemends; [...] Steeds als Paul over zijn werk en de kunst praat - wanneer doet hij dat niet? -, is er voor mij iets van die eerste keer bij; ik ben blij dat nog altijd het accent die indruk versterkt. Bijna uitsluitend, als hij geen “Witze” vertelt, praat Paul over de kunst, het leven en het werk. Voor hem drie begrippen, die elkaar volkomen dekken; hij is er bezeten van, zo zelfs, dat hij vaak agressief wordt, ondanks zijn verlegen en bescheiden aard.’55

 

De portrettekening van de dichter L.Th. Lehmann (cat. 7) uit 1949 is schilderachtiger opgezet. De contouren zijn duidelijk en de plaatsing van het hoofd in het vlak is afwijkend. Deze vormelementen zullen na 1950 langzaamaan verdwijnen. Volgens informatie van Lehmann maakte Citroen ook nog een olieverfschilderij en graveerde hij een tegel met het gezicht van Lehmann. Lehmann zei later over het portret: ‘Het resultaat beviel mij minder dan Paul Citroen's verhalen, maar houd er rekening mee dat ijdelheid een rol kan spelen als men een portret van zichzelf ziet.’ Zijn toenmalige vriendin wilde het schilderij niet aan de muur hebben. Lehmann herinnert zich het schilderij eenmaal te hebben zien hangen op een tentoonstelling in Utrecht.56

 

Het derde olieverfportret, dat van Anna Blaman (cat. 10) uit 1950, was enigszins experimenteel door de expressieve deformatie in de lengte. Citroen portretteerde graag langgerekte gezichten en maakte gebruik van verticale overdrijvingen. Deze vormvrijheid had

[p. 33]

hij vaker toegepast, zoals in het portret van Jef last uit 1945 (cat. 3). De lengte van het driekwart portret wordt versterkt door het enigszins naar links hellen van Blamans hoofd en hand zodat de belangrijkste as naar links loopt. In vergelijking met het portret van Ter Braak is de nadruk op de contourachtige vorm verdwenen en heeft plaats gemaakt voor Citroens psychologische benadering. Het is een gevoelig portret geworden van een schuchtere maar zelfbewuste, elegante vrouw die de kijker onderzoekend aankijkt met een sigaret in haar hand.

Het Letterkundig Museum bezit drie portretten van Blaman door Citroen. Voor de eerste portrettekening (cat. 8) van 24 januari 1950 heeft Blaman een aantal keren geposeerd. Voorts is er een tweede portrettekening (cat. 9), gedateerd 15 maart 1950 en een derde portret (cat. 10), een olieverf, gedateerd maart 1950. Deze laatste twee kwamen moeizaam tot stand, zoals zou blijken uit de briefwisseling.

De tweede portrettekening lijkt, gelet op de verwante houding en de sigaret in haar hand, een voorstudie van het olieverfportret. Deze tekening is gezien de dubbele datering in fasen tot stand gekomen. Eind maart kwam Blaman, naar later zou blijken, voor het laatst poseren want ze schreef op 27 maart 1950: ‘Lieve Paul, ik vond het erg prettig bij jullie. [...] ik hoop volgende week te komen en zal dan zo lang poseren als je maar wilt.’ Het poseren werd nadien keer op keer uitgesteld omdat er telkens iets tussen kwam dat Blaman voor liet gaan. Inmiddels waren Blamans brieven uitvoeriger geworden en ging zij in haar correspondentie in op haar liefdes, depressies en werk. Zo vroeg zij bijvoorbeeld Citroens mening over Le deuxième sexe van Simone de Beauvoir waarover ze een artikel voor De Gids moest schrijven.57 Uit de brief van Blaman aan Citroen van 11 mei 1950 blijkt dat het schilderij nog steeds niet klaar was: ‘Dat schilderij, als je er tenminste nog zin in hebt, komt heus wel goed.’ Ondanks afspraken zou Blaman niet meer voor hem poseren, zodat Citroen gekozen zal hebben voor de datering van het olieverfschilderij in

[p. 34]

maart. Het olieverfportret, dat er voltooid uitziet, heeft hij vermoedelijk afgemaakt op basis van de tekeningen en geantedateerd op maart 1950. Maar het is ook mogelijk dat hij na maart niet meer aan het schilderij heeft gewerkt.58

 

Het portret van Jan Greshoff (cat. 11) uit 1951 is afwijkend door de vorm. Het is een portret van de schrijvende Greshoff. Het is het enige portret uit de collectie waarop aan de houding te zien is dat het hier een schrijver betreft. Uit de overige schrijversportretten, waarop alleen het hoofd is afgebeeld, valt dit niet af te leiden. Greshoff reageerde in een ongedateerde brief op een van twee portrettekeningen die in 1951 van hem gemaakt zijn op De Pauwhof: ‘Heden ontving ik de foto, waarvoor hartelijk dank. [...] De teekening, nu ik hem terugzag, beviel mij wonderwel. Het is een goed portret’.

54Mededeling A.A.C. Maaskant, 3 november 1997.
55Paul Citroen gezien door Mari Andriessen, Johan Bendien, Anna Blaman [...]. Mari Andriessen, Johan Bendien, Anna Blaman [...] gezien door Paul Citroen (noot 46).
56L.Th. Lehmann heeft de verblijfplaats van het schilderij nooit achterhaald. (Brief en mededeling L.Th. Lehmann aan Stance Eenhuis, resp. 25 januari 1997 en 25 april 1997.)
57Blaman stuurde het typoscript op 6 april 1950 naar Citroen ter lezing waar hij vervolgens zijn visie op gaf. Het artikel verscheen later in dat jaar: Anna Blaman, ‘Een portret van Amerika door Simone de Beauvoir’, in De Gids, 113 (1950) 8-9 (augustus-september), p. 234-236. Het typoscript met het essay over Simone de Beauvoir uit de collectie Paul Citroen is in 1992 geveild. (Zie Veilingcat. Van Stockum's Veilingen (Den Haag) 24-26 juni 1992, nr. 1510.)
58Lees over het contact tussen Blaman en Citroen: Aad Meinderts, ‘Rijkdom van het onvoltooide? Anna Blaman geschilderd door Paul Citroen’, in In zijn soort een mooi werk (noot 24), p. 89-91.
prepostterug  begin  verder