terug  begin  verderprepost

Bibliografie

A Justus van Effen (chronologisch)

‘Éloge Historique de Juste van Effen’, in: Oeuvres diverses de Mr. Van Effen, T. III (Amsterdam 17423).
P.A. Verwer, ‘Het leven van Mr. Justus van Effen’, in: Hollandsche Spectator. Tweede druk, Eerste deel (Amsterdam 1756), p. I-CLV.
Jacobus Scheltema, ‘De Agnietjes van Mr. Justus van Effen’, in: Geschied- en Letterkundig Mengelwerk II, 2e st. (Amsterdam 1818), p. 140-185.
N.G. van Kampen, Lessen van levenswijsheid en menschenkennis opgezameld uit den Hollandschen Spectator (met een redevoering over J. van Effen), Deventer 1838; 2e dl. verzorgd door E. Moll, aldaar 1839.
A. van Heel, Justus van Effen, eene voorlezing, 1845.
A.J. van der Aa, Bloemlezing uit den Hollandschen Spectator van Justus van Effen met eene levensschets van dien schrijver, Schiedam 1853-1872. 4 dln. (Klassiek Letterkundig Pantheon, nr. 17, 32, 53 en 103).
De Navorscher III (1853), p. 159; IV (1854), p. 101, 137.
W. Bisschop, Justus van Effen geschetst in zijn leven en werken, Utrecht 1859.
[p. XVI]
A.J. van der Aa (e.a.), Biographisch woordenboek der Nederlanden, dl. V (1859), p. 32-34.
C.A. van Sypesteyn, in: Haagsche Stemmen, 23 mrt. 1889, p. 361-379 (over Van E.'s verblijf in Engeland).
A.W. Stellwagen, De Hollandsche Spectator. Eene bloemlezing van een-en-tachtig vertoogen, Groningen 1889.
J. Koopmans, ‘Wat Justus van Effen zijn Spectator deed schrijven’, in: NTg. 1 (1907), p. 6-19.
J. Koopmans, Uit Justus van Effen's ‘Hollandsche Spectator’, Groningen 1907 (Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde, nr. 8).
L. Knappert, in: Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek I (1911), p. 794-795.
A.J. Barnouw, ‘Oliver Goldsmith en Justus van Effen’, in: Handelingen en mededelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1912-1913, Leiden 1913, p. 81-96; ook in: The modern language review VIII (1913), p. 318 vv.
W. Zuydam, Justus van Effen. Een bijdrage tot de kennis van zijn karakter en zijn denkbeelden, Gouda 1922. Dissertatie Utrecht.
J.J.B. Elzinga, Les mots français et les gallicismes dans le Hollandsche Spectator de Justus van Effen, Leiden 1923. Dissertatie Universiteit van Amsterdam.
J.L. Walch, in: Groot Nederland, XXIII, 2e st. (1925), p. 196-205; 318-323.
Joseph E. Brown, ‘Goldsmith's indebtedness to Voltaire and Justus van Effen’, in: Modern Philology, XXIII (1926), p. 273-284.
Chr.J.J. Maatje Jr., ‘Justus van Effen, een Nederlandsch rationalistisch essayist, moralist en paedagoog’, in: Vragen van den dag, 43 (1928), p. 928-933.
L. Brummel, ‘Van Effens spectatoriale geschriften in hun verband met de Duitsche’, in: NTg. 22 (1928), p. 242-256.
[p. XVII]
W.J.B. Pienaar, English influences in dutch literature and Justus van Effen as intermediary, Cambridge 1929.
A. Verstraeten, Bloemlezing uit den Hollandschen Spectator van Justus van Effen, met inleiding, aanteekeningen en een woordenlijst, Antwerpen 1932.
Erik Hörnström, ‘Justus van Effen en Zweden’, in: De Gids 99, III (1935), p. 202-216.
M. Boldingh, ‘Justus van Effen en de Hollandsche Spectator’, in: Op de Hoogte, jrg. 1935, p. 87 vv.
C.J. Wijnaendts Franken, ‘Justus van Effen’, in: Mork's Magazijn, jrg. 1940, p. 273 vv.
Elizabeth J. van Dam-Gras, ‘Justus van Effen, een 18e-eeuws journalist’, in: Bundel opstellen van oud-leerlingen aangeboden aan Prof dr. C.G.N. de Vooys, Groningen-Batavia 1940, p. 146-152.
C.G.N. de Vooys, ‘Opmerkingen over de taal van Justus van Effen's Hollandsche Spectator’, in: NTg. 44 (1951), p.75-78.
Clara Eggink (e.a.), Justus van Effen, Haarlem 1954 (bloemlezing uit De Hollandsche Spectator in de reeks ‘Landjuweel’, nr. 5).
P.J. Buijnsters, ‘Voorlopers van Justus van Effen’, in: NTg. 59 (1966), p. 145-157.
B. van Selm, ‘De 1731-1735 edities van De Hollandsche Spectator’, in: Studies voor Zaalberg, Leiden 1975, p. 187-260.
Jean Sgard (ed.), Dictionnaire des journalistes (1600-1789), Grenoble 1976, p. 364-366.
James Lewis Schorr, Justus van Effen and the Enlightenment, Ann Arbor, Michigan, 1981.
K.G. Lenstra, bespreking van ‘Schorr’ in: Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw, nr. 46 (juni 1980), p. 33-37.
[p. XVIII]

B Het spectatoriale tijdschrift

A) buiten Nederland

Richmond P. Bond, The Tatler. The Making of a Literary Journal, Cambridge (Mass.) en London, 1975.
Walter Graham, English Literary Periodicals, New York 1930.
Wolfgang Martens, Die Botschaft der Tugend. Die Aufklärung im Spiegel der deutschen Moralischen Wochenschriften, Stuttgart 1968.
The Spectator, edited with an introduction and notes by Donald F. Bond, Oxford 1965. 5 dln.

B) Nederland

J. Hartog, De spectatoriale geschriften van 1741-1800, Utrecht 18902.
P.J. Buijnsters, ‘Voorlopers van Justus van Effen’ (zie onder A).
P.J. Buijnsters, ‘Bibliografie 18e-eeuwse spectatoriale tijdschriften in Nederland’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, nr. 2 (febr. 1969), p. 16-25; onveranderd herdrukt in Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw No. 1-10, Utrecht 1975, p. 38-47; verbeterd en aangevuld onder de titel ‘Check-list 18e-eeuwse spectatoriale tijdschriften in Nederland’, in: P.J. Buijnsters, Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw. Veertien verkenningen, Utrecht 1984, p. 77-85.
P.J. Buijnsters, ‘Moralische Wochenschriften in den Niederlanden (1718-1800)’, in: Études Germaniques 21, nr.
[p. XIX]
3 (1966), p. 408-417; terugvertaald met aanvullingen onder de titel ‘Spectatoriale tijdschriften in Nederland (1718-1800)’, in de bundel Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw, p. 36-46.
P.J. Buijnsters, ‘Sociologie van de spectator’, in: Spiegel der Letteren XV, nr. 1 (maart 1973), p. 1-17; herdrukt in de bundel Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw, p. 58-76.
J. Stouten, ‘Verlichting in afleveringen’, in: Marijke Spies (ed.), Historische letterkunde, facetten van vakbeoefening, Groningen 1984, p. 115-135.

prepostterug  begin  verder