HOewel het woord Poëet, of Digter in zyn algemeene beteekenis toegepast werd op alle die genen, die in rym schryven, zo word het nochtans niet zelden gebruikt om een onderscheid te maken tusschen een fraye geest in wiens werken de ware digtkundige gaven oogenschynlyk doorstralen, en een Rymer die in de voorbrengzelen van zyne koude verbeeldingskragt doet blyken dat hy ten naasten by weet welken trant vaerzen hebben moeten, en dat ze met een overeenstemmend geluit moeten eindigen; in een woord die een onbetwistbaar recht heeft op den tytel van Vaarzemaker. De zelfde benaming kan ook gevoeglyk aangewend worden, om 't Character uit te drukken van iemand die, 't zy om de kost te winnen, 't zy uit verkiezing en neiging, zig geheel en al aan de Poezy overgeeft, en 'er zyn gansche werk van maakt; in tegenstelling van zulken, die, hoewel aan gewigtiger, en zakelyker bezigheden gehegt, nochtans smaak in de Digtkunde hebbende, niet alleen met vermaak de werken van anderen lezen, maar ook eene aangename uitspanning en verlustiging vinden in 't waarnemen der goede lui[234]men van hun eigen digtgeest; Om te beletten dat de dubbelzinnigheid van die benaming geen brabbeling in de styl veroorzake, zou men 't eerst beschreeven zoort van rymschryvers tegens de Vaarsemakers gesteld, Digtgeesten kunnen noemen; aan het tweede dat van de Digtkunde zyn hanteering maakt, de naam van Poeeten laten, en de laatsten onderscheiden door den tytel van Liefhebbers der Digtkunde, of, dewyl de
zin hier door 't onderwerp genoegzaam bepaalt word, door de bloote naam van Liefhebbers, die naar mate de Natuur hen karig of mild geweest is, of tot de Digtgeesten, of tot de Vaarsemakers behoren, gelyk de Vaarsemakers op hun beurt, naar mate zy zig aan die kunst verslaven, of 'er een uitspanning in zoeken, onder de liefhebbers, of onder de Poeeten moeten gerekent worden; welke laatsten weder door hunne bekwaamheid, of door hun gebrek van gaven, een plaats onder de Digtgeesten of onder de Vaarzemakers word aangewezen.
Ik heb ten hoogste noodzaaklyk geagt deze verscheide zinbepalingen hier ter neder te stellen om my met meer gemak en minder verwerring te kunnen verdedigen tegens een bykans generale beschuldiging, door welke my te last word gelegt, dat ik alle Rymschryvers met het zelfde zop heb begooten, en zonder onderscheid op het bespottelykste en afschuwelykst afgebeeld. Deze misdaad indien ze wezentlyk was, zou van zo eene buitensporige verfoeyelykheid zyn, dat, byaldien ik onmagtig ben myn onschuld duidelyk aan te tonen, ik verdien, dat my door de Heeren Poeeten een zeker Fransch Versje werd toegepast, waar van de zin in 't Neerduitsch, op de volgende wyze zou konnen uitgedrukt worden. [235]
Ik wil zelfs graag bekennen, dat zulks de minste straf is, die ik my in zo een geval waardig zou gemaakt hebben, en dat men my met recht behandelen zou, indien my, door het publiek gezag, myne lasterzieke pen uit de hand gerukt wierd. Dog het is my onmooglyk te begrypen, hoe een verstandig en redelyk Lezer diergelyk vermoeden van my opgevat kan hebben, daar ik hem reeds lang van te voren gewaarschuwt heb, op welke wyze 't geen ik over deze stoffe te zeggen had, moest opgenomen worden. Men sla de ogen maar op het begin van myn Vertoog No. 46, alwaar men
deze nadrukkelyke woorden zal vinden: “Wanneer ik aangaande 't een of 't ander zoort van menschen myn gevoelen uit, zo is het onnozel myn zeggen toe te passen op ieder in 't byzonder, die tot het zelve hoort; Indien ik, by voorbeeld my onderwinde te verklaren dat ik geen luiden ken van een onaangenamer en neteliger omgang als myne Heeren de fraye geesten, en by name de Poeeten, zou het belagchelyk zyn daar uit op te maken, dat 'er, myns oordeels, geen Digters gevonden worden, welkers geest met eene redelyke en rekkelyke imborst gepaart zy.” Dog 't geen myne verwondering nog verdubbeld wegens de dwaling waar in de meeste myner lezers vervallen zyn, is dat ik in het zelfde [236] blaadje, op 't welk deze beschuldiging gegrond is, volmondig verklaar dat ik onder de beroemde luiden, (waar van zekerlyk de Poeeten de minste niet zyn) in verscheide delen des aardbodems Mannen gevonden heb, die met hunne zeden en treffelyke hoedanigheden hun verkreege roem handhaafden, en zig in alle opzigten agtbaar, en beminnelyk maakten. Het blykt hier immers weder middag klaar, dat ik de minste gedagten niet gehad heb van alle de Rymschryvers op de zelve wyze te behandelen. 't Zy my derhalven geoorloft my hier aan iemand wie het ook mag zyn uit de gansche hoop der Nederduitsche Rymeren te addresseeren om hem de reden van zyne gestoordheid tegens my af te vragen. Hy zal my zeggen, dat de oorzaak van zyn misnoegen bestaat in de veragting die ik voor de Digters hebbe durven toonen, met hen als buitensporig onhandelbaar, en onverdragelyk af te schilderen; Ik zal hem met recht daar op kunnen te gemoet voeren, al was hy van dat zoort van Rymers, aan wie de digtkunde de voornaamste bezigheid verschaft, dat ik wel duidelyk onder dat slag van fraye geesten, ook eerlyke, redelyke en beminnelyke luiden erkent heb. Is hy gelukkig genoeg om eenen van dat klein, dog agtbaar hoopje, uit te maken; wat mogelyke beweegreden heeft hy in dit geval zig over my te beklagen? Kan hy zig gebelgt houden, om dat ik hem afgeschetst heb als een Poeet, wiens gaven door redelykheid en goede zeden ondersteunt zyn, en wiens verdiensten des te luisterryker zyn, om dat het getal van zyns gelyken gering is? De reden dienvolgens niet alleen, maar ook zyn eigen belang behoorde hem te beletten zig die zaak aan te trekken; Met zig deswegens gestoord te toonen, doet hy vermoeden, dat hy naar zekere Vrouwen wel mogt zwemen, die zo dra ie[237]mand zig vermeet iets wegens de gebreken, en zwakheden van hare sexe te spreeken of te schryven, vuur vatten, als of ze het voor alle de vrouwen wilden opnemen, niet zo zeer uit liefde voor dezel-
ven, als wel, om dat ze zig boven anderen aan de vrouwelyke onvolmaaktheden onderhevig voelen. Mogelyk zal hy voorgeven, dat de oorzaak van zyn gestoordheid bestaat in de geringe uitzondering, die ik maak ten behoeven van redelyke en handelbare Poeeten, dog daar op kan ik hem geen andere voldoening geven, als te betuigen dat ik met opregtheid volgens myne ervarentheid, niet anders heb kunnen spreeken. Is hy met dezelfde oplettendheid, als ik, gelukkiger in zyne ondervinding geweest, en heeft hem zyn goed geval een grooter getal hupsche en rekkelyke Poeeten doen ontmoeten, als aan my, 't is my van harten lief, en zo dra ik hier in een groter en aangenamer ligt zal krygen, zal ik met vlyt de gemaakte eerbreuk weer tragten te herstellen. Voeg hier by dat de uitzondering, ten minste door my duidelyk aangewezen, niet gering kan genoemt worden, in betrekking op alle de Rymschryvers in 't gemeen. Men herleze myn crimineel blaadje met eene koele en bezadigde aandagt, en men zal zonder moeite bespeuren, dat myne berisping luiden bedoelt, die zig geheel aan de Poezy verbinden, hunne verbeeldingskragt alleen oeffenen, en hunne andere ziels vermogens de roest overgeven, in een woord, dat zoort van Rymschryvers alleen welke ik goed gevonden heb hier met den naam van Poeeten te doopen, en welkers gebreeken door de natuur zelf van hunne voorname bezigheid, en door de plooi die dezelve allengskens aan hunne harssenen geeft, veroorzaakt worden. 't Is egter mogelyk dat zelfs onder dat slag van Rymers eenigen gevonden worden, die door overmaat van een gelukkige imborst hupsch en handelbaar, en tot het waarnemen der gewigstigste pligten der menschelyke t'zamenleving niet onbekwaam zyn. Dog zyn alle de Rymers, in myn bepaalde zin, Poeeten? Is 'er niet ruim zo een groot onderscheid tusschen een Poeet, en een Liefhebber, als tusschen een bloemist, en iemant die graag een fraye bloem ziet, en zelfs by wyze van verlustiging wel eens aankweekt? Men kan my immers niet verdagt houden, van geen denkbeeld van dat laatste zoort van Rymschryvers te hebben, dewyl ik my een eer maak van met hen onder 't zelve vendel te dienen.
Myne berisping heeft hen niet beoogt, nog kunnen be[238]ogen? Wat valt 'er zelfs veel te bedillen op die genen onder de Liefhebbers die maar bloote Vaarzemakers zyn? als dat ze eene gemene zwakheid hebben, met duizend anderen, die lust en neiging, voor geest en bekwaamheid, nemende, zig zaken onderwinden, tot dewelken zy niet geschikt zyn. Dog wat de Digtgeesten onder hen betreft, wie kan ontkennen dat ze de aangenaamste
en de heerlykheid van 't reedlyk schepzel meest beantwoordende verlustiging weten uit te kippen, die nutter bezigheden niet benadeelt, en met de treffelykste en beminnelykste hoedanigheden niet alleen bestaan kan, maar ook de zelven tot cieraad verstrekken. Hadde ik niet ondersteld, dat dit wezentlyk onderscheid tusschen de meeste Poeeten, en de Liefhebbers, den Lezer zo wel als my bekend waar, hoe zou ik buitensporig genoeg kunnen zyn geweest, om myne Vriendschap een Digtgeest aan te bieden, en korts daar na eensklaps de vriendschap der Poeeten te veragten? Dit zy toegepast op het wezentlyke, dat in het volgende stukje half ernst, half jok, door een voornaam Liefhebber my toegezonden, vervat word.