terug  begin  verder
[p. 323]

No. 103. Den 20. October 1732. De Hollandsche Spectator.

 
Nescio, quid monstri intus alunt.1

WAnneer ik in een myner voorige vertoogen, myn gevoelen heb getracht uit te drukken, omtrent fynheid en ware Godsvrugt,2 heb ik geoordeelt, uit eene op reden gegronde liefde voor myn evenmensch staande te moeten houden, dat fynen zonder rechtschape deugd, en die wat het wezentlyke aangaat de gemeene slender van de grootste menigte volgen, door de bank niet verdienen als huichelaars uitgekreeten te worden, die, door den dekmantel van eene uiterlyke godsdienst, hare booze aanslagen tegens hun evenmensch maar zoeken te verschuilen, en te beveiligen, en aldus baarblykelyk tonen, dat ze 't Opperwezen of inwendig verloochenen, of met eene onbegrypelyke baldadigheid durven trotzeeren. Zo eene verfoeijelyke ziels gestalte kan niet alleen de fynen, ontbloot van opregte deugdzaamheid, niet aangewreven worden, hoewel men bevind dat hun gedrag aandagtiglyk ingezien zynde nergens in dat der waereldlingen overtreft, maar zelfs niet zonder roekeloosheid onderstelt worden, in zommigen uit die bende, die aan de zwaarste en aanstotelykste misdaden zich schuldig maken. De Reden daar van is van de uiterste klaarheid; vermids het zeker [98] is dat ware Heiligen, en zelfs heiligen van de eerste rang in de gruwelykste euveldaden vervallen zyn, zonder daar door het wezentlyk character van deugd en Godvrugt te verliezen. Om niet te spreeken van een der waerdigste Apostelen, die zo verre zyn pligt vergeeten heeft, dat hy zyn Heiland heeft kunnen verloochenen; wat grooter euveldaad verdien-

[p. 324]

de ooit in de Historien gebrandmerkt te worden als het overspel van David den man naar Gods hart, en de daar op gevolgde moord, begaan aan eenen zyner getrouwste en yverigste onderdanen. Dog om omtrent zo een netelig onderwerp recht te redeneren, moet nauwkeuriglyk onderzogt worden, of dusdanige verfoeyelyke feiten de uitwerkingen zyn van een boosaardig overleg, of van eene overrompelde zwakheid. De oorzaak van dien Grooten Konings val was de schielyke indruk van eene schoone Vrouw op zyn vurig gemoed, waar van de ongemeene driftigheid door zyne gehele levensloop doorstraalt; Had hy in 't begin kragts genoeg aangewend om zyne oogen en aandagt van 't betoverende voorwerp af te rukken, en zyn hart met godvrugtige gedagten vervult, hy zoude buiten twyffel die passie vermeestert hebben; Maar zo dra hy voor dezelve zyn ziel had geopent, was hy de bezitting en de eigendom van zig zelf kwyt, en 't was om zo te spreeken niet de Koning van Juda, maar zyne zegenpralende hartstogt, die 't heilig regt des huwelyks op 't schendigste verbrak. Men zal egter zeggen, dat zo oit een schelmstuk met voorbedagten raad overlegt wierd, het zekerlyk de doodslag aan den braven Uria begaan is geweest, en dat ten minste zo een verfoeilyk bestek met de ware heiligheid onmooglyk kan bestaan; Dog hier omtrent moet aangemerkt worden, dat 't geen van een bestoken gru[99]weldaad gezegt is, alleenlyk moet toegepast worden op eene eerste misdaad, waar aan 't hart in koelen bloede, en met eene zekere vergenoeging en verlustiging in ondeugd, zig schuldig maakt, en niet op eene tweede, die in de overwonne en zig zelf ontvreemde ziel, door d'eerste als met een onweerstaanbaar geweld na zig word gesleept, en niet zelden de eerste schennis tot een onmydelyke kastyding strekt; vermids het zeker is dat de Opperregter der waereld dikwils niet alleen de moedwilligheid maar ook de onbedagtzaamheid van een zonde straft, met toe te laten dat de schuldige aan zyne verdorvenheid overgegeven, met een zekere noodwendigheid, in zwaarder en zwaarder stort; 't Is derhalven een teken van gebrek van hartenkennis, of wel van eene onmenschelyke roekeloosheid een zogenaamde fyne, niet alleen wegens huichelary, maar zelfs wegens schyndeugt te veroordeelen, wanneer hy in overspel, in doodslag, in bloedschande, met een woord in de afgryselykste misdaden vervalt die evenmatig kunnen zyn met de kragt van de hartstogt, die hem daar toe vervoert. Schoon in zo een geval 't gewelt van zyn driften hem geenzins van schuld vry spreekt, blykt het egter zonneklaar, uit het gezegde, dat zyn euveldaad in hem geen bewys is van godloosheid, en met de ware hei-

[p. 325]

ligheid kan bestaan.

't Eenigste dat eene wel beredeneerde billykheid, om wegens zo een droevig voorwerp geen onbezonne oordeel te vellen, moet onderzoeken, is, of zo eene groove zonde strydig is met de gewone en doorgaande gesteltenisse van een ziel, of wel, of dezelve uit eene zondige hebbelykheid voortkomt, en als een schakel van eene gansche keten van ondeugden moet aangezien worden; of zo een schuldig hart onverhoeds overvallen en zig zelven ont[100]rukt word, of wel, of het zig eene gewoonte maakt van met moedwil de zonde als de ordinare bronader van zyn vermaak, te zoeken, en na te speuren. Ik durf zelfs in dit geval beweeren, dat dit laatste slag van booswigten gedurig bezig met hunne zwakste driften te voldoen, minder gevaar lopen van zig aan de gruwelykste fouten te vergrypen, als Godvrugtige luiden, die van de betragting hunner pligten hun gewoon werk maken, die zonder ophouden hunne hartstogten in haar loop stuiten, maar die eens door de zelven verrascht door haar ganschelyk overstroomt en weggesleept worden. De eersten zyn te vergelyken by een dor land, dat aan 't water een vryen toegang geeft, en daar door van deszelfs woede weinig heeft te lyden, de anderen aan eene vrugtbare bedykte grond, die door eene geweldige en onverwagte breuk van zyne beschutting, door de aangedreeve stroom vermeestert word, en al zyn cieraad en vrugten voor een tyd verliest. 't Gezegde strekke tot eene heilzame inleiding aan het volgend verhaal, 't welk waaragtig is, (want, van iets diergelyks te versieren, zou ik conscientie-werk maken); Maar daar is zorg gedragen, om het zo wel te vermommen, dat het onmooglyk is 't zelve te ontmaskeren.

 
EEn Quezel, ruim zo fyn als blompap in haar spreeken,
 
In haar gebaar, en uiterlyke dragt,
 
Die eeuwig tegen alle pracht
 
En alle vreugde staat te preeken,
 
Ja 't allerminst verzuim een zondig gruwel noemt,
 
En allen die zich niet geheel en al verzaaken
 
Maar met een vrolyk hart zich nu en dan vermaken,
 
Uit bittren ernst tot in de hel verdoemt,
 
Als zynde geen der uitverkoren [101]
 
Voor wien van eeuwigheid de hemel is beschoren
 
Heeft laast getoond, hoe fynen van haar soort
 
Het fynste liegen,
[p. 326]
 
En 't ergst bedriegen,
 
Wanneer zy 't ernstigst zich bedienen van het woord.
 
 
 
Haar Neef een Boer, die van den vroegen morgen
 
Moet tot den laaten avond zorgen,
 
Hoe hy zyn huisgezin zal voorstaan met zyn werk,
 
Een hups en deeglyk man, een lidmaat van de Kerk
 
Nam eens den Zondag waar, (de Sabbath wil ik zeggen)
 
Om, waar het mooglyk, eenig land
 
Waar in hy voordeel dacht te leggen
 
Te koopen uit de hand,
 
Hy voer dan heen om met den vriend te spreeken
 
Aan wien het eigen was, en kost den Predikant
 
Dien ogtend, by gevolg niet komen horen preeken.
 
Hy sprak den man, doch, zo als ieder weet,
 
De boeren zyn te taai, om straks een koop te sluiten,
 
En zullen nooit, al waar 't hun namaals leed,
 
Zich op den eisch ten eersten uiten.
 
Zo ging 't hier ook, men scheidde vruchteloos,
 
't Was weinig geld, waarom de koop bleef steken,
 
Dog, zo het scheen, maar voor een poos.
 
 
 
De boer, die onverrechter zaaken
 
Moest scheiden van dien steggen kloen
 
Treft tot zyn ongeluk in 't uitgaen van 't sermoen
 
De Quezel aan, sta vast! nu zal 't 'er kraaken.
 
Wel Fynman, was het eerste woord,
 
Is dit den dag, den eigen dag des Heeren,
 
Gevierd naar zyn begeeren?
 
Wordt dus de Sabbathdag geheiligd, of gestoord?
 
Gy hebt den dag, den dag zo hoog ons aanbevoolen, [102]
 
Aan uwen God ontstolen,
 
En zyn gemeinte ontsticht door 't blyven uit de preek,
 
Of is 'er voor u in de week
 
Geen tyds genoeg om uit het dorp te vaaren?
 
Vaar zo maar voort, zo vaart gy naar de hel,
 
Wacht daar uw straf oneindig zwaar en fel,
[p. 327]
 
Ten zy op diep berouw de Heer u wilde spaaren:
 
Spreek op waar komt gy zo van daan?
 
 
 
De boer met traanen op de wangen
 
Beteuterd, en van schrik bevangen,
 
Trild of hy reeds de hel zag voor hem open staan:
 
(Hy hadt gewis een Duivelin voor oogen,
 
Maar zag haar voor een heilige aan,
 
Zo word men door den schyn bedrogen)
 
Noit zal hy in 't vervolg begaan zo'n gruweldaad
 
De Satan hadt hem, aangedreven
 
En door de hoop van winst, die plichtbreuk ingegeeven.
 
 
 
Op 't woord van winst vraagt Schyndeugd, waar bestaat
 
De winst in, die u zou den hemel doen verliezen?
 
Hoe kan een Christen mensch zo onverstandig kiezen,
 
Dat hy zyn zaligheid waage aan een aardsch gewin?
 
Zorg in de week voor 't huisgezin
 
Maar op den Sabbath moetge uw waarde ziel bezorgen.
 
 
 
Ik heb, zei toen de boer, de zaak zo niet bevat
 
En meende een stuk van drie vier morgen,
 
Dat in het kort ontgrond wordt, zo ik schat,
 
Te koopen, ja ik meen het is zo goed als binnen,
 
En door den eigenaar op zulk een prys gesteld,
 
Dat ik 'er vast en zeker op zal winnen.
 
(Toen heeft de gek met een den eisch en 't bot gemeld)
 
Maar 'k spreek myn laatste woord het eerst niet, want myn geld [103]
 
Is morgen noch zo goed als heden.
 
Daar Nichje hoorje nou de reden
 
Waarom ik in 't gehoor van ogtend niet verscheen.
 
 
 
Wel nu dan, zeize, ga maar heên,
 
Maar kom straks in de kerk, op dat gy daar in 't midden
 
Der uitverkore schaar moogt om vergeeving bidden,
 
En door de kracht van myn en uw gebed
 
Uit 's Duivels klaauwen werd gered.
[p. 328]
 
Ze scheidden dus, schoon zeer verscheiden van gedachten
 
D'onnooslen boer was een gewaande zonde leed,
 
Terwyl de snoode feeks in 't hart een aanslag smeed,
 
Waar voorze zekerlyk moet 's hemels wraak verwachten.
 
Ze laat den eigenaar terstond
 
Ontbieden, want, (dit had ik haast vergeeten)
 
De naam en woonplaats was den Veenpuit uit den mond
 
Gevallen, anders kon de Quezel die niet weeten.
 
Want fyne preekers zelfs zyn immers geen profeten.
 
Maar laat dat zyn zo 't wil;
 
Ze doet den eigenaar heel stil
 
Verzoeken, zo terstond met haar te komen spreeken;
 
Hy komt en straks was 't land verkocht.
 
Ze wist wat prys hy zocht,
 
Des was 't niet noodig lang te talmen of te preeken;
 
Maar vraagtge, dorstze zelf de rust des Sabbaths breken?
 
Zo vraag ik weer, wel waarom niet?
 
Of zou een fyne Hypokriet
 
Daar op geen uitvlucht kunnen vinden?
 
Ja ja; die plicht raakt slechts een' aardsgezinden,
 
Die moet door wetten zyn beteugeld in zyn drift,
 
Maar een die alles naar de schrift
 
Behandelt, scheidt en schift,
 
Behoeft zich aan het juk der wetten niet te binden;
 
Hy is een vrygemaakte en de ander slechts een slaaf. [104]
 
Maar haren Neef zyn winst op deze wys te ontsteelen
 
Is dat ook Christelyk gehandeld, is dat braaf?
 
Of kan zy ook die breuk met schyn van reden heelen?
 
Ja zeker, al zo wel als of zy in de school
 
Der snoode volgers van Lojool
 
Was tot het meesterschap verheven.
 
En wilt gy luistren, 'k zal voor haar eens antwoord geeven.
 
Men weet, dat alle ding
 
In handen van een' wereldling
 
Is als een mes in kindsche handen.
 
Wat ziet men menigwerf
 
Hem 't goed misbruiken t'zyner schande,
[p. 329]
 
En andren ten verderf.
 
Eischt dan de liefde niet van vrye hemellingen,
 
Dat zy den wereldling dat hachlyk tuig ontwringen?
 
Ik dan, die een der hemellingen ben,
 
En buiten tegenspraak aan zekre tekens ken
 
De waare schaapen, die ten goede zyn verkoren,
 
Uit andren, die gewis in zonden zullen smooren;
 
(Want deezen weeten plaats noch tyd
 
Te noemen, waar noch ook wanneer ze zyn herbooren,)
 
Moet met een ongemeenen vlyt,
 
Myn' onbekeerden Neef beletten,
 
Terwyl hy niets dan zonde kan begaan,
 
Niets goeds, niets Christelyks bedenken of bestaan,
 
Zyn magt tot zyn verderf noch verder uit te zetten.
 
Wat dunkt u, zouze zelf, al waerze een Jesuit
 
Wel voor haar eigen vuile feiten
 
Met meerder schyn van reden kunnen pleiten?
 
Altoos my dunkt het niet.
 
Doch hoe men 't schelmstuk mag vernissen of verbloemen,
 
'k Zal zulke streeken steeds verdoemde streken noemen,
 
En is haar Neef op haer gestoord.
 
Daar zyn 'er meer dan hy, die zulk een volk verfoejen,
 
Ja wenschen, dat men door Gods woord
 
De fynheid zonder deugd haast uit de kerk mag roejen. [105]
11756: 486 “Ik weet niet welk een Monster zy in den boezem kweken.” - Ik weet niet wat voor monster zij van binnen voeden.
2Zie vertoog 41.
terug  begin  verder