
Het is genoeg bekent hoeveel een vleyende tong in
alles vermag; dog wel boven alles vermag zy
zeer veel in de Liefde; zelden zal een hart die be-
tooveringen lang kunnen wederstaan: van dit ge-
voelen is Ovidius mede geweest wanneer hy in het
eerste boek van zyne minnekunst zeit.
Westerbaan heeft het voor de Haagse Jeugd dus vertaalt.
Het steunt ook op groote rede dat de vleyery van veel ver-
mogen in de Liefde is, want indien de begeerte die wy tot
de wellust hebben ons zeer veel vermaak kan geeven, gelyk
Lucretius in zyn vierde boek zegt,
moet ook een tong die, die vermaaken lekker en leevendig
weet af te beelden, van groote kragt zyn; dit moet Juvenaal
wel geweeten hebben wanneer hy in zyn zesde schimp-
schrift daar van zegt: digitos habet: Ook is dit zoodanig een
gemeen gevoelen dat alle minnaars onder haare voornaamste
vermaaken de zoete en vleyende woordetjes stellen; ja de
ondervinding leert ons dat zommige zig hier om het brou-
wen en lispen hebben aangewent: dog die hier meer van ge-
lieft te weeten kan les Memoires de Brantome leezen, contenant
les vies des Dames Galantes de son tems. La Rettorica delle Putta-
ne, van Ferrante Pallavicino en diergelyken.
De tweede rede waarom het vleyen veel vermag is, dat het
gemeenelyk met pryzen verzelt is, 't geen zekerlyk mede groote
kragt op ons gemoed doet, om dat wy alle van natuur hovaar-
dig zyn, dit heeft Ovidius in het laatste van 't zelve boek ook
geleert, en het is van den koddigen
J. Starter
, in zyn Klugt van
Jan Zoetekaaw
, heel wel aangemerkt.