
IN dit zinnebeeld worden twee zaaken verbeelt, die
heel nodig en bekwaam zijn om ons op de smalle weg
der Liefde over einde te houden, de eerste is, dat, ge-
lyk de Koordedanszers zig in evenwigt weeten te hou-
den door het loot 't geen zy in hunne handen hebben,
en zig daar op kunnen betrouwen, een minnaar zig ook
moet verlaaten op de rede, en in al zyn doen zig altyd zoo
veel mogelyk is door de rede bestieren: ik heb hier van
reets in de aanteekeningen over het tweede zinnebeeld van
gesprooken, en gezegt, dat, het zy men de rede verliest of
de Liefde redelyk wil noemen, de Liefde en rede wel te
zaamen kunnen gaan: en indien ymand zig wytloopiger over
deeze stof gelieft te verlustigen die leeze l' Art de bien aimer.
van le Boulanger. De tweede is dat, gelyk de Koordedanszers
altyd hun gezigt onbeweegelyk op het tou gevestigt houden,
en zoo dra zy'er maar een weinig ter zyden zien in gevaar
zyn van te vallen, alzoo ook een Minnaar onbeweegelyk een
voorwerp in't gezigt moet hebben, daar aan zyn geheele hart
gestadig opofferen, en enkel tragten dat alleen te behaagen,
en dat zoo dra hy hier van afwykt en zyn hart aan twee voor-
werpen te gelyk tragt te geeven, in gevaar is van in de Lief-
de te struikelen. Dit is een grondregel die by allen, altyd
is vast gestelt geweest: Ovidius zegt in het eerste Boek van
zyne Minne-kunst.
Propertius, lib. 1. eleg. 2. dat het genoeg is wanneer een Meisje
aan een behaagt.
in het 5. boek 2. deel van Astrea van Honore d'Urfe vind men
in het tweede tafreel van de wetten der Liefde: dat een
,,minnaar maar altyd op een plaats moet beminnen; dat hy
,,die Liefde altyd heilig in zyn hart moet bewaaren, en bo-
,,ven alles agten; dat hy, dit voorwerp altyd in't oog heb-
,,bende, zig zelven geen gelukken moet toeschryven als
,,enkel om dit voorwerp te behaagen.
De Drost
Hoofd
heeft hier een byzonder zinnebeeld van, zyn-
de een Maal Slot met een Sleutel en deeze vaarsjes.
In 't kort de rede leert dat alle waare Minnaars van haar Be-
minde voorwerp moeten zeggen, 't geen Mirtillo van zyne
Amarillis uytriep, Past. Fido: att. 3. sc. 6.