
Yder weet hoeveel aantrekkelykheden een Schoo-
ne Stem heeft, en geen hart is zoo wreed en ver-
woed 't geen door het dobberend geluit van een
schelle keel niet word bewogen.
Fr. Junius
in zyn
tractaat de Pictura Veter:, lib: 3. cap. 10. in not: No.
40., hebbende op getelt alle de schoonheden van 't mensche-
lyk lighaam, voegter op 't laaste by, een schoone stem, en
haalt uyt Laërtius, in Zenone, aan, dat de stem de bloem van de
schoonheid is: 't is dan geen wonder dat een Schoone Stem van
alle tyden zoo is bemint geweest, vermits de Liefde, gelyk
wy reets hebben gezegt, een beweeging van de begeerte tot
het schoone, kan genoemt worden; en men behoeft zig dan
ook niet te verwonderen dat zoo veele digters, zoo veel tot
lof van een schoone stem hebben opgezongen, dog dewyl
dit alleen dit Zinnebeeld zoo veel niet betreft, zal ik dit
voorby gaan en spreeken van de Speel-en Zangkunde in 't ge-
meen; hier van spreekt de Geestige
Jan de Bruin
redelyk wyt-
loopig in de honderd vier-en vyf en tnegentigste puntrede
van zyn
Jok en Ernst: alwaar hy Scaliger (hy zegt evenwel
niet welke) ook van zig zelve doed bekennen, dat hy groot
vermaak schepte in een welluidend maatgezang, en 't minnelijk wee-
zen van schoone vrouwenbeelden. Musicis supra modum capior; &
pulchrarum faeminarum venustate detineor. En hy doet hem ook
deeze rede van zyn vermaak in de Musyk geeven, De geesten,
doet hy hem zeggen, ontrent het hart, nemen die bevende en dans-
sende lucht in 't lichaam, door welkers aangename bewegenis zy da-
delijk beginnen te dobberen, en, om zoo te zeggen, van vreugd aan
't kapriolen te raaken. Ik schei dan van de zang en speel kunde
af, om te komen tot de digtkunde die met haar een zeer
groote gemeenschap heeft; want hoewel alle vrye konsten
groote gemeenschap met malkander hebben, gelyk de zelve
Junius in het zelve tractaat. lib: 1. cap: 4. in pr:, beweert, is
het nogtans zeker dat deeze twee boven allen over een ko-
men: want ik ga hier voor by dat de digtkunde alle de anderen,
gelyk dan mede de zang-en speelkunst, verre te boven gaat, het
geen genoegzaam beweert is, en onder anderen van Landino in
zyn discorsi della poësia voor Dante, vermits dit myn onderwerp
jegenwoordig niet is. Om dan de gemeenschap van de Liefde
en de digtkunde op te haalen, dunkt my dat Fontenelle niet
,,kwaalyk heeft geoordeelt wanneer hy meent: dat, indien
,,men de oorspronk van de digtkunde wilde onderzoeken
,,men mogelijk bevinden zou, dat zy de dogter van de Liefde
,,was. Zie ses entretiens sur la pluralite des mondes, Prem: Soir. en
dit zyn niet alleen de gedagten van Fontenelle, Bion schynt de
zelven ook gehad te hebben in zyn vierde Idyllium, het wel-
ke ik dus in 't duits heb nagevolgt.
Douza
doet de Liefde zelf in een van zyne elegien zeggen:
,,dat zy op de Zang-berg hof houd, en daar voor Phebus
,,word geviert.
En op een andere plaats zegt hy van zig zelve: dat al de be-
,,kwaamheid die hy heeft tot de digtkunde hem van zyn Ma-
,,tres van daan komt:
D: Heinsius
zegt dat Venus dikmaals meer kan doen als de
,,gansche Zang-berg, en eene juffer meer als al de nege
,,Zang-godinnen.
En in een andere Elegie aan
Johannes Reigersberg
, waar in hy
beweert dat de Poëten ligter tot liefde gebragt worden,
en volstandiger beminnen, zegt hy:
En niet zonder rede beweert hy dit; voorheenen had het
Propertius al wytloopig aan Mecoenas beleeden in zyne eerste
Elegia van 't tweede boek, en gezegt: ,,dat hem de digt-
kunde niet door Apollo of een der zanggodinnen wierd inge-
geeven maar door zyne Cynthia.
En buiten die aangehaalde zyn 'er zoo veel die het zelve getui-
gen, dat zy te veel zyn om bygebragt te kunnen worden; ook
steunt het op rede, vermits de meeste hoedanigheden die tot de
Liefde vereist worden, ook de digtkunde eigen zyn:
,,daer zyn, zegt de Cardinaal Bona, eenige dingen die van na-
,,tuur de mensch tot de Liefde brengen: want die fyn van
,,geesten zyn, heet van hart, dûn van bloed; en van een
,,zagte en vreedzaame imborst, die zyn veel meer geneigt
,,tot Liefde. Sunt & quaedam naturaliter ad amandum provocan-
tia; nam quibus spiritus lucidiores sunt, cor calidius, subtilior san-
guis; quique sunt facili ac miti natura, ad amorem, sunt proclivio-
res. Cap: 13. §. 2. Manuduct: ad Coelum. Hoeveel deeze eerste
eigenschappen tot de digtkunde nodig zyn, leert de rede en
ondervinding zelf terstond: want het is genoeg te begrypen
hoe die bedroefde verstanden, zwaarmoedige gemoederen, en
doffe geesten nooit bekwaam kunnen zyn om een straaltje van
het vuur der digtkunde te bevatten: want ik wil geenzints
spreeken van die verwaanden, die, zonder iets van die schoon-
heid te kennen, die in de digtkunde uytblinkt, zig inbeel-
den groote meesters in die kunst te zyn, wanneer zy een deel
woorden op maat of rym by een kunnen voegen, hoewel
wy in ons land genoeg van die kwasten hebben gekregen,
die Catullus, Saecli incommoda noemde, maar ik versta zoodanig
een digtkunde als
D. Heinsius, P: Francius, J. Broekhusius
, en de drost
Hoofd, J. van Vondel, J: Antonides
en diergelyke hebben geoeffent:
tot deeze is een mensch van noden gelyk Bona in de eerste
woorden beschryft: dat zy ook van een zagte en vreedzaa-
me imborst zyn, getuigen zy ook meest alle: men zou by
deeze hoedanigheden nog over een kunnen brengen de dul-
heid van de minnaars en Heilige razerny van de Poëten,
waar van Landino in zyn discorsi hier voor aangehaalt, en D:
Heinsius in zyn oratie de Poëtis & eorum interpretibus, wytloo-
pig genoeg spreeken: als mede hoe de Liefde gelyk de digt-
kunde niet wel andere zorgen kan lyden: vacuae carmina men-
tis opus, schryft Sappho aan Phaon: ook hoe de ledigheid en
eenzaamheid zoo wel van de digtkunde als van de Liefde ge-
zogt word, carmina secessum scribentis & otia quaerunt, zegt Ovi-
dius van zig zelve: en ontelbaare andere overeenkomsten.
Maar dewijl wy de ondervinding voor ons hebben is het niet
noodig: want indien men alle de voornaamste digters eens
wil onderzoeken, men zal bevinden dat zy meest alle, vol-
gens hun eige bekentenis, heel teder verlieft zyn geweest: ik
besluit derhalven met de woorden van Montaigne, in zyn essais
liv. 3. chap: 5. pag: mihi 772. ik weet niet, zegt hy, wie
,,in zyn hoofd heeft gekregen dat Pallas en de Zang-godin-
,,nen zoo weinig met Venus over een zoude komen, en door
,,de Liefde verflaawen: want ik zie geene Godheden die be-
,,ter over een komen, en malkander meer schuldig zyn. Die
,,de Zang godinnen de verliefde gedagten wilde ontneemen,
,,zou haar berooven van haare schoonste onderhoudingen, die
,,zy hebben, en van de edelste stof van hunne werken: en
,,die de Liefde de gemeenschap en de dienst van de digtkun-
,,de wilde doen verliezen, zou haar het meeste verzwakken
,,en haar sterkste wapenen doen miszen. die verder lust heeft
om te weeten hoe de Liefde zelf met de ernstigste studien
over een komt leeze Claudius Baduellus de ratione vitae studio-
sae ac literatae in matrimonio collocandae & degendae. ik keer tot de
laatste woorden van Montaigne, namentlyk, hoeveel de digt-
kunde in de Liefde vermag: dit getuygt Ovidius, wanneer
hy in zyn raad tegens de Liefde, byzonder het leezen der
digteren afraad.
Het is op onze zeden voorheenen dus overgebragt.
F. van Hessel
beklaagt zig ergens, dat hy de Liefde uit de digt-
kunde alleen had gezogen.
Longepierre zingt in zyn agtste idyle, dat de slaap zoo aan-
,,genaam niet is voor de vermoeiden, nogte de lente na een
,,harde winter, nog het water zoo zoet voor een dorstig hart,
,,als de zang-godinnen voor een verliefde ziel.
En in zyn gezang op Anakreon zegt hy, ,,dat de Liefde de
,,vaarzen van Anakreon, met een van haare pylen op haar pyl-
,,koker schreef dat het haar niet genoeg is die eens gehoort te
,,hebben, maar dat zy ze altyd wil bewaaren, en altyd met haar
,,draagen, om dat zyze alzoo noodig heeft als haar pylen en boog.
Geen wonder ook, want wie roept met D: Heinsius niet uyt:
Derhalven mag men zig wel met Heinsius in de zelve Elegia
aan
Reygersberg
, beklaagen, dat de digtkunde jegenwoordig
zoo weinig bemint word.
Tot voorbeeld hier van, zal ik aanhaalen het geene
Grudius
,
van zyne fulvia zegt eleg. 6. lib. 1.
Om dit bovenstaande niet te vertaalen, 't geen hier door te
veel zou verliezen, zal ik hier iets in duits van mijn eige werk
byvoegen, 't geen veelen niet onaangenaam is voorgekomen,
en op het zelve al zal uytdraajen.
En zoodanige plaatzen zal men overvloedig vinden in den
Broeder van Grudius, Janus Secundus
, als mede in verscheide
anderen zoo ouden als nieuwen; zelf zou
D: Heinsius
ons die
overvloedig genoeg kunnen verschaffen; altans ik heb me-
nigmaal, wanneer ik hem las, uytgeroepen, Vrimur, arden-
tes sunt tua verba faces. Hosc: in lyr: Sarb: Eindelyk beweert
Heinsius ook op de zelve plaats dat de Poëten mede verder als
anderen in de Liefde ervaaren zyn
Ik zal hier toe niet veel bewys redenen aan haalen om dat zy
overvloedig over al te vinden zyn, en de ondervinding het
veelen genoegzaam geleert heeft, enkel zal ik'er by voegen
't geen
F: van Hessel
ten aanzien van zyn Matres, die zyn me-
deminnaar boven hem gestelt had, zegt, in de laatste Elegia
van zyn Otia Hagana.
Ik heb het, om dat het yder zou verstaan, dus in duits over-
gebragt.