
Dit Zinnebeeld is t'eenemaal gehaalt uit het negen-
tiende gezang van Theocritus, 't geen
D: Heinsius
voor heenen al in duits had overgebragt, dog ik
zal hier de vertaaling van
Moonen
in voegen om
dat die nieuwer is, en mogelyk aangenaamer zal
zyn.
Anakreon had al dezelve gedagten gehad in zyn veertigste ge-
zang, waar uit Theocritus dit voorige heeft gehaalt: zie hier
myne vertaaling.
Longepierre zegt dat hem dit gezang van Anakreon altyd bo-
ven alle de anderen heeft behaagt, dat hier waarlyk de taal
van Venus en Cupido is uitgedrukt, en dat de vinding vol geest
en betooveringen is: egter meen ik dat dit volgende Madri-
gal van Guarini, 't geen op dit zelve onderwerp gemaakt is,
het gezang van Anakreon in vinding niet behoeft te wyken;
het is het drie en zeventigste.
Ik heb het dus overgezet.
Het is genoegzaam uit alle deeze bovenstaande plaatzen te be-
grypen dat dit Zinnebeeld wil vertoonen, hoe de vermaaken
van de Liefde altyd met onlusten verzelt zyn, ,,en dat ge-
,,lyk Lucretius zegt, lib. 4. uit het midden van de weelden
,,altyd iets bitters opwelt.
Derhalven word de Liefde niet kwaalyk door een By afge-
beelt, die wel honing geeft maar ons ook pynelyk kan kwet-
zen; dus vergelykt haar de Satyr By Tasso, Aminta Atto 2.
Sc: 1.
Ik heb het dus vertaalt.
Dus verhaalt Mirtillo by Guarini dat hy in het kuszen van zy-
ne Amarillis, door de minne-By in het hart was getroffen,
zie il past: fid: Att: 2. Sc. 1. de woorden zelf zyn zoo lief dat
ik niet kan nalaaten dezelven hier in te voegen.
De Potter heeft het dus vertaalt.
Ik zou hier verder kunnen aanhaalen hoeveel ongemakken in
de Liefde steeken, en zelf hoe die ongemakken de Liefde
aanzetten, maar ga het voor by, om dat ik 'er in 't vervolg
in byzondere Zinne-beelden van zal spreeken; alleen moet ik
hier by voegen; dat hoe groot de ongemakken van de Liefde
zyn, egter de vermaaken nog grooter zyn.
Voyez l'Astr: liv: 12. part. 2. En dat Venus derhalven met re-
de zingt in het begin van Le triomphe de L'Amour.
Zelf is de Liefde die niet met wat moeite verzelt is zoo aan-
genaam niet: want, gelyk, Daphnis tegens Tyrsis zegt by
Tasso, Amint: att: 2. Sc. 2. het zoet dat niet met wat bitters
vermengt is walgt terstond.
Men vind dezelve gedagten ook by Petronius, wanneer hy
,,zegt dat hy niet begeerde 't geen hy terstond konde bekomen.
Op deeze wijze doet Ausonius, in zijn agt-en dertigste punt-
digt keur van een Matres. Claudianus, zegt in Fescenn. dat de
,,vreugden door de moeyelykheden vermeerderen, en dat
,,een kusje 't geen al weenende word geweigert, veel zoe-
,,ter is.
Ziet verders de aantekeningen van Menage op dit boven-
staande van Tasso.