
Hoe veel een vrou vermag is niet kwaalyk in dit Zin-
nebeeld onder het kaartspeelen, voor oogen ge-
stelt; want gelyk hier word verbeelt dat het vrouwt-
je alle de kaarten van haar party ziet, en hem
van de besten ontrooft, terwyl hy blint met haar
speelt, weet ook een vrouw, wanneer men zig eens
door haar laat bekoren, alle onze gedagten te ondekken, en
haar voordeel daar mede te doen, zonder dat wy het kun-
nen merken, en weet zig dus geheel meester van ons te maa-
ken; maar het is ook niet buiten reden dat een gevoelig hart
zig geheel aan een schoone vrouw overgeeft, wanneer men
in ziet met hoe veele betooveringen en bekoorlykheden de
natuur haar voorzien heeft, en hoe veel van de allergrootste
harten door haar zyn ten onder gebragt; dit heeft de maaker
van een oud vaarsje wel ingezien wanneer hy vraagt ,,wie
zig tegens een vrouw zou kunnen verdedigen, daar Adam,,
,,Loth, David, Salomon en Sampson door een Vrouw waren
,,verleit geweest.
Dus heeft Polieukte reden om tegens Nearkus te zeggen, by
Corneille.
Hoe veel de schoonheid van een vrouw vermag, heeft Ana-
kreon in zyn tweede gezang genoeg getoont:
R: de Graaf
heeft
het in 't duits dus gevolgt.
Dezelve gedagten heeft Tasso ook gehad, in zyn Amint act:
1. Sc: 1.
Ik zal dit niet vertaalen, om dat het by na de zelve woorden
van Anakreon zyn: Guarini heeft het ook nagevolgt in zynen
getrouwen Harder, alwaar Corisca tegens Amarillis zegt. att:
3. Sc. 5.
F: van Hessel zegt in de zestiende Elegia van zyne Otia Hagana
Ik heb het dus vertaalt.
Waarlyk wanneer een vrouw haare natuurlyke voordeelen,
't geen schoonheid is, wel weet te gebruiken, moet men uit-
roepen; dat 'er in een Vrouw iets is, 't geen alle andere wellusten
te boven gaat; Latet enim in muliere aliquid, majus potentiusque
omnibus aliis humanis voluptatibus, Foscen: amphit: Amor: men
vint zelf by Syrach cap: 36, vers: 24. dat een schoon wyf haar
,,man verblyt en een man niets lievers heeft: Guarini haalt
dit nog trotzer op in zijn getrouwe Harder, att. 3. choro,
alwaar de harders na dat zy de mogentheid van de Liefde
hadden opgezongen, haar dus aanspreeken.
Dat de vrouwen schoonder zyn als de mannen haalt
de Bruin
aan in zyn
Wetsteen der vernuften
, en geeft'er ten laatste deeze
,,rede van; om dat de natuur zelf een vrouw is, en derhal-
ven de vrouwen met meer schoonheid heeft voorzien: Hy
bevestigt zyn zeggen met dit volgende Madrigal van Ma-
rini.
Hy vertaalt het dus.
Den lof van de Vrouwen verder op te haalen is hier myn on-
derwerp niet, en buiten dat hebben het Le Moine,
Bever-
wyk
,
Smits
, en anderen reets wytloopig gedaan.
Ten laatste is 'er op dit Sinne-beeld aan te merken dat een
Juffer en ook een minnaar, zeer voorzigtig moeten zyn om
zig onder het speelen niet kwaadaardig aan te stellen; want
het is zeker dat men ymands imborst onder het speelen zeer
veel kan ontdekken, ja al vry meer als door het in Zee draa-
gen, 't geen voor heenen in gebruik plagt te zyn, en waar
van
Heemskerk
wytloopig in zyn
Batavische Arcadia
schryft:
Ovidius vermaant ook de Juffers boven al hier over in het der-
de boek van zyne minnekunst, Na dat hy haar dan gezegt
had dat zy alle spellen moesten kennen, voegt hy 'er by.