
De Franszen hebben een oud spreekwoord; dat een
,,hond, het spel, de Liefde en het vuur nooit
,,met een weinig te vreden zyn.
En niets is waaragtiger ten aanzien van de Liefde, want men
is zoo dra niet verlieft of men tragt het beminde voorwerp te
zien, naauwelyks
heeft men dit verkregen of het hart is niet
vergenoegt, maar wenst daar mede te spreeken, zyn vlam-
men te mogen ontdekken, en laat zig voorstaan daar mede
voor eerst wel te vrede te zullen zyn. Maar zoo ras men hier
mede toe gekomen is, tragt men verder, en het ongeduld
vermeerdert zelf door de verkrege gunsten, ja men is niet ge-
rust ten zy men van de eene gunst tot de ander opklimmende
eindelyk tot het uiterste is gekomen: geen wonder want,
gelyk
Koenderding
, in het derde bedryf van zyne
mildadige
Minnaar
, zegt.
Fontenelle
vergelykt ook ten deezen aanzien de redeneringen
der Minnaars niet kwaalyk by die van de Mathematici; gy
,,kunt, zegt hy, een Minnaar niets toestaan ten zy dat gy
,,kort daar aan gehouden zyt hem nog meer toe te staan, en daar
,,na nog meer, en dit loopt ver in 't ende. Staa op dezel-
,,ve wyze aan een Mathematicus maar de minste stelling toe,
,,hy zal u daar een gevolg uit weeten te trekken, 't geen
,,gy hem ook zult moeten toestaan, en uit dit gevolg weêr
,,een ander, en dus zal hy u in weêwil van uw zelven zoo
,,ver brengen dat gy het naawelyks zoud gelooven, dit twee-
,,derhande slag van Menschen neemt altyd meer als hen ge-
,,geeven word. Zie ses entretiens sur la pluralite des mondes,
cinquieme soir. De Ridder
J. Katz
heeft hier op in een zyne,
Zinnebeelden deeze twee vaarsjes gemaakt.