
Het is zeker dat 't niets zoo bekwaam is om vaste
Liefde te maaken als overeenkomst; niet alleen
zoodanig een overeenkomst, als daar Ovidius van
spreekt, wanneer hy Deianeira doet zeggen.
,,Dat men om wel te trouwen moet trouwen met ymand van
,,een gelyken staat: maar boven al een overeenkomst van ze-
den en gemoederen gelyk de Cardinaal Bona heel wel heeft aan-
gemerkt Manud. ad Coel. cap. 13. §. 2. en waar van Gilbert in zyn
Amours de Diane & Endimion spreekt. Act. 1. Sc. 1. alwaar hy
Diana doet zeggen.
Lingelbach heeft het dus in 't duits:
Indien zommigen daar ook wat meer na gezien hadden, zy zou-
den zig naderhand hunne keur zoo niet beklaagt hebben: want
het is heel wel te begrypen dat een vreedzamig, en zagtzinnig ge-
moed, nooit een vaste band kan maaken met een gemoed dat
wreed is, daar in het tegendeel, wanneer de neigingen van het
hart niet verschillen, de vreugde van de Liefde onuitspreekelyk,
en de band onverbreekelyk word: dog het is ook de pligt van
twee gelieven malkanderen, zoo veel mogelyk is, in de Harts-
togten te gemoed te komen, en gelyk twee luiten na malkander
worden gestelt, hunn' harten na malkander te stellen; anders-
zints is het onmogelyk dat het Muzyk goet kan weezen, en dat
de Liefde lang kan bestaan, want men vind zelden gemoederen
die zoo met malkanderen overeen komen dat zy nergens in ver-
schillen, en wanneer deeze kleine verschillen niet terstond wor-
den te gemoed gekomen, borsten zy naderhand dikwils tot zeer
groote oneenigheden uit, daar zy in het tegendeel zonder moei-
te in 't begin gedood worden, het geen een Liefde maakt
,,zoo zuiver en trouw als van twee duifjes, en die nooit door
,,eenig geschil word verwydert gelyk Lepidina tegens haaren
Macron zegt by Joh. Jov. Pontanus.
En Pomp. 6. zegt dezelve Pontanus: dat gelyk in een welbeboude
,,tuin geen onkruit gevonden word, in het huwelyks bed van
,,twee opregte gelieven geen tweedragt moet gevonden wor-
,,den.
Behalven deeze overeenkomsten is'er nog een verborge kragt
die ons doet beminnen, gelyk wy ook zomtyds door een nei-
ging die ons onbekent is haaten: dit zal men begrypen, wan-
neer men wil aanmerken dat men, in gezelschap komende van
menschen, die men nooit gezien heeft, terstond den eenen meer
genegen zal zyn als den anderen, zelf indien zy speelen, wen-
schen dat de een mogt winnen, en de ander verliezen, zonder
dat men daar rede van kan geeven. Van deeze overeenkomst
schryft le Boulanger in zyn Morale Galante, 2. part. 4. traite de l'
Amour qui naist de la Sympathie. 't Geen te groot is om hier in
te voegen en wel de pyne waardig om nagezien te worden.