
Ik heb op het voorbeeld van Ovidius, die agter zyne Min-
ne-kunst, de Minne-baad voegde, deeze drie Zinne-beel-
den, die het ontwyken der Liefde behelzen, agter aan
gevoegt; niet om de Liefde te veragten, maar met het
zelve inzigt van Ovidius voor die geen, die, van de Lief-
de kwaalyk gehandelt zynde, dezelve tragten te ontvlugten.
Dit Zinne-beeld vertoont dan, dat, ymand die de Liefde ont-
vlugt is, en zig voor haar wil wagten, zig ook voor al moet
wagten de Brieven voorheen aan hem of van hem geschreeven,
te herleezen: Ovidius raade dit in zyn Remed: Amor: v: 717.
Voor de Amsterdamsche jeugd is 't dus vertaalt.
De rede waarom de Brieven van zoo veel vermogen zyn, is,
myns oordeels, ligt te begrypen: want, voor eerst worden de
brieven alleen geschreeven, wanneer het verstand in staat is om
alles te overweegen, en woorden te vinden om zig het teder-
ste uit te drukken, 't geen zekerlyk van veel meer vermogen
moet zyn, als een rede die voor de vuist, en dikmaals ruw en
onbeschaaft, voor den dag komt, ten minste die dat behoorlyk
overleg niet gehad heeft, 't geen'er van noden is om zig in de
Liefde te doen verstaan, want de eerbied die men voor de be-
minde persoon heeft, de vrees van zig te ontdekken, en de te-
dere ontroeringen die men in 't by zyn van het beminde voor-
werp gevoelt, maaken het hart dikmaals zoo ontstelt, dat
het niet bekwaam is een woord voor den dag te brengen, 'k
laat staan zig na behooren te uiten: daar en boven schoon nu
een minnaar zig op het allercierlykste ontdekt, vervliegen even-
wel de woorden zoo dra zy gesprooken zyn, en laaten dik-
maals naaw'lyks een geheugen na; ook belet de schaamte en
de onsteltenis die een juffer op het ontdekken van liefde ge-
waar word haar dikmaals net te verstaan het geene een min-
naar haar zegt: maar in brieven heeft men daar niet voor te
vreezen, men leest ze alleen, men is voor niemand beschaamt,
vermits men geene andere getuigen dan het hart heeft, men
hoort daar verblyt aan 't geen, waar over men zig, indien
het gezegt wierd, zou moeten moeyelyk toonen; men leest,
herleest, herkaawt en overlegt yder woord, zoo dat het on-
mogelyk is ooit uit de gedagten te kunnen gaan; en vervol-
gens is het ligt te begrypen dat de brieven meer dan de woor-
den kunnen uitwerken: Indien nu de brieven van zulk een
vermogen zyn om Liefde te verwekken, zal men ligtelyk
toestaan dat zy geen minder vermogen hebben om de Liefde
weêr te doen herleeven, en dat veele minnaars dezelven kus-
zen, en als een onwaardeerbaare schat bewaren, gelyk in een
Elegia van
H. de Groot Palladiu aan Thaumantia schryft.