Het zou voorzeker geen al te ingewikkelde taak zijn, aan de hand van enkele goed dateerbare en aan bepaalde concrete dichterfiguren toe te kennen teksten, de ontwikkelingsgeschiedenis van den Refreinvorm in zijn verschillende uitzichten, vanaf zijn verschijnen in de eerste helft van de XVe eeuw tot c. 1600, te schetsen en toe te lichten. Zo gunstig staan de zaken nu echter eenmaal niet. Want niet alleen zijn de oudste en ook wat den vorm betreft interessantste Refreinen dikwijls in een vrij corrupten staat overgeleverd, maar bovendien is het op enkele zeldzame uitzonderingen na practisch niet goed mogelijk de teksten van vóór c. 1530 nauwkeurig te dateren of zelfs aan bepaalde dichters toe te schrijven. Het toeval wil dat we over de vroegste en belangrijkste verzamelingen het slechtst zijn ingelicht, terwijl het met de latere, over het algemeen vrij onbeduidende bundels, veel beter is gesteld. De overlevering tot 1530 is bovendien vrij brokkelig: we hebben alle redenen te geloven dat veel en belangrijk werk uit die jaren is verloren gegaan. Met het werk van Anna Bijns (1493-1575) staan de zaken gunstiger. Van haar zijn namelijk drie gedrukte Refreinboeken bewaard, waarvan met nagenoeg volledige zekerheid kan worden beweerd dat ze enkel en alleen Refreinen van de Antwerpse dichteres bevatten(1). Hetzelfde kan echter niet gezegd worden van de twee verzamelbundels van Enghelbrecht vander Donckt(2). Welke van de aldaar voorkomende Refreinen op haar rekening kunnen worden gebracht en welke niet: daarover kunnen het de geleerden maar niet eens worden. Blijft dan de periode tussen c. 1530 en 1600, waartoe de meeste ons bewaarde bundels behoren, maar die in de ontwikkeling veeleer een teruggang en een verstarring betekent.
De vraag dringt zich nu op, of het met zo gebrekkige en onvoldoende gegevens wel mogelijk is een geschiedenis van den Refreinvorm te ontwerpen. C. Kruyskamp, de enige die zich met dit vraagstuk enigszins meer van nabij heeft beziggehouden, schijnt hier in ieder geval verre van overtuigd te zijn. Hij heeft er zich dan ook bij bepaald, enkele conclusies over de vormeigenaardigheden van het Refrein af te leiden uit statistische tabellen, waarin de gegevens van
een vijftal bundels waren verwerkt(3). Dergelijke tabellen kunnen ons voorzeker iets over den Refreinvorm leren, doch het spreekt vanzelf dat op deze wijze van een ‘ontwikkeling’ van den vorm geen sprake kan zijn, daar hierdoor alle bundels op eenzelfde lijn komen te staan zonder chronologische differentiatie. Wij zijn dan ook de mening toegedaan dat het voor de geschiedenis van den Refreinvorm heel wat meer zou betekenen, indien we, na de ontleding in chronologische orde van een zeker aantal bijzonder representatieve bundels, zouden kunnen besluiten tot enkele algemene en vooral in den tijd geprojecteerde tendenties. Het lijkt ons dus geen onmogelijke taak in de bij eerste kennismaking zo weinig overzichtelijke en moeilijk te ordenen massa overgeleverde Refreinen enige chronologische differentiatie te brengen, waardoor een bescheiden en zich tot enkele grote trekken beperkende geschiedenis van den Refreinvorm zou mogelijk worden.
We stellen hier dan volgende periodisering voor die in hoofdzaak de overzichtelijkheid wenst te dienen en geen absoluut karakter draagt.
| Het Refrein vanaf zijn ontstaan in de eerste helft van de XVe eeuw tot c. 1530; |
| Het Refrein tussen c. 1530 en c. 1600; |
verder wordt ook aan de Refreinen van Anna Bijns speciale aandacht geschonken en het auteurschap van de twee verzamelbundels van Enghelbrecht vander Donckt onderzocht van uit een tothiertoe ten onrechte verwaarloosden gezichtshoek: de vormkenmerken.
Het was bovendien nog nodig, om wille van de duidelijkheid, enkele uitzichten in de structuur van den Refreinvorm uit elkaar te houden. Daarom behandelen we achtereenvolgens voor de eerste periode (begin XVe eeuw tot c. 1530), het ‘geval’ Anna Bijns en de tweede periode (c. 1530-c. 1600), volgende punten:
| I. | De uitwendige structuur van het Refrein:
|
|||
| II. | De verbindingsmiddelen van de strophen.
|
|||
| III. | De rijmsoorten en de verslengte. |
Dat we zo slecht over de chronologie van de vroegste Refreinen zijn ingelicht, wordt enigszins vergoed door het feit dat de vormeigenaardigheden van de Franse Ballade die, zoals we hebben trachten aan te tonen, voor het tot stand komen van de vormstructuur van het Refrein van doorslaande betekenis is geweest, vrij goed gekend zijn. De vorm van de Franse Ballade verschaft ons bovendien een uitgangspunt, waarvan we de waarde niet mogen onderschatten. De afwijkingen, die het Refrein gaandeweg van zijn model, de Ballade, is gaan vertonen, bieden ons wellicht enig aanknopingspunt voor een betrekkelijke chronologie van zijn verschillende vormstadia. We kunnen immers verwachten dat juist die Refreinen, welke de grootste gelijkenis bieden met de Franse Ballade, waarschijnlijk tot de oudste kunnen gerekend worden.
We beschouwen hier dan vooreerst de ‘uitwendige structuur’ van het Refrein in de periode van het begin van de XVe eeuw tot c. 1530 en onderzoeken met het oog hierop achtereenvolgens de Rethoricale Wercken van Anthonis De Roovere, die bij gebrek aan beters als representatief voor de XVe eeuw kunnen doorgaan, en de Refreinenbundels van Jan van Styevoort en Jan van Doesborch, die samen een veelzijdige en uitgebreide keuze vormen van de Refreinenliteratuur van vóór c. 1530.
De Rethoricale Wercken bevatten 65 Refreinen: namelijk 59 stukken ‘int vroede’, één ‘int amoureuze’, 4 ‘int zotte’ en de ‘Clachte’ van Jan Bortoen. We bepalen ons hier bij de religieuze en didactische stukken en brengen onze gegevens samen in een tabel die ons toelaat de gewichtigste vormkenmerken na te gaan: aantal strophen, aantal regels(4) per strophe en lengte van de Prince: even lang of korter dan de overige strophen.
| Strophen | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 12 | 14 | 15 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 7 regels | 1 | 1 | |||||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2. | ||||||||
| 8 regels | - | - | 1 | 1 | 1 | 1 | 4 | ||||
| Korte Prince | 2 | 1 | 1 | - | - | - | 4 | 8. | |||
| 8 ½ regels | - | - | |||||||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 2. | ||||||||
| 9 regels | - | - | |||||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | ||||||||
| 10 regels | 3 | 1 | 1 | 1 | 6 | ||||||
| Korte Prince | 7 | - | - | - | 7 | 13. | |||||
| 11 regels | - | 1 | 1 | ||||||||
| Korte Prince | 2 | - | 2 | 3. | |||||||
| 12 regels | 2 | 2 | |||||||||
| Korte Prince | - | - | 2. | ||||||||
| 13 regels | 1 | 1 | 1 | 3 | |||||||
| Korte Prince | 6 | - | - | 6 | 9. | ||||||
| 14 regels | 1 | 1 | |||||||||
| Korte Prince | - | - | 1. | ||||||||
| 15 regels | - | - | 1 | 1 | 2 | ||||||
| Korte Prince | 10 | 2 | - | 12 | 14. | ||||||
| 16 regels | - | - | |||||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | ||||||||
| 17 regels | - | - | |||||||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 2. | ||||||||
| 18 regels | 1 | 1 | |||||||||
| Korte Prince | - | - | 1. | ||||||||
| Totaal | 41 | 2 | 4 | 3 | 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 59 | 59. |
Er zijn dus, op een totaal van 59 stukken: 41 van 4 strophen, dus bijna 70%. Daarnaast zijn er:
| 2 Refreinen van 5 strophen; |
| 4 Refreinen van 6 strophen; |
| 3 Refreinen van 7 strophen; |
| 5 Refreinen van 8 strophen; |
| 1 Refrein van 9 strophen; |
| 1 Refrein van 12 strophen; |
| 1 Refrein van 14 strophen; |
| 1 Refrein van 15 strophen, namelijk het ‘Lof vanden heylighen Sacramente’. |
De afwijking van den Balladenvorm is hier dus, wat het aantal strophen betreft, vrij groot. Het aantal regels per strophe daarentegen komt bijna met dat van de Ballade overeen. Er zijn namelijk:
| 2 Refreinen van 7 regels per strophe; |
| 8 Refreinen van 8 regels per strophe; |
| 2 Refreinen van 8 ½ regels per strophe; |
| 1 Refrein van 9 regels per strophe; |
| 13 Refreinen van 10 regels per strophe; |
| 3 Refreinen van 11 regels per strophe; |
| 2 Refreinen van 12 regels per strophe; |
| 9 Refreinen van 13 regels per strophe; |
| 1 Refrein van 14 regels per strophe; |
| 14 Refreinen van 15 regels per strophe; |
| 1 Refrein van 16 regels per strophe; |
| 2 Refreinen van 17 regels per strophe; |
| 1 Refrein van 18 regels per strophe. |
Het aantal schommelt tussen 7 en 18, met een voorkeur voor strophen van 8, 10, 13 en vooral 15 regels; voor de Franse Ballade: van 6 tot 16(5).
De ‘Prince’ ten slotte, die vrijwel nooit ontbreekt, is niet in alle gevallen korter dan de overige strophen en telt niet enkel 4 en 5, doch ook van 6 tot 18 regels. In 21 Refreinen is het aantal regels van de ‘Prince’ zelfs eenvoudig identisch aan dat van de overige strophen.
De afwijkingen van den Balladenvorm komen tot uiting, wanneer we vaststellen dat, op een totaal van 59 stukken, slechts 15 aan de vormkenmerken van de Ballade beantwoorden, afgezien natuurlijk van de behandeling van het rijm en afgezien van de verslengte.
Het is opvallend dat al de afwijkingen die we hebben aangegeven in een zelfde richting wijzen. De Balladenvorm ondergaat bij zijn overname ten onzent een soort ‘verlengingskuur’. Dit blijkt uit de lengte van de strophe, van de ‘Prince’, en uit het aantal strophen niet het minst. Het is verre van onmogelijk dat de didactische trek, de neiging tot het breedvoerig moraliseren, die juist in deze periode zo sterk naar voren treedt, hiervoor aansprakelijk is te stellen. Het lijkt ons echter niet waarschijnlijk dat deze lerende neiging alleen voldoende zou zijn om de vrij grote afwijking in het aantal strophen te verklaren: (van 4 tot 15), een afwijking die zich bovendien vrij vroeg moet hebben voorgedaan(6). Het komt ons voor, dat hier nog met een tweeden factor kan gerekend worden. We stellen inderdaad vast dat juist deze veelstrophige Refreinen van uitgesproken didactischen of religieuzen aard zijn. Ze zijn dus als het ware de opvolgers geworden of liever ze hebben de attributies overgenomen van de gewone ‘strophische’ gedichten, die in de XIVe eeuw nog talrijk voorkomen, dezelfde thema's behandelen en dikwijls ook uit een groot aantal strophen bestaan(7). Het lijkt ons dan ook niet onaannemelijk dat hier van rechtstreeksen invloed kon sprake zijn.
Vooraleer we tot de behandeling van de volgende verzameling overgaan, wensen we er den nadruk op te leggen dat we vooral op die feiten zullen wijzen welke voor de geschiedenis van den Refreinvorm van wezenlijke betekenis zijn.
De Refreinenbundel van Jan van Styevoort (1524), die nu onze aandacht vordert, is een vrij heterocliet samenstel van chronologisch soms ver uit elkaar liggende stukken(8). Het is echter om practische redenen niet goed mogelijk hierin veel differentiatie te brengen. We zijn dus wel verplicht deze verzameling in haar geheel te bespreken, met uitzondering evenwel van de Refreinen, welke ook in de reeds behandelde Rethoricale Wercken van Anthonis de Roovere voorkomen, en rekening houdend met de indeling in Refreinen ‘int vroede’, ‘int amoureuze’ en ‘int zotte’(9).
| Strophen | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 15 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 8 regels | 1 | 1 | 2 | |||||||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 4. | |||||||||
| 10 regels | 3 | 1 | 1 | 1 | 6 | |||||||
| Korte Prince | 2 | - | - | 1 | - | 3 | 9. | |||||
| 11 regels | - | 4 | 1 | 5 | ||||||||
| Korte Prince | 1 | - | - | 1 | 6. | |||||||
| 12 regels | 3 | 2 | 1 | 1 | - | 7 | ||||||
| Korte Prince | 1 | - | - | - | 1 | 2 | 9. | |||||
| 13 regels | 4 | 2 | 2 | 1 | 9 | |||||||
| Korte Prince | 6 | 1 | - | - | 7 | 16. | ||||||
| 14 regels | - | - | 1 | - | 1 | |||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | - | 1 | 3 | 4. | ||||||
| 15 regels | 22 | 2 | - | 1 | 1 | 26 | ||||||
| Korte Prince | 14 | 1 | 1 | - | - | 16 | 42. | |||||
| 16 regels | 3 | - | 3 | 1 | 7 | |||||||
| Korte Prince | 2 | 1 | - | - | 3 | 10. | ||||||
| 17 regels | 2 | 2 | 1 | - | 5 | |||||||
| Korte Prince | 2 | - | - | 1 | 3 | 8. | ||||||
| 18 regels | 3 | 2 | 5 | |||||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2 | 7. | ||||||||
| 19 regels | 1 | 1 | ||||||||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||||||||
| 20 regels | 1 | 1 | 2 | |||||||||
| Korte Prince | - | - | - | 2. | ||||||||
| 22 regels | 1 | 1 | ||||||||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2. | |||||||||
| Totaal | 2 | 80 | 16 | 7 | 4 | 4 | 1 | 4 | 1 | 1 | 120 | 120. |
Het aantal Refreinen van 4 strophen is dus opnieuw vrij groot: 80 op de 120 stukken of 66,6%. Daarna komen de Refreinen van 5 en 6 strophen. Wellicht hebben we hier te doen met navolgingen van het Franse ‘Chant Royal’ (5 strophen) en van de ‘Ballade double’ zonder ‘envoi’ (6 strophen). De Refreinen van 3 strophen zijn zeer zeldzaam en beantwoorden aan de Ballade zonder ‘envoi’.
Het aantal regels per strophe is lichtelijk hoger dan in vorige verzameling en gaat van 8 en 10 tot 20 en 22, met een voorkeur voor strophen van 13 en 15 regels, respectievelijk vertegenwoordigd door 16 en 42 stukken of 13,3% en 35%.
Een derde van de Refreinen, 43 stukken, hebben een kortere Prince.
| Strophen | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 8 regels | 1 | 1 | 2 | ||||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 3. | |||
| 10 regels | 3 | 1 | 4 | ||||
| Korte Prince | 2 | - | 2 | 6. | |||
| 11 regels | 1 | 1 | |||||
| Korte Prince | 4 | 4 | 5. | ||||
| 12 regels | - | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2 | 2. | |||
| 13 regels | 1 | 3 | 4 | ||||
| Korte Prince | - | 6 | 6 | 10. | |||
| 14 regels | 1 | 2 | 3 | ||||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 4. | |||
| 14½ regels | - | - | |||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | ||||
| 15 regels | 6 | - | 6 | ||||
| Korte Prince | 10 | 2 | 12 | 18. | |||
| 16 regels | 1 | 1 | |||||
| Korte Prince | - | - | 1. | ||||
| 17 regels | 1 | - | |||||
| Korte Prince | - | 1 | 1. | ||||
| Totaal | 1 | 43 | 2 | 3 | 2 | 51 | 51. |
| Strophen | 4 | 5 | 6 | 8 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 8 regels | 4 | 1 | 5 | |||
| Korte Prince | - | - | - | 5. | ||
| 10 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 11 regels | 2 | 2 | ||||
| Korte Prince | 4 | 4 | 6. | |||
| 12 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 4 | 4 | 4. | |||
| 13 regels | 15 | 2 | 17 | |||
| Korte Prince | 9 | - | 9 | 26. | ||
| 14 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| 15 regels | 11 | 2 | 13 | |||
| Korte Prince | 4 | 1 | 5 | 18. | ||
| 15½ regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| 16 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 3. | |||
| 17 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2. | |||
| 18 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| Totaal | 58 | 5 | 4 | 1 | 68 | 68. |
Refreinen van 4 strophen, talrijk vertegenwoordigd: 43 of 84,3%. Daarnaast enkele stukken van 5, 6 en 7 strophen.
Strophen van 8 en 10 tot 17 regels, met voorkeur voor strophen van 13 en 15 regels: 10 en 18 stukken of 19,6% en 35,2%.
Een groot aantal Refreinen met kortere Prince: 30 of 58,8%.
Refreinen van 4 strophen: 58 of 85,2%. Enkele stukken van 5, 6 en 8 strophen.
Strophen van 8 en 10 tot 18 regels. Voorkeur voor strophen van 13 en 15 regels: 26 en 18 stukken of 26,1% en 37,7%.
Refreinen met een kortere Prince: 26 of 26,1%.
| Strophen | 4 | 5 | 6 | 10 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 8 regels | 1 | 1 | 2 | |||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 3. | ||
| 9 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 10 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 2. | |||
| 11 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| 12 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2. | |||
| 13 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 2. | |||
| 14 regels | 1 | - | 1 | 2 | ||
| Korte Prince | 1 | 1 | 2 | 4. | ||
| 15 regels | 3 | 1 | 4 | |||
| Korte Prince | 4 | - | 4 | 8. | ||
| 16 regels | - | 1 | 1 | |||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 2. | ||
| 17 regels | - | 1 | 1 | |||
| Korte Prince | 2 | 1 | 3 | 4. | ||
| 21 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| Totaal | 23 | 5 | 1 | 1 | 30 | 30. |
| Strophen | 4 | 5 | 6 | 7 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 8 regels | 3 | 1 | 1 | 5 | ||
| Korte Prince | - | - | - | - | 5. | |
| 10 regels | 3 | 1 | 4 | |||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 5. | ||
| 11 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 12 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | 3 | 1 | 1 | 5 | 6. | |
| 12½ regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 13 regels | 5 | 5 | ||||
| Korte Prince | 4 | 4 | 9. | |||
| 13½ regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| 14 regels | 3 | 1 | 4 | |||
| Korte Prince | 4 | - | 4 | 8. | ||
| 15 regels | 5 | 5 | ||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 7. | |||
| 16 regels | 3 | 1 | 4 | |||
| Korte Prince | 3 | - | 3 | 7. | ||
| 17 regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 18 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | 2 | 2 | 3. | |||
| 19½ regels | - | - | ||||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | |||
| 20 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| 23 regels | 1 | 1 | ||||
| Korte Prince | - | - | 1. | |||
| Totaal | 50 | 3 | 3 | 1 | 57 | 57. |
| Strophen | 3 | 4 | 5 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| 9 regels | 1 | 1 | |||
| Korte Prince | - | - | 1. | ||
| 13 regels | 1 | 1 | |||
| Korte Prince | 7 | 7 | 8. | ||
| 14 regels | - | - | |||
| Korte Prince | 1 | 1 | 1. | ||
| 15 regels | 5 | - | 5 | ||
| Korte Prince | 3 | 2 | 5 | 10. | |
| 18 regels | - | - | - | ||
| Korte Prince | 1 | - | 1 | 1. | |
| Totaal | 1 | 18 | 2 | 21 | 21. |
Refreinen van 4 strophen: 23 of 76,6%. Slechts 2 stukken van meer dan 5 strophen. Dit is in verband te brengen met het ontbreken van Lofrefreinen.
Strophen van 8 tot 17 en 21 regels. Stukken van 15 regels: 8 of 26,6%. Daarnaast geen uitgesproken voorkeur voor een bepaald aantal regels.
Refreinen met een kortere Prince: 17 of 56,6%.
Refreinen van 4 strophen: 50 of 87,7%.
Strophen van 8, 10 tot 20 en 23 regels. Voorkeur voor strophen van 13, 14, 15 en 16 regels.
Refreinen met een kortere Prince: 25 of 43,8%.
Refreinen van 4 strophen: 18 of 85,7%.
Strophen van 9, 13 tot 15 en 18 regels. Voorkeur voor strophen van 13 en 15 regels: 8 en 10 stukken of 38% en 47,6%.
Refreinen met kortere Prince: 14 of 66,6%.
Vatten we de voornaamste resultaten voor de periode tot c. 1530 samen in een kleine tabel:
| Refreinen | 4 strophen | 13 regels | 15 regels | Korte Prince | |
|---|---|---|---|---|---|
| Rethoricale | |||||
| Wercken | 59 | 41 | 9 | 14 | 38 |
| Styevoort | |||||
| ‘int vroede’ | 120 | 80 | 16 | 42 | 43 |
| Styevoort | |||||
| ‘int amoureuze’ | 51 | 43 | 10 | 18 | 30 |
| Styevoort | |||||
| ‘int zotte’ | 68 | 58 | 26 | 18 | 26 |
| JvD | |||||
| ‘int vroede’ | 30 | 23 | 2 | 8 | 17 |
| JvD | |||||
| ‘int amoureuze’ | 57 | 50 | 9 | 7 | 25 |
| JvD | |||||
| ‘int zotte’ | 21 | 18 | 8 | 10 | 14 |
| 406 | 313 | 80 | 117 | 193 |
Dus op een totaal van 406 onderzochte Refreinen 313 van 4 strophen, of 77%, 80 en 117 stukken met respectievelijk strophen van 13 en 15 regels: 19,7% en 28,8% en 193 met een kortere Prince of 47,5%.
Uit de bundels die we hebben besproken blijkt duidelijk genoeg dat het Refrein, vanaf zijn ontstaan in de eerste helft van de XVe eeuw tot ongeveer 1530, een ontwikkeling heeft doorgemaakt, waardoor het meer en meer van zijn oorspronkelijk model is afgeweken. Het blijkt echter, wegens de moeilijkheid van het dateren, niet goed mogelijk de stadia aan te geven waarin dit is gebeurd, hoe interessant dit ook zou geweest zijn.
Deze verschillen, welke we enkel kunnen constateren, hebben betrekking op de lengte van de strophe. Bij de Ballade was deze begrepen tussen 6 en 16 verzen. Het Refrein echter heeft niet enkel strophen van 8 tot 15, doch ook van 16 tot 20 en zelfs tot 23 vers-
regels in de uiterste gevallen(10). Strophen van 15 regels komen het meest voor (28,8%); onmiddellijk daarna: strophen van 13 regels (19,7%)(11).
Het zelfde verschijnsel doet zich voor in de behandeling van de ‘Prince’. Deze gaat van een oorspronkelijken omvang van 4 en 5 versregels gaandeweg langer worden tot ze eindelijk even lang is als de overige strophen. Hierdoor gaat dan de specifieke betekenis van deze opdrachtstrophe verloren, doordat ze niet meer in haar bouw tegenover de andere strophen komt te staan, doch eenvoudigweg met de overige strophen wordt ‘gelijkgeschakeld’. Wanneer echter deze tendentie zich volkomen baan breekt, is niet gemakkelijk nauwkeurig aan te geven.
We hebben reeds de mening vooruitgezet dat deze systematische ‘verlengingen’ in verband zouden staan met den bijzonderen trek naar breedvoerig moraliseren, die in onze literatuur vooral rond bedoelde jaren heel sterk naar voren treedt. Het talrijker worden van het aantal strophen (van 4 tot 15) is hiervan een andere illustratie, hoewel hier waarschijnlijk nog een tweede factor kan hebben gewerkt. Daar het vooral gaat om didactische en voornamelijk zelfs religieuze stukken, kunnen we niet zonder grond aannemen dat het Refrein hier als het ware de attributies van de strophische gedichten van de XIVe eeuw en vroeger heeft overgenomen(12). We stellen inderdaad vast, dat deze gedichten in de tweede helft van de XVe eeuw niet meer voorkomen, terwijl de Refreinen met een groot aantal strophen juist rond 1450 overvloedig beginnen te worden. Dit belet echter niet dat de Refreinen van 4 strophen ook nog in dien tijd en daarna de grote meerderheid blijven uitmaken. Er zijn er 313 op een totaal van 406 of 77%.
We kunnen thans overgaan tot de figuur van Anna Bijns. Zoals bekend bestaat de letterkundige nalatenschap van de Antwerpse dichteres uit 3 Refreinboeken met een totaal van 112 Refreinen; verder komen hier ook in aanmerking de twee verzamelbundels van Enghelbrecht vander Donckt, waarbij de vraag nog altijd onopgelost blijft, welke Refreinen nu werkelijk van haar hand zijn en welke niet. We zullen trachten dit vraagstuk te belichten van uit een gezichtspunt dat tot hiertoe ten onrechte werd verwaarloosd: namelijk de bijzonder kenmerkende vormeigenaardigheden die haar Refreinen vertonen.
Vooreerst zullen we trachten deze vormkenmerken af te leiden uit haar drie gedrukte Refreinboeken waarvan het auteurschap vaststaat en daarna, aan de hand van de op deze wijze gewonnen gegevens, nagaan in hoever de twee verzamelbundels hieraan beantwoorden.
| Strophen | 5 | 6 | 7 | 8 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|