De Refreinen ‘int amoureuze’ zijn voor den literatuurhistoricus - die zin heeft voor ‘Ideengeschichte’ - vooral van belang door de bijzondere opvatting van de liefde die er in tot uiting komt en waardoor ze te beschouwen zijn als late erfgenamen van de zogenaamde hoofse traditie in de Middeleeuwse Minnelyriek. Die omstandigheid laat ons tevens toe het onderscheid met de Refreinen ‘int zotte’ - die, wanneer hier van liefde sprake zou kunnen zijn, enkel den zinnelijken hartstocht behandelen, dan nog meestal in obscenen zin, - nauwkeuriger vast te leggen, terwijl ook de grens met de Refreinen ‘int vroede’ door den aard van het behandelde onderwerp veelal voldoende wordt aangegeven(1).
De voornaamste bundels die Refreinen ‘int amoureuze’ van vóór c. 1530 - den bloeitijd van het genre - bevatten zijn: de verzamelingen van Jan van Doesborch (1530) en Jan van Styevoort (1524) en de Nieuwe Refreinen van Anna Bijns. Wat we daarna nog aan Refreinen ‘int amoureuze’ zullen aantreffen in werken als: de Const van Rethoriken van M. De Castelein en De Remedie der Liefde van J.B. Houwaert, in ‘bloemlezingen’ als: Dboeck der Amoureusheyt, de Conste der Minnen, Tprieel der Amoureusheyt en in de bundels van de Refreinfeesten te Gent (1539), te Rotterdam (1561) en te Heenvliet (1580) is, op enkele uitzonderingen na, van minder gehalte(2).
De Middeleeuwse hoofse Minnelyriek is ongetwijfeld meer geweest dan een conventioneel en verfijnd gezelschapsspel zonder enig verband met het werkelijk leven, anders zou ze niet in staat zijn geweest zulke hoogstaande kunst voort te brengen; en dit niet alleen in de Provençaalse, Noord-Franse en Middelhoogduitse literatuur, maar ook bij ons: omtrent het einde van de XIIe eeuw Veldeke, in de XIIIe eeuw Hadewijch, in de XIVe eeuw enkele mooie liederen en in de XVe en het begin van de XVIe eeuw welluidende liederen en Refreinen(3). De hier te bespreken stukken zijn dus, samen met de Minneliederen uit dezelfde jaren, de laatste uitlopers van een
eeuwenoude traditie en moeten dan ook in de eerste plaats als zodanig worden beschouwd.
Typisch hoofs is de Minne opgevat als een dienst. Ook nog in de Refreinen ‘int amoureuze’ is de minnaar niet enkel trouw, maar vooral onderworpen en schuchter. Hij is de ‘arme dienaer’(4), de ‘dienstknecht’(5), die niet moe wordt zijn ‘meestersse’ te verzekeren dat hij, ‘in spijt des nijders valsch fenijn’ en al het andere, ‘teewighen tijde’ haar ‘eyghen’ is(6), haar trouw zal blijven dienen zijn leven lang en ‘ghestadighe minne’ toedragen. Hijzelf is haar onwaardig en noemt zich: ‘slecht, ruyt, in consten mismaect’(7), ‘catijuich, onberadich’, ‘slijm der eerden, vol misdaden’(8) en smeekt deemoedig: ‘hebt compassie op mi naer v betamen’(9) of verzucht schuchter:
Deze schuchterheid gaat soms zo ver, dat hij het niet eens aandurft haar zijn liefde te bekennen, zoals in het Refrein op den stok: ‘Ic en seyts haer om al die werelt niet’(11):
Tegenover deze zelfvernedering van den minnaar staat de aanbidding van de geliefde. De dichters zijn werkelijk onuitputtelijk wanneer ze haar voortreffelijkheid willen weergeven. Ze is een ‘bloeme vermeert’(18), een ‘schoone gheerde’(19), een ‘kersouwe’(20), een ‘scoon rosemareijne’(21), een ‘costelyc trisoor’(22), een ‘goddinne’(23), een ‘hemels wesen’(24), een ‘Princesse reene, hoghe gheboren’(25) en wordt meestal met dezen titel in de Prince toegesproken:
Ze spant de kroon boven alle vrouwen: beroemdheden uit de Middeleeuwse romanliteratuur kunnen de vergelijking met haar niet doorstaan:
Ze overtreft Venus, Pallas, Juno en Diana:
Uitbundig wordt ze geprezen in het Refrein op den stok: ‘Noyt lieflic lief en ha lief so lief’(30):
Fijnzinniger en smaakvoller klinkt haar lof in het Refrein op den stok: ‘Het is om v’(32):
Bij haar te zijn ‘wt allen weene’ is het hoogste geluk dat hem kan te beurt vallen en haar lief gelaat te mogen aanschouwen is de grootste vreugde die hij kan bedenken:
Is het dan ook te verwonderen dat al het andere hem volkomen onverschillig laat:
of, nog sterker uitgedrukt:
Deze ‘bloem van staten’, deze ‘weerdighe onbesmette van blamen’(37), ‘vry van afgrijse en van allen smade’(38), deze
deze ‘suete sucade’(40), met zo vele deugden gesierd dat de dichters het ten volle niet kunnen ‘gheexprimeren’(41), is vanzelfsprekend ook schoon, maar meestal blijft het bij deze algemene aanduiding. Slechts zelden wordt deze schoonheid nader gedetailleerd en dan nog bepalen de dichters zich veelal bij het opnoemen van enkele conventionele trekken. Het gezicht is ‘minlijc’(42), ‘blinckende als der sonnen schijn’(43), de wangen zijn ‘blosende’(44), de mond is rood ‘ghelijc den corale’(45), en ‘rieckende als mageleyne’(46), de ogen zijn ‘bruyn’(47) en ‘blinckende’(48), het haar is ‘blont’, de armen zijn ‘blanck’, de leden zijn ‘wel ghemaect’(49), de borsten zijn ‘ront’(50). Haar adem is ‘suet’ en haar woorden ‘clincken als gulden snaeren’(51).
De geringste blijk van genegenheid te zijnen opzichte - een ‘vriendelic’ of ‘troostelic’ woord(52), een blik(53) - kan hem met de hoogste vreugde vervullen, maar daar blijft het gewoonlijk bij in deze door de hoofse idealen geïnspireerde minnelyriek, waarin de smart om een verloren of niet bereikbaar liefdesgeluk het belangrijkste thema en als het ware de grondtoon uitmaakt. Weliswaar ontbreken de stukken, waar de Rederijker het geluk van de liefde onder woorden tracht te brengen, niet geheel. In deze Refreinen echter is de minne niet langer een dienst en de minnaar niet meer de onderworpen dienaar van zijn aangebeden ‘vrouwe’. Toch is dit zich volkomen één en gelijkwaardig voelen van de geliefden niet in strijd te achten met hetgeen we reeds over het karakter van de hoofse minnelyriek hebben gezegd, want de sterke dozis onthechting, die van den hoofsen minnaar wordt geëist, is slechts een vrijwillig op zich genomen discipline, die hem zal toelaten de liefde van de beminde vrouw te winnen, de noodzakelijke voorbereiding, die
vanzelfsprekend niet altijd het gewenst, soms zelfs helemaal geen resultaat oplevert. Is dit eenmaal wel het geval en is het geluk van de liefde zijn deel geworden, dan weet de dichter soms delicate accenten te treffen, die getuigen van een fijn genuanceerd gevoelsleven, dat zich nu eens op een meer omslachtige, dan weer op meer directe wijze uitdrukt.
Verzen als:
klinken misschien ietwat ‘precieus’ tegenover de meer onomwonden ontroering die spreekt uit regels als:
De schoonheid, vooral van dezen laatsten versregel, die evengoed van de hand van een modern dichter had kunnen zijn, zal niemand ontgaan.
Ten slotte moeten de dichters tot het besluit komen dat het liefdesgeluk in zijn volheid niet onder woorden kan worden gebracht, aldus het thema van het Refrein op den stok: ‘Ken souts te vollen niet connen ghescriuen’(56) met deze prachtige regels die zo treffend het ‘tijdeloze’ van de liefdesextaze suggereren:
Zulke ogenblikken van onuitsprekelijk geluk, waarin de geliefden zo één zijn geworden dat niet alleen de wereld rondom hen, maar ook de tijd schijnt opgeheven, gebeuren slechts zelden en zelfs dan nog, hebben ze een bitteren nasmaak, want veel te vroeg komt het pijnlijke ogenblik, waarop de geliefden van elkander moeten ‘scheyden’, meestal om elkander nooit terug te zien.
Dan stamelt de dichter zijn ‘adieu’, nu eens weemoedigberustend,
dan weer fel opstandig tegen de ‘valsche Fortune’ of ten prooi aan de diepste wanhoop:
De weemoed van het scheiden werd treffend verklankt in het Refrein op den stok: ‘Dat ic doer tsceijden lij verdriet’(61). Typisch is het hoe de dichter zich eerst tot Venus en pas dan tot God wendt, om daarna vrijen loop te geven aan zijn droefheid en ten slotte een zekere berusting vindt:
De ‘pyne’, van de liefste gescheiden te zijn, vervult den minnaar zo geheel, dat hij in ‘musyc noch dichten’ genoegen kan vinden en het hem zelfs onbegrijpelijk voorkomt dat anderen zich nog kunnen verblijden en ook de natuur geen tekenen van droefheid vertoont:
Niet in de nabijheid van de geliefde te mogen zijn is niet enkel op zichzelf reeds erg, maar wordt bovendien nog de oorzaak van allerlei andere kwellingen:
Nu eens is het ‘ialousie’ die hem geen rust laat, dan weer is het ‘twijuel’ die hem ‘in ancxt der doot’ brengt(64). Het lot van den minnaar is werkelijk weinig benijdenswaardig:
‘Lustige amoreuse weluarende ioncxkens’ worden dan ook gewaarschuwd voor Venus die niemand ontziet(67).
Deze en nog vele andere kwellingen, die de liefde nu eenmaal met zich meebrengt, zijn wel zwaar, maar erger wordt het, wanneer de hoofse minnaar moet vaststellen dat zijn liefde niet meer beantwoord wordt. Dan stuurt hij in alle haast ‘Swaer Versuchten’, zijn bode, om haar nog eens uitdrukkelijk zijn onwankelbare trouw te betuigen:
Hij gaat nog verder en smeekt haar deemoedig vergiffenis voor ‘een woordeken dat met haeste is geschiet’(69). Aan deze verwijdering heeft hij - zo we hem ten minste mogen geloven, want hier is altijd de minnaar aan het woord - geen schuld. Meestal worden hiervoor de ‘nijders’ aansprakelijk gesteld, ‘die van niemant duecht en willen weeten’(70). Hij kan maar niet geloven dat ze niet meer van hem houdt en smeekt nog eens met nadruk naar ‘troost’. Geen woord van verwijt aan haar die hem heeft verstoten. Ook hier weer is het de ‘felle Fortune’ die het moet ontgelden(71).
Wanneer hij echter moet vaststellen dat het alles vergeefs is en het geluk, dat de liefde hem bracht, onherroepelijk voorbij, kan hij er enkel nog met weemoed aan terugdenken:
of er zich bij Cupido en Venus over gaan beklagen dat zij het zijn die haar hart ‘versteenen’:
Soms is de toon echter minder gelaten en niet zonder bitterheid. Alles heeft hij voor haar over gehad, maar nu ze hem ontrouw is geworden heeft hij spijt dat hij ze heeft gekend:
of hij raadt zijn collega's ‘int amoureuze’ aan hem een voorbeeld te nemen en op hun hoede te zijn:
Bepaald minder hoofs in houding en bewoordingen is de bedrogen minnaar. Hij troost zich weliswaar bij de gedachte dat hij niet de eerste is geweest om door vrouwen bedrogen te worden. Voorbeelden zijn er genoeg: Samson, Troilus, Achilles, Vergilius, Aristoteles, Hercules, Salomon. Hoe zou hij dan willen ‘wyser syn dan die propheten te voren’. Hij blijft haar ook trouw, hoewel hij haar vals spel doorziet, maar toch moet het hem van het hart:
In een ander Refrein op den veelzeggenden stok: ‘Tfy uwer ende alle die onghetrouw syn’(80) verliest de dichter blijkbaar zijn zelfbeheersing, waar hij in een gebaar van ‘dépit’ zijn ‘princesse’ enkele inderdaad weinig vleiende epitheta naar het hoofd slingert en zelfs onomwonden verklaart dat het hem spijt dat hij haar ooit bemind heeft:
Andere afwijkingen van de hoofse traditie zijn eveneens aan
te wijzen in de stukken die de onbeantwoorde minne behandelen. Aldus in de Prince van het Refrein op den stok: ‘Gheen pijne voor onghetroost te sijne’(82):
Een dergelijke uitlating is zeker bezwaarlijk overeen te brengen met de belangloze minne van hoofse inspiratie, maar behoort niettemin tot de uitzonderingen(83). De werkelijke hoofse minnaar zal zich enkel afvragen hoe het mogelijk is dat zijn ‘princesse’ hem niet vertroost:
Ze blijft ‘dalderliefste’ die hij daarom nog niet kan haten:
Zelfs al is ze wreed tegenover hem en schijnt ze zelfs leedvermaak te hebben in zijn lijden:
Gaarne neemt hij een melodramatische houding aan, wordt ‘siec’, vreest dat hij zijn ‘sinnen’ zal verliezen of roept uit dat hij van verdriet zal sterven:
Alles vergeefs echter. Ze blijft onvermurwbaar, zo wil het nu eenmaal de hoofse traditie: La belle dame sans merci...
Deze schets van het hoofse karakter van de Refreinen ‘int amoureuze’, die in hoofdzaak werd geïllustreerd met teksten van vóór c. 1530, moet nog worden aangevuld met enkele trekken die bij onze bespreking niet of niet voldoende in het licht werden gesteld.
Er is vooreerst het ‘secrete’ karakter van de liefdesverhouding. Een van de grootste vergrijpen die een hoofs minnaar kan begaan is wel het zich durven beroemen op de gunsten die hij van zijn ‘vrouwe’ heeft ontvangen. Hij is integendeel tot strenge geheimhouding verplicht en zal alles in het werk stellen om te beletten dat iemand iets van zijn verhouding te weten komt. Het gaat er namelijk om den goeden naam en de eer van zijn geliefde, die wel eens een ge-
huwde vrouw kon zijn, niet in opspraak te brengen(88). Wie zich dan ook ‘in de amoureuse scholen’ begeeft zal ‘omme sien ende rijden’, want enkel
Deze ‘secrete’ liefde is bovendien een bijna noodzakelijke voorzorg tegen het nog steeds verderfelijke en niet uitgestorven ras van de ‘nijders’(90), ‘valsche tonghen’(91), ‘quaytonghen’(92), ‘clappaerts’ en ‘schimpers’(93) - de ‘losengiers’ van de Noord-Franse poëzie - die natuurlijk niet beter vragen dan de goede verstandhouding tussen de geliefden door hun spot en verdachtmakingen te verstoren of ze in schande te brengen door hun verhouding bekend te maken. Ze vormen in deze stukken een altijd terugkerend conventioneel motief, dat het duidelijkst den stempel draagt van de hoofse traditie.
Andere motieven en procédé's van de Middeleeuwse Minnelyriek schijnen integendeel een zekeren teruggang te kennen, zo bijvoorbeeld het natuurtafereeltje dat als inleiding wordt gebruikt en met den gemoedstoestand van den dichter in verband wordt gebracht(94). We troffen het enkel aan in het Refrein op den stok: ‘Gheen pijne voor onghetroost te sijne’:
De plaats die de natuur in de Refreinen ‘int amoureuze’ inneemt is overigens eerder gering; uitingen van een fris natuurgevoel als de volgende zijn eerder zeldzaam:
Ook hierin staan deze stukken nog volop op Middeleeuws standpunt.
Hetzelfde mag beweerd worden van hun verhouding tot de Oudheid. Vergilius is voor deze dichters nog altijd de Middeleeuwse tovenaar die in de mand hangt(99) en, wordt de naam van Ovidius wel eens vernoemd(100), dan moet hieruit niet besloten worden dat de Rederijkers van de XVe en de XVIe eeuw diens werken rechtstreeks of uit letterlijke vertalingen zouden hebben gekend. Hun visie op de antieke wereld is bijna altijd te verklaren uit de lectuur van bewerkingen en ‘moralisaties’ van Ovidius en volksboeken als: De Destructie van Troyen, de Historie van Vergilius enz. De ‘antieke’ elementen, die we in de Refreinen ‘int amoureuze’ aantreffen zijn overigens niet zo talrijk: het aanroepen en zich beklagen bij Venus en Cupido(101), het te keer gaan tegen de ‘felle Fortune’, - een typisch Middeleeuws motief(102), - de toespelingen op de
lotgevallen van beroemde geliefden als: Pyramus en Thisbe, Hero en Leander, Troilus en Breseda, Paris en Helena, Achilles en Polyxena, Eneas en Dido en vele anderen(103), naast of in één adem met andere ‘amoureuze’ beroemdheden uit den Bijbel(104) of uit de Middeleeuwse romanliteratuur(105).
Het zou onbillijk zijn hierin alleen een goedkoop middel tot amplificatie of een vorm van kinderachtige pedanterie te willen zien. Laten we niet vergeten dat al deze personages voor den Rederijker geen abstracties waren, maar figuren uit verhalen die zijn verbeelding hebben geboeid. Bovendien zijn het dikwijls meer dan louter opsommingen. De namen worden met het behandelde thema in een zeker verband gebracht. Nu eens moeten een reeks ‘beroemdheden’ uit het Oud-Testament en de Oudheid de almacht en onweerstaanbaarheid van de liefde duidelijk maken(106), elders weer worden bekende voorbeelden opgesomd van trouwe liefde(107), van bedrogen minnaars(108), van bedrogen geliefden(109), of worden gevallen vermeld van zelfmoord uit liefdesmart(110).
Hiermee kunnen we deze karakteristiek van het hoofse element in het Refrein ‘int amoureuze’ voorlopig besluiten, niet echter zonder er op te wijzen dat er heel wat grotere en kleinere afwijkingen zijn en zelfs dat zekere stukken, ook reeds in de verzamelingen van Jan van Styevoort en Jan van Doesborch, een andere soort liefde dan de hoofse minne behandelen.
Een prachtig staaltje van zinnelijke liefde is het Refrein op den stok: ‘Ist niet op deerde een hemelrijke’(111). Zoals C. Kruys-
kamp(112) heel juist heeft opgemerkt, mag dit gedicht niet tot de de categorie ‘int zotte’ worden gerekend omdat ‘al het zingenot met naïeve en sympathieke openhartigheid bij den naam wordt genoemd’, terwijl de Refreinen ‘int zotte’, wanneer ze de minne behandelen, onmiddellijk in het obscene vervallen en zich meestal vermeien in smakeloze dubbelzinnigheden of sexuele grofheden. Ook het thema van de louter zinnelijke liefde heeft de Rederijker met onbetwistbare virtuositeit weten te hanteren. Aan een Refrein als het zoëven genoemde wordt het duidelijk welke rhythmische mogelijkheden het vrije Rederijkersvers bezat, zo bijvoorbeeld in het midden van het gedicht, waar de climax van het verhoogd levensgevoel in het gejaagde en daverende rhythme een adequate uitdrukking vindt:
Het zinnelijk element als basis van een hecht en gezond huwelijksleven krijgt ook zijn plaats in een reeks Refreinen op den stok: ‘Es dit niet ter werlt een paradys’(113), verheerlijkingen van het huwelijk die zich weten vrij te houden van goedkope moralisatie en nergens in huisbakkenheid vervallen. De taferelen die ons hier onder ogen worden gebracht zijn voorzeker sterk geïdealiseerd, maar de toon klinkt toch nooit gezocht of onecht. Welke simpele vreugde spreekt niet uit verzen als:
Enkele dichters ten slotte hebben hoger willen grijpen en behandelen, meestal in aansluiting bij het Hooglied, de mystieke liefde. Dit soort stukken zal vooral na c. 1530 een betrekkelijken bloei
kennen. Invloed van de Hervorming is er dikwijls niet vreemd aan(115).
J. Van Mierlo S.J. heeft het gekunstelde karakter van de Refreinen ‘int amoureuze’ wel voor ons gevoelen enigszins te scherp geformuleerd waar hij opmerkt: ‘Vooral wanneer de rederijker in 't amoureuze dicht, mogen wij zelden aan enige werkelijkheid denken. Hij oefende zich in de edele const, door het uitzingen van liefdesmart op allerlei toon en maat’(116). Wel is er veel voor de zienswijze van Prof. Van Mierlo pleit, zo bijvoorbeeld de omstandigheid dat heel wat Refreinen blijkbaar vervaardigd werden om de meer lyrisch getinte passages van zekere volksboeken beter tot hun recht te laten komen(117), alsook het feit dat veel Refreinen afkomstig zijn van wedstrijden waar zo niet de stok was opgegeven, dan toch het te behandelen thema in de ‘chaerte’ nauwkeurig was omschreven(118), maar toch menen wij in onze voorgaande uiteenzetting voorbeelden genoeg te hebben aangehaald die er op wijzen dat alles hier niet zo fictief kan zijn als de formulering van Prof. Van Mierlo ons wel zou willen doen geloven(119).
Het blijft natuurlijk waar dat Refreinen ‘int amoureuze’ die voor wedstrijden werden vervaardigd, wel zeer ver verwijderd zijn van hetgeen wij naar onze opvattingen gewoon zijn een liefdegedicht te noemen. De bespreking van dergelijke stukken is dan ook een allesbehalve dankbare en aantrekkelijke taak. We kunnen er ons echter niet aan onttrekken, daar de Refreinen ‘int amoureuze’ uitgesproken op de wedstrijden te Gent (1539), te Rotterdam (1561) en te Heenvliet (1580) nog binnen het kader vallen van dit hoofdstuk.
De opgegeven stok voor de Refreinen ‘int amoureuze’, ‘gepronuncieert’ te Gent in 1539, ‘Och moghticze spreken, ic ware ghepaeyt’, bracht met zich mee dat deze stukken in hoofdzaak klachten en verzuchtingen bevatten, wat overigens, zoals we reeds zagen, steeds de grondtoon van de hoofse liefdespoëzie is geweest. Het deel dat den minnaar te beurt valt is nog altijd hard en weinig aanlokkelijk. Hij kent nooit rust. ‘Duer tzwaer verlanghen’ is hij
voortdurend ‘met lyden beuanghen’. De liefde is hem een ‘doodelicke smerte’. Eeuwig moet de minnaar treuren:
Hoewel zijn liefde niet beantwoord wordt, zal hij niet ophouden haar lof te zingen en haar voortreffelijkheden op te noemen, zoals in deze, hoezeer conventionele, toch niet onaardige beschrijving:
Zijn liefde overtreft die van de beroemde geliefden uit het Oud-Testament en de Oudheid en hij is dan ook bereid alles voor haar te doorstaan. Dit belet echter niet, dat hij soms ‘heel desperaet’ kan zijn wanneer zijn ‘vrouwe’ hem ongetroost laat. Dan verzucht hij:
De ‘nijders’ ontbreken evenmin op het appel. Heel het Refrein van Brugge is aan hen gewijd. Ook in de stukken van Ieper, Aksel en Meenen komen ze ter sprake. Meestal is het hun schuld dat de goede verhouding onder de geliefden van korten duur is. Dan maakt twijfel en jaloersheid zich meester van hem en verwondert hij er zich over dat hij niet ‘wtzinnigh’ wordt (Nieuwkerke). Ofwel hoopt
hij weemoedig dat de vroegere ‘vrientschap’ zal terugkeren (Ieper).
De Refreindichter van Aksel achtte zich echter minder door de conventie gebonden en schonk ons een tafereeltje dat nu nog door zijn frisheid vermag te bekoren. Hij vertelt, hoe hij, op weg naar Gent, in een ‘lustigh pryeel’ bij een rivier ‘een schoon vrauwe’ zag. Terstond werd hij ‘geuangen van Venus pieren’. Helaas, de rivier was tussen hen en hij moest van haar scheiden, zonder haar zelfs te hebben kunnen spreken. Hij kan haar echter niet vergeten en verzucht: ‘Och moghticze spreken, ic ware ghepayt’.
Andere Refreindichters hebben aan geen concreet liefdesgeval gedacht, doch vatten den stok op in een meer abstracte of figuurlijke betekenis. Zo bezingt het Refrein van Antwerpen de ‘scriftuer’, het Refrein van Kortrijk ‘die zuuer waerheyt’, het Refrein van Tienen ‘Marya, de maeght van den paradyze’, het Refrein van Sint-Winoksbergen de goddelijke en het Refrein van Deinze de broederlijke liefde. Het stuk van Tielt is nogal duister. Waarschijnlijk is de geliefde hier Christus, beschouwd als de goddelijke Waarheid. Literair kan het Refrein echter voortreffelijk geslaagd heten, wat overigens moge blijken uit volgende verzen waarin de dichter zijn ‘geliefde’ toespreekt:
De Refreindichter van Edingen ten slotte liet Christus zelf aan het woord. Ook hier heeft de dichter ontroerende bewoordingen weten te vinden waarin Christus Zijn liefde uitzegt voor de mensheid die Hij door Zijn dood aan het kruis uit de zonde heeft verlost.
Terecht heeft G. Kalff(120) er op gewezen dat in die stukken slechts weinig van de Renaissance te bespeuren valt. Over deze Refreinen geldt dan ook wat we reeds in verband met de kennis van de Oudheid hebben opgemerkt(121).
De Refreinen ‘int amoureuze’ op de ‘vrage’: ‘Waer in een amoureus hert den meesten troost schept’, uitgesproken op het Refreinfeest te Rotterdam in 1561, zijn literair zeer middelmatig, afgezien misschien van het stuk van Leiden, dat de ‘vrage’ met verwijzing naar het Hooglied ‘int geestelick’ opvatte. Hun betekenis ligt in hoofdzaak hierin dat ze nog enigszins in de lijn liggen van de hoofse traditie. Het zou voorzeker niet moeilijk vallen in deze antwoorden hoofse elementen aan te wijzen. We zouden hierbij echter in nodeloze herhalingen vervallen. Wel valt het op dat in sommige Refreinen een uitgesproken nuchtere en redenerende toon tot uiting komt. Zo staat de dichter van het tweede Refrein van Rijnsburg bijvoorbeeld vrij sceptisch tegenover ‘menich troostelijck woort’ en ‘menich vriendelijck aenspreken’. Waar het er volgens hem op aankomt is: ‘Als woorden ende daet... comen ouer een’. Zijn antwoord op de ‘vrage’ luidt dan ook: ‘Als liefs troostelijcs woort met den wille wort volbracht’. Een even nuchtere geest spreekt ook uit het tweede Refrein van Rijnsbruch:
Het redenerend element komt sterk naar voren in het Refrein van J. Fruytiers, een echt scholastieke ‘uiteenzetting’. De dichter onderscheidt vijf punten, waaronder enkel het laatste den doorslag geeft. Inderdaad: ‘Vriendelycke oghen / en ghesicht principael’, ‘ts'liefs lieflijck samen spreken’, ‘handelinghe met t'gheen dat daer aen hanckt’ - hieronder verstaat J. Fruytiers ‘soetelyck t'omhelssen’ en ‘douwinghe der handen’ -, ‘cussen’ kunnen nog bedrieglijk zijn. Het gewichtigste is ‘het consent’.
Andere antwoorden waren: ‘In liefs aenschouwen te sijn met minnen versaemt’ (1e Refrein van Noordwijk), ‘Deurt gesicht’ (2e Refrein van Noordwijk), ‘Int ghebruycken sijns liefs’ (3e Refrein van Rijnsburg), ‘Int bijwesen van lief liefde bewijsende’ (Jonge Kamer van Haarlem), ‘In liefs bijsijn’ (2e Refrein van Leiden), ‘Versamen met syn lief’ (3e Refrein van Leiden), ‘troost van die liefste met een bly aenschijn - Ende die te ghebruycken wt liefden fijn’ (Refrein van Delft), ‘Hope van vercrijghen’ (Refrein van Schiedam) en ‘Int ghebruyck zijns liefs / hem gheiont op trouwe’ (Refrein van Amsterdam, E. Meyndertz).
De invloed van de Renaissance is gering. De ‘antieke’ requisieten zijn nog de typisch Middeleeuwse: Venus, Cupido, Vergilius,
Pyramus en Thisbe, Hero en Leander, Troilus en Breseda, Jason en Medea, Paris en Helena. Eens wordt de naam van Ovidius vermeld en een vers van Terentius geciteerd.
De laatste wedstrijd waar de categorie ‘int amoureuze’ was vertegenwoordigd, was het Refreinfeest te Heenvliet in 1580. De ‘vrage’ luidde; ‘VVaer wt de Liefde haren oorspronck heeft’. We weten dat ‘De Roode Roosen’ te Schiedam den ‘oppersten’ prijs behaalde. Nu leverde deze Kamer niet minder dan drie Refreinen. De eerste twee vatten de liefde op ‘int geestelick’. Het eerste gaf tot antwoord: ‘Wt Godt / heeft die liefde haren oorspronc waerachtich’, terwijl het tweede met de geliefde de ‘Schriftuere’ bedoelde en daarbij van een zekere animositeit tegen de Katholieke Kerk (‘Babel’) en haar bedienaars (‘Bels papen’) blijk geeft. Het derde Refrein op den stok: ‘Inwendich int hert door aensien en hooren’, doet bijzonder fris aan. De dichter vertelt ons, hoe hij, nog jong en ‘niet wetende hoemen der minnen blomen las’, door Cupido werd ‘gheschoten’, toen hij ‘een schoone blomme eens begon t'aenschouwen’. Na al haar voortreffelijkheden te hebben opgesomd, besluit hij zijn Refrein met een gebed tot Venus:
Het is niet bekend met welk van deze drie stukken de ‘opperste’ prijs werd behaald. Onze voorkeur zou echter zonder twijfel naar het derde stuk gaan.
Aan ‘De Blauwe Accoleyen’ te Rotterdam werd de tweede prijs toegewezen. Ook hier zijn we er niet over ingelicht, welk van de drie Refreinen hiervoor in aanmerking kwam. Het eerste stuk, van de hand van W.I. Yselveer, is eigenlijk niet veel meer dan een breed opgezette opsomming van meer en minder beroemde geliefden uit de Oudheid. Het stijlprocédé zelf is nog Laat-Middeleeuws, maar het grote aantal namen, dat hier wordt genoemd, wijst op een reeds ruimere bekendheid met de antieke sfeer. Hetzelfde geldt ook voor het derde Refrein waar bovendien op de lotgevallen van Dedalus en Icarus, alsook van Tantalus wordt gezinspeeld. De opkomende
Renaissance begint zich eindelijk, zij het dan ook nog vrij oppervlakkig, te laten gevoelen.
De Hervorming neemt in deze Refreinen een enigszins ruimere plaats in. Zo is in het stuk van Vlaardingen de geliefde ‘dedel schriftuere’. Ook in het Refrein van Zwartewaal spreekt een grote eerbied voor ‘Gods Woort’. Aldaar wordt de ‘vrage’ natuurlijk eveneens ‘int geestelick’ opgevat en betoogd dat de liefde uit God komt:
De enige Refreindichters van wie een voldoende aantal stukken ‘int amoureuze’ bewaard zijn om een afzonderlijke behandeling te wettigen zijn: de Oudenaardse Rederijker M. De Castelein (1488-1550) en de Antwerpse dichteres Anna Bijns (1493-1575), respectievelijk 15 en 40 Refreinen, hier kort door ons gekarakterizeerd(122).
Vooraf wensen wij te laten opmerken dat we deze stukken niet zullen opvatten als een soort ‘poëtisch dagboek’, dat ons bruikbare biographische gegevens zou kunnen aan de hand doen. Hiervoor zijn sommige Refreinen door hun aard of bestemming reeds niet geschikt, doordat het dialogen zijn, didactische betogen of duidelijk op bestelling vervaardigd, terwijl andere wel ‘belijdenissen’ zijn, maar meestal zo weinig concreet en vooral zo conventioneel van toon dat ze bezwaarlijk als brokstukken van een dergelijk ‘dagboek’ zouden kunnen dienst doen. Een poging in dien zin zou bovendien slechts tot fantaisistische constructies of tot een door ongezonde nieuwsgierigheid ingegeven ‘chronique scandaleuse’ kunnen aanleiding geven. Nu weten we wel dat M. De Castelein het met het celibaat niet zo nauw nam, zodat amoureuze stukken van zijn hand niet hoeven te bevreemden, en is het in onze ogen niet uitgesloten dat een dichteres van anti-Lutherse Strijdrefreinen en diep religieuze stukken ook wel eens werkelijk verliefd had kunnen zijn en hierbij een ‘eerbaere ingeniose maeght’ zou zijn gebleven, maar we voelen er ons weinig toe geneigd hier na zovele eeuwen de rol van de ‘clap-
paerts’ en de ‘qua tonghen’ over te nemen, waartegen beide zich met zoveel misprijzen hebben gekeerd.
De 15 Refreinen ‘int amoureuze’ van M. De Castelein, die alle in de Const van Rethoriken voorkomen, sluiten volledig aan bij de hoofse traditie. Ook hier stukken, waarin de dichter eerbiedig en nederig zijn liefde betuigt, zijn ‘Princesse’ smeekt zijn ‘druck’ te willen ‘minderen’ en hem niet ‘versmadigh’ te zijn, het geluk bezingt in haar nabijheid te mogen zijn, haar prijst ‘bouen alle vrauwen’ en verklaart ‘eeuwelick’ haar ‘dienstknecht’ te zullen blijven en ‘de bitter doot’ te sterven als ze hem ‘beswijckt’ en ten slotte ook de Refreinen waarin de dichter het heeft over de smart van de niet beantwoorde minne, met de gebruikelijke verwensingen aan het adres van de ‘nijders’ en de bekende klachten tegen en gebeden aan de ‘Middeleeuwse’ godheden Venus, Cupido en Fortuna. Wel blijkt uit deze stukken een meer dan oppervlakkige kennis van de antieke mythologie, maar zelfs deze en andere antieke sieraden doen nog niet ‘renaissancistisch’ aan. Het is Rederijkerspoëzie die zich een weinig boven de middelmaat beweegt, met slechts heel zelden enkele regels die naar ons gevoel werkelijk mooi kunnen heten.
De Refreinen ‘int amoureuze’ van Anna Bijns wijken enkel hierin af van het hoofse ideaal doordat ze van een vrouw afkomstig zijn en de traditionele voorstelling van de verhouding dienaarmeesteres getransponeerd wordt in die van dienares-meester. Dit geldt echter alleen voor de stukken waar de dichteres in haar eigen naam spreekt en dus niet in de Refreinen die op bestelling werden vervaardigd of waarin een man of een gehuwde vrouw aan het woord is. Voor het overige zijn het steeds weer dezelfde motieven: ze betuigt haar liefde, bezingt de smart van het scheiden en het ‘derven’ of beklaagt er zich over dat haar liefde niet wordt beantwoord of ook nog dat haar minnaar haar ontrouw is geworden: dat alles knap en ‘constich’ berijmd, breedvoerig en nadrukkelijk betogend, met een sterk didactischen inslag, een beeldspraak die origineler is dan die van haar tijdgenoten, maar voor ons gevoel slechts zelden suggestief, dikwijls eerder onsmakelijk en zelfs grotesk aandoet, een vrij onpersoonlijken toon ook, die den indruk geeft van maakwerk, zij het ook verdienstelijk in zijn genre. Achter deze stukken een werkelijke liefdesverhouding te willen zoeken lijkt ons hier dan ook minder aangewezen. We missen er in ieder geval het meer gevoelige accent, dat soms uit de Refreinen van de verzamelingen van Jan van Styevoort en Jan van Doesborch opklinkt als een verre voorbode van de minnedichten van G.A. Bredero.