De Rederijkers blijken tot de categorie ‘int zotte’(1) stukken van uiteenlopenden aard te hebben gerekend, met als gemeenschappelijk kenmerk echter de omstandigheid dat ze niet ernstig bedoeld waren en enkel gedicht werden ‘om ghenuecht te verwecken / ende swaricheyt en melancolie te verdriuen’(2), dus in hoofdzaak komische stukken. Hierbij moeten we nochtans laten opmerken dat het komische voor den Middeleeuwer een enigszins ruimer begrip was dan voor ons en het rijk van de zotheid ook ‘alle uitingen van overvloeienden levenslust en natuurlijke dartelheid’(3) omvatte, dus ook het lagere zinnenleven: overmatig eten en drinken, het scatologische en vooral de louter zinnelijke liefde. In een vorig hoofdstuk hebben we reeds gewezen op het onderscheid tussen deze laatste stukken en de Refreinen ‘int amoureuze’. Minder scherp is soms de grens te trekken met de Refreinen ‘int vroede’ die tot het satirische genre behoren. Wanneer we dan toch een onderscheid willen maken, kunnen we uitgaan van de vraag welke de bedoeling van den dichter is geweest. Heeft hij, bij het belachelijk maken van zekere personen en toestanden, ondeugden aan de kaak willen stellen, dan kunnen we zijn Refrein tot de categorie ‘int vroede’ rekenen(4), was het hem integendeel enkel en alleen om de komiek(5) te doen, dan kan zijn stuk in de categorie ‘int zotte’ ondergebracht worden.
Het Refrein ‘int zotte’ is als genre waarschijnlijk uit de Franse literatuur overgenomen en in verband te brengen met de ‘sotte amoureuse’, de ‘sotte chanson’ en de ‘sotte ballade’(6), drie nauw met elkander verwante dichtsoorten, die naar den inhoud aan de hier te bespreken stukken vrij goed beantwoorden. Van bijzondere betekenis in dit verband is het opschrift ‘Sotte Amoureusheyt’ boven een Refrein ‘int zotte’ in de Rethoricale Wercken van Anthonis de
Roovere (fol. 55), een benaming die letterlijk overeenkomt met het genre dat in de Franse ‘puys’ beoefend werd(7), wat ons toelaat te veronderstellen, dat de Rederijkers het langs dezen weg zullen hebben leren kennen.
De Refreinen ‘int zotte’ waren voor den Laat-Middeleeuwer het gepaste tegengif tegen de zwaarmoedigheid die in zo menig Refrein ‘int vroede’ wordt uitgesproken. De nood aan ontspanning en vrolijkheid schijnt zich inderdaad vooral te doen gevoelen in tijden waarin de mens onder allerlei zorgen en kwalen gebukt gaat(8). Vandaar ook het oprichten van Zottengilden en het organiseren van Zottenfeesten, zoals te Brussel in Juli 1551 en te Leiden den 26n Mei 1596. Vergeten we niet dat ook de Rederijkerskamers hun ‘nar’ of ‘zot’ hadden en dat deze personages bij feestelijke gelegenheden optraden en de menigte door hun koddige gezegden en boertige mimiek aan het lachen brachten. Zelden ontbraken deze ‘zotten’ op de Landjuwelen, Haagspelen en Refreinfeesten, waar overigens meestal een prijs was uitgeloofd voor het ‘onnooselycst oft innocentelycst den sot te maken’(9).
Toch zou het verkeerd zijn te menen dat het Refrein ‘int zotte’ enkel zou passen in het gezelschap van onbezorgde en lichtzinnige drinkebroers. Ook van een ernstige dichteres als Anna Bijns horen we in haar Refrein op den karakteristieken stok: ‘Den boghe en mach altijt niet gespannen staen’(10), verkondigen: waarom zouden we ons niet van tijd tot tijd wat ontspanning gunnen; sommige heiligen hebben het wel gedaan en daarbij, het verdrijft heel wat bekoringen als het maar met maat gebeurt en niemand er door geschaad wordt:
In een ander stuk van de Antwerpse dichteres(12), waarin een
al te preutse kloosterzuster zich ten slotte toch laat overhalen aan de vrij onschuldige gymnastische oefeningen van haar medezusters deel te nemen, worden de kloosterlingen vergoelijkt die houden van een grap:
Het zal ons dan ook niet verwonderen dat een diep godsdienstig dichter als A. De Roovere Refreinen ‘int zotte’ heeft geschreven(14) en de vicaris ‘tsinte Marien’ te Utrecht, Jan van Styevoort, aan de komische stukken in zijn verzameling een aanzienlijke plaats heeft ingeruimd. Wel zal het den modernen lezer bevreemden en soms zelfs ietwat verbijsteren, in dezen laatsten bundel, naast de religieuze en stichtelijke stukken, niet enkel een groot aantal obscene en scabreuze Refreinen, maar ook stukken aan te treffen waarin een heel bedenkelijke moraal wordt verkondigd, die zowat neerkomt op het tegenovergestelde van wat ons met zoveel klem in de Refreinen ‘int vroede’ wordt voorgehouden. Sparen is natuurlijk uit den boze en met den luchtigen raad: ‘latet tgelt verscoyen, eer dat vermost’, weten we ten minste wat ons te doen staat(15). Wat gaat het overigens de kwade tongen aan, als we ons geld opmaken in het gezelschap van ‘lodderlycke meyskens’, aldus de dichter van het Refrein op den stok: ‘Die bate es syne - Die scaije es mijne’(16); wij zijn het toch, die het gelag moeten betalen. Een andere Rederijker(17) keert zich tegen de ‘oude Nicodemussen’ en ‘oude Joseppen van Armentyen’, die het niet kunnen aanzien dat het jonge volk zich vermaakt, omdat hun tijd nu eenmaal voorbij is, en raadt de ‘jonge sinnekens’:
De vraag is echter, hoe dergelijke uitlatingen dienen geïnterpreteerd. Staan we hier werkelijk voor bewuste uitingen van libertinisme en amoralisme, of gaat het enkel om wat P. Schroeder in zijn werk over ‘Parodieën in de Nederlandse Letterkunde’ genoemd heeft den ‘drang in de mens het hoge door het lage te normaliseren’, waardoor de uitersten elkander raken en het verhevene tegen het platte, het schone tegenover het lelijke en het heilige tegen het profane wordt geplaatst, ‘niet louter uit drang naar het lelijke, platte of profane, alleen uit de - onbewuste - drang tot effening’(19). Onze voorkeur gaat naar de laatste meer genuanceerde opvatting, omdat ze ons een juisteren kijk verleent op heel wat stukken, die bij nader toezien nog iets anders blijken te zijn dan uitingen van obsceniteit en meer zijn dan louter pornographie, maar toch ook weer niet zo onschuldig zijn als C. Kruyskamp(20) wel schijnt te geloven.
Het aantal bewaarde Refreinen ‘int zotte’ is minder groot dan dat van vorige categorieën, maar daartegenover staat dat ze naar den inhoud sterker uiteenlopen, zodat een strakke indeling moeilijk is door te voeren. De duidelijkst omgrensde afdeling vormen de Leugenrefreinen, waarin louter onmogelijke dingen ter sprake komen en de Rederijker zijn behagen in het ongerijmde kon botvieren. Daarnaast zijn er scatologische en obscene stukken, verheerlijkingen van de louter zinnelijke liefde en ten slotte wat we de ‘maatschappelijke’ Refreinen zouden willen noemen en hiermede bedoelen we stukken die ons toelaten een weliswaar eenzijdig, maar toch boeiend beeld op te hangen van de maatschappij van toen, vooral gezien in haar ongewone, zonderlinge, komische, pikante en groteske aspecten. Met deze laatste soort zullen we dit overzicht beginnen.
Waarna de dichter allerlei zotten opsomt die geen bellen dragen: ‘magher roijaerts... Die heymelike roy tappen... ende den ioncker willen maken’, ‘houerdighe sotten’, de ‘amoreuse’, de ‘vechters of tuyschers’ en zoveel anderen nog(21). Hoe zou het ook anders: iedereen heeft een ‘vreemt geestken’ dat hem kwelt(22). Belangstelling voor de ‘zotheid’ en alles wat ermee in verband staat(23) blijkt verder uit een ‘vrage’, die ongeveer moet geluid hebben: ‘Waeromme draecht Morus syn blesse naect - En de keye bedect tsamen aen thoot versaemt’, op een wedstrijd gesteld(24), en vooral uit de Refreinen ‘int zotte’ uitgesproken op het Refreinfeest te Gent in 1539 op den stok: ‘Wat volck ter waerelt meest zotheyt tooght’, die de dichters gelegenheid bood opsommingen te geven van allerlei ‘zotten’, of enkel tegen een bepaalde categorie te keer te gaan: de geestelijkheid, de waanwijzen, het ‘hoouaerdigh verwaent volck’, sommige geleerden, de dronkaards, de gierigaards, de verliefden(25). Wanneer we deze laatste en andere gelijkaardige stukken even in ogenschouw nemen, wordt het duidelijk dat ze ook kunnen opgevat worden als schilderingen of liever caricaturen van zekere categorieën uit de toenmalige maatschappij. Hierdoor bekomen we tevens een bruikbare indeling van de ‘maatschappelijke’ Refreinen in: stukken die handelen over de geestelijkheid, de vrouwen, de verliefden, de gehuwden, de dronkaards en de zogenaamde ‘onmaatschappelijken’ of ‘gilden’.
In tegenstelling met hetgeen we nochtans zouden verwachten en afgezien van de Refreinen van 1539, die zeer scherpe aanvallen tegen de geestelijkheid en zekere kerkelijke practijken bevatten, maar in een volgend hoofdstuk zullen besproken worden omdat ze nauw
samenhangen met de verspreiding van de nieuwe denkbeelden op religieus gebied, komt de geestelijkheid in de Refreinen ‘int zotte’ slechts zelden ter sprake.
Er is het niet onvermakelijke verhaal van ‘een haenken alte frissche crayere’, die in een ‘susterhuys’ opschudding bracht door op een ‘hinne’ te vliegen, maar daarna op bevel van de mater - bevreesd voor de gevolgen van dit ‘quaet exempele’ bij de zusters die er getuige van waren geweest - gevangen genomen, deerlijk geslagen en ten slotte losgelaten werd. Nog minder goed verging het ‘dat henneken’:
Dit alles pittig verteld op den grappigen stok: ‘Ick loych, ic en conste my niet bedwinghen’(26).
We vermelden hier verder nog een obsceen Refrein met het uit onze Middeleeuwse kluchten en boerden voldoende bekende thema van den liederlijken geestelijke(27) en volgende verzen uit een Refrein op den stok: ‘Hoe souden ezels pooten op herpen spelen’(28) die waarschijnlijk op dwaze en plompe geestelijken betrekking hebben:
Dit is echter vrijwel alles. Het grote slachtoffer van de Refreindichters is de vrouw geweest. Hierin waren ze overigens slechts de voortzetters van onze Middeleeuwse dichters van kluchten, boerden en liederen, die van de vrouwen niet veel goeds hebben weten te vertellen(31):
Aldus het begin van het Refrein op den stok: ‘Spreken, screijen, naijen, heeft God den vrouwen beraijen’(32), waarin de praatzucht van de vrouwen over den hekel wordt gehaald. De dichter van dit stuk getuigt echter van meer zin voor nuance dans zijn Middeleeuwse voorgangers, wanneer hij erkent dat ‘woerde van vrouwen somtydts ghesproken’ menig hart kunnen verblijden en zelfs vrede en verzoening kunnen brengen. Hier mogen enkele ‘exempelen’ uit het Oud-Testament niet ontbreken: Hester, Judith, Abigail, Abisaac, Bersabee, Sara, Rebecca, maar... dit zijn uitzonderingen, die enkel den regel kunnen bevestigen.
De vrouwen zijn echter niet alleen onverbeterlijke praatsters, ze zijn ook bijgelovig, hechten groot belang aan allerlei leugens, ‘fabulen en droomen’(33) en, wat nog erger is, ze zijn vals, onbetrouwbaar en er altijd op uit de mannen te bedriegen. Ze schrikken voor geen list terug(34). Wanneer ze iets weigeren dat ze nochtans gaarne zouden wensen, is het meestal uit ‘beveynsheydt’, want schijnheilig zijn ze eveneens. ‘Clopsusters, baghijnen, oude concubijnen’, die er zo godvruchtig en ingetogen uitzien, zijn van geen klein gerucht vervaard, als het maar in het verborgen kan gebeuren(35). Van eerbaarheid blijken de vrouwen nu eenmaal geen begrip te hebben en wanneer ze dan toch maagd blijven, is het enkel uit vrees voor de gevolgen van het ‘spel van minne’:
Nog heel jonge meisjes willen niet langer van de geneugten van het ‘minnespel’ verstoken blijven(37). Zo zijn we in het Refrein op den stok: ‘Daer heb ic luttel sorgen voere’(38) getuige van een gesprek tussen een ‘meysken omtrent vijftien jaren oudt’, dat vindt dat ze al lang genoeg maagd is gebleven, en haar moeder, die haar ervan tracht te overtuigen dat ze nog te jong is.
Al deze ondeugden treffen we vanzelfsprekend nog in hogere mate aan bij de publieke vrouwen: de ‘vroukens wt Venus berch’, de ‘amoreuse meyskens’, de ‘Venus paesberdekens’, de ‘aerdighe’ of ‘fraeye dierkens’, benamingen die wel een zekere vertederde sympathie voor deze ‘verloren kinderen’ verraden.
Het is nu eenmaal zo dat het bij hen alleen op geld aankomt en hun liefde slechts zo lang duurt als er penningen in de beurs zijn. Dat moet ook ‘een ruyterken, een alte vrijen dwerch - Dat had een borse vol gelts gheswollen’(39), ervaren:
Gaat ge met haar om dan loopt ge groot gevaar na korten tijd ‘heere van bijsteruelt’(42) te worden en ‘ter platter bursen’ te geraken(43). Maar ‘ghesellen’ hebben geen zulke hoge eisen te stellen en gedesabuseerd, maar niet bitter, klinkt de raad:
Hun gulzigheid is al even groot als hun hebzucht, of liever, ze bezitten een verbazenden eetlust. In het Refrein op den stok: ‘Haelt die hoerkens coeck, sy moeten eten’(46), zien we een ‘grossier... lieflick versaemt mit soete moerkens’, die zo smakelijk aan het smullen gaan dat hij er zelf genoegen in heeft, al weet hij heel goed, dat hij het gelag zal moeten betalen.
Ten slotte is de niet te verzadigen zinnelijkheid van de ‘venus-dierkens’ één van de steeds terugkerende motieven van de scabreuze verhalen(47).
Naast de geestelijkheid, de vrouwen en de ‘meyskens’, waren ook de verliefden - de ‘Venus ianckerkens’, de ‘blocksleepers’(48) - en de gehuwden dankbare slachtoffers voor de Refreindichters ‘int zotte’.
Zij zijn wantrouwig en jaloers. 's Nachts staan ze in de koude voor de deur van hun ‘liefste’, steeds bevangen met de vrees dat een andere minnaar hun plaats heeft ingenomen. Hoe bespottelijk toch, en alles verloren moeite, de ‘dobbel dierkens’ te willen behagen:
dan mogen ze toch onverrichterzake het veld ruimen(52). Niet enkel de jonge lieden doen zo gek:
Critiek op het huwelijk en de vele zorgen die het meebrengt krijgen we in een onvolledig bewaard Refrein op den veelzeggenden stok: ‘Aij lacen, wat hevet huwelic an’(54). In een ander stuk
zijn we getuige van een gesprek tussen twee mannen die ieder op hun beurt de treurige ervaringen van hun ongelukkig huwelijksleven meedelen. De ene zit geplaagd met een onhandelbare, twistzieke en hardhandige vrouw, die de broek draagt en bij de minste gelegenheid klappen uitdeelt. De andere is er niet beter aan toe: zijn vrouw is lui en verkwistend, loopt buiten mooi gekleed en is thuis ‘mevrouw van vuyl convent’(55). Deze twee types van onhebbelijke vrouwen worden elders nog uitvoeriger en pikanter getekend. Het Refrein op den stok: ‘Verwyft te zyne gaet boven alle plaghen’(56) zouden we het klaaglied van den pantoffelheld kunnen noemen. Wanneer hij begint op te sommen wat hij zo alles van zijn vrouw te doen krijgt, komt er werkelijk geen einde aan: het bed opmaken, de schotels wassen, ‘den pispot vuytghieten’, de as uitdragen, den vloer keren, ‘den ketel en den hanghel schueren’, ‘het wermoes scherven’, in de pap roeren, de straat vegen, het slijk wegdragen, de goot ruimen... Kostelijk van comiek zijn verzen als:
Twee voortreffelijke staaltjes van het andere type zijn de Refreinen op den stok: ‘Noyt man en gheraecte aen vuylder laudate’(57) en ‘Dus doende bringt zy den tyt vast duere’(58). In ieder stuk krijgen we ongeveer hetzelfde zondenregister te aanhoren. De eerste is dom, praatziek, verkwistend, houdt van uitgang en drank, verwaarloost het huishouden, is slordig en vuil en vooral onnoemelijk lui. De tweede is ook verkwistend, lui en praatziek, gaat wandelen in plaats van voor het huishouden te zorgen en doet alles verkeerd.
Handelbaarder is het ‘zinnelijke type’. Voor haar heeft het weinig belang dat de man humeurig en bars is, dat hij zijn vrouw slaat, dat ze met gescheurde klederen moet lopen, dat ze honger moet lijden en er geen geld is, als hij maar ‘vriendelic ten bedde’
is, ‘soe ist al goet’, want: ‘die nacht renthe die verwinnet al...’(59)
Het ergste van al is echter een ‘gemelic wyf’:
We hebben er reeds op gewezen dat ook heel het lagere zinnenleven door de Refreindichters ‘int zotte’ tot hun sfeer werd gerekend en het moet ons dan ook niet verwonderen ze in hun stukken met zichtbaar welgevallen allerlei smul- en braspartijtjes te zien beschrijven. Vooral in het typeren van de dronkenschap zijn ze soms voortreffelijk geslaagd. Hoe raak werd de onbezorgdheid getekend van den onverbeterlijken drinkebroer en ‘duerbrenger’, die het ‘met groter pijn... al swetende, nerstich, mit dusent sorghen’ verdiende geld maar steeds weer in kroegen en bordelen verteert, en waarom ook niet, want anders geraakt hij zijn geld toch op een andere manier kwijt:
Wat voor zin heeft het te willen sparen, eens zal ons geld toch in vreemde handen gaan en die zullen wel weten wat ermee aan te vangen. Daarom: ‘Laet ons al ronts omme eens dricken’ en onze
zorgen vergeten met enkele flinke glazen wijn, aldus de wijsheid die ons wordt voorgehouden in het Drinkrefrein op den meeslependen stok:
Hoe scherp en met hoeveel zin voor het detail heeft een andere dichter(63) drie ‘pelsnaeyerskens’ geobserveerd, die op den maaltijd, hun ter gelegenheid van het ‘ganzefeest’ door hun patroon aangeboden, zo buitensporig aan het drinken gingen, dat ze daarna niet eens meer aan het dansen konden en hun vrijers onverrichterzake naar huis moesten:
Elders worden de uiteenlopende uitwerkselen beschreven van het bier dat ‘int hooft climt’: de ene denkt dat hij rijk is geworden, een andere wil alle vrouwen te lijf, nog een andere wordt ‘deuotich’ en vraagt naar den priester. De rij lijkt werkelijk onuitputtelijk:
Eveneens onweerstaanbaar van komiek maar van hoger literair gehalte is ten slotte een Refrein waarin een dronkaard aan het woord is, die in de vroege uurtjes thuis komt en er zich over beklaagt, door de vele straatkreten van leurders en verkopers in zijn mijmerijen te worden gestoord. Hier krijgen we tegelijkertijd een pittoreske beschrijving van het stadsleven in de ochtenduren:
Eenmaal in het gezelschap van de drinkebroers komen we als vanzelf bij de ‘gilden’(71) terecht: een vreemdsoortig allegaartje dat zich om de maatschappelijke orde en de gangbare moraal niet veel schijnt te bekommeren en dat we vrij goed kunnen leren kennen uit het Refrein op den stok: ‘Dees syn werdich in die ghilde ghescreuen’(72).
Zo gaat de opsomming verder, drie strophen lang. Valt er van hen niet veel goeds te zeggen, toch dient erkend dat ze nooit ‘gierich’ bevonden werden en ‘musica’ en ‘rethorica’ een warme liefde toedragen.
Heeft dit volkje zijn eigen broederschappen(73), heiligen en patroons(74), sermoenen(75) en gebeden(76), het heeft ook zijn eigen moraal, die er in hoofdzaak in bestaat zich geen zorgen te maken en er maar op los te leven, en haar eigen ‘minne’: de louter zinnelijke liefde, die wel heel ver van de hoofse idealen verwijderd is(77).
Het zingenot wordt steeds vergoelijkt, nu eens zonder enige terughoudendheid(78), dan weer aan de hand van ‘dubbelzinnige’ uitdrukkingen en vergelijkingen beschreven(79), soms op ongebreidelde en schaamteloze wijze verheerlijkt(80). In een bepaald geval klinkt de toon voor ons gevoel zelfs bepaald blasphematorisch, hoewel het waarschijnlijk niet als zodanig bedoeld is en de tijdgenoten het ook niet zo zullen hebben opgevat:
Hiermede zijn we volop in het obscene beland. Veel afwisseling bieden deze stukken niet, tenzij in de wijze van inkleding. Dikwijls wordt de vorm van het verhaal gebruikt: de dichter vertelt zijn
wedervaren met een ‘fray vrouken’, ofwel zijn we getuigen van een ontmoeting tussen een ‘ruyter’ en een ‘gay, ient, lustich, vrolic dier’. Een steeds terugkerend thema is dat van de geslachtelijke onverzadigbaarheid van de vrouw. Kenmerkend voor deze stukken is de zeer gevarieerde erotische beeldspraak met haar overvloed aan woordspelingen en ‘dubbelzinnige’ vergelijkingen, het gebruik van den dialoog - wat de levendigheid verhoogt - en het niets ontziende realisme dat zelfs niet voor de grofste brutaliteiten terugschrikt. Veel valt er verder over deze Refreinen niet te zeggen, tenzij dat ze soms onmiskenbaar literaire kwaliteiten bezitten, zoals volgende bevallige beschrijving:
Ook de schoonheid van de ‘Venus camerierkens’ heeft de dichters geinspireerd tot het schrijven van fraaie regels(84).
Naast het obscene neemt ook het scatologische in de Refreinen ‘int zotte’ een niet onbelangrijke plaats in: nu eens vrij onschuldig en kinderachtig(85), dan weer grof en onkies, zich vermeiend in het uitstallen van walgelijke details(86). Ze brengen ons het bewijs hoezeer de toenmalige begrippen over ‘fatsoen’ van de onze verschillen. Voor het overige is hun literaire en cultuurhistorische betekenis gering(87). Uit een taalkundig oogpunt zijn ze echter wel interessant met hun koddige woordspelingen en hun overvloed aan kleurige uitdrukkingen ontleend aan de sappige en onvervalste volkstaal.
Fijnere proeven van taalvirtuositeit krijgen we in een drietal Refreinen waar de klank zelf als komische factor wordt aangewend:
zo het Refrein dat een opsomming brengt van allerlei vogelkreten(88), de ‘fantazie’ op den roep ‘ey’(89) en het stuk dat bijna uitsluitend bestaat uit substantieven die eindigen op -aert(90).
Het Leugenrefrein, waarmee we dit overzicht besluiten, beantwoordt aan de Franse ‘Ballade à l'Impossible’, waarin het er op aankwam het grootst aantal onmogelijke dingen uit te denken(91). Dit voorschrift van de ‘Arts de seconde rhétorique’ blijken onze Rederijkers ook voor hun rekening te hebben genomen. Ze geven er naar hartelust uiting aan hun afkeer voor het logische en het normale en aan een behoefte om de dingen op hun kop te zetten(92).
Soms heeft de dichter er zich toe bepaald, de grootste ‘onmogelijkheden’ op te stapelen, zonder dat we tussen al deze voorstellingen enig verband kunnen bespeuren. Typisch voor deze stukken is de meestal in den stok uitgedrukte verzekering dat het alles waar gebeurd is en hij het zelf gezien heeft(93). In het Refrein op den stok: ‘Die cock is goet te vriende gehouwen’(94) is echter wel een zeker verband tussen de voorwerpen die opgesomd worden. De dichter stelt het voor alsof hij in de keuken een droom heeft: de voorwerpen worden levend en hierdoor ontstaan de gekste situaties:
Het Leugenrefrein heeft een eigen logica, die hierin bestaat de dingen op hun kop te zetten en een loopje te nemen met de gangbare manier van denken. Een voorbeeld hiervan is het Refrein op den
stok: ‘Hi en derf altijt niet clagen die eens verhuecht’(97), waarin iedere mededeling door de volgende wordt tegengesproken. De dichter beschrijft ons een zonderling feest waar de afwezigen de eersten zijn om met het dansen te beginnen. Op denzelfden toon gaat hij verder:
Aan het slot vernemen we dan dat het slechts een droom was, maar zelfs na zijn terugkeer tot de werkelijkheid vindt de dichter het nog niet nodig zijn averechtse logica in den steek te laten: hij wordt gewekt door ‘twee omrompelde sloren... Si hadden als mollen twee witte lijuen’.
Het Refrein op den stok: ‘Eest gelogen, ist waer, si sagent nochtans’(98) brengt ons eindelijk een samenhangend verhaal: de avonturen van een reusachtigen stier die Mechelen en Antwerpen in rep en roer zet en deze laatste stad bijna doet overstromen, wanneer hij plots aan een dringende natuurlijke behoefte moet voldoen. In een ander stuk(99) droomt een dichter dat hij Paus is geworden, zijn vrouw kardinaal en zijn kinderen aartsbisschoppen. Ze verdienen veel geld door al wie het maar wenst van zijn geloften te ontbinden, maar daar komt Sint Pieter met een nieuwen Paus uit den hemel. Hij gaat den nieuwen Paus te lijf en slaat... zijn vrouw, die naast hem te slapen ligt. Het is duidelijk dat de dichter hier de mistoestanden aan het Pauselijk Hof aan de kaak heeft willen stellen en het stuk een hekelende bedoeling heeft. Hierdoor neemt het onder de bewaarde Leugenrefreinen een afzonderlijke plaats in, want gewoonlijk doen
de dichters niet veel meer dan op vrij onschuldige en soms kinderachtige wijze uiting te geven aan hun plezier in het ongerijmde en hun zin voor vrolijke dwaasheid.
Van deze en andere stukken ‘int zotte’ hebben de Rederijkers geen hogen dunk gehad. In hun waardering kwam het Refrein ‘int zotte’ na het Refrein ‘int amoureuze’, dat op zijn beurt voor het Refrein ‘int vroede’ moest onderdoen. Dit blijkt zeer duidelijk uit de prijzen die voor de drie traditionele categorieën op de dichtwedstrijden werden uitgeloofd. De dichters hebben er ook geen bijzondere zorg voor gedragen, bijvoorbeeld door middel van acrostica, het auteurschap van hun stukken voor het nageslacht te bewaren. Slechts van een eerder gering aantal Refreinen ‘int zotte’ zijn de dichters gekend.
We hebben in dit verband reeds de namen van A. De Roovere en Anna Bijns vermeld. Ook Edw. De Dene heeft in zijn ‘Testament Rethoricael’ 25 Refreinen ‘int zotte’ opgenomen. Hieronder zijn vooral de ‘Drinkrefreinen’ goed vertegenwoordigd, wat wel niemand zal verwonderen die de levensomstandigheden van den Brugsen Rederijker iets meer van nabij heeft leren kennen. De factor van ‘De drie Santinnen’ hield van een goeden dronk. Andere stukken - bijvoorbeeld verscheidene Refreinen tegen de ‘clappaerts’ - zijn eerder in den hekelenden en moraliserenden toon gehouden. Dit gebeurt wel meer wanneer de dichters opsommingen geven van allerlei ‘zotten’ of de ‘zotheid’ van een bepaalde categorie mensen aan de kaak willen stellen en de didactische bedoelingen de komiek soms helemaal verdringen(100).
De laatste eigenlijke Refreinen ‘int zotte’ die we in den loop van de XVIe eeuw hebben ontmoet, zijn de stukken ‘gepronunceert’ te Rotterdam in 1561. Zowel naar den inhoud als naar den vorm was aan de deelnemers volledige vrijheid gelaten en het mag gezegd dat vooral de drie Rederijkers uit Rijnsburg hiervan een dankbaar gebruik hebben weten te maken. Ieder van deze Refreinen brengt ons een boeiende en aantrekkelijke vertelling, helemaal in den trant van de vroegere ‘sproken’ en ‘boerden’: Johan Fruytiers, de pikante anecdote van drie mannen die met hun vrouwen ter bedevaart gingen en door drie kerels van verdacht allooi op een meer dan deerlijke wijze bedrogen werden; ‘Ick verbey den tyt’ het grappige verhaal van een ‘vrouken’ dat ‘tvolck daghelijcx over zet om gelt’; door twee mannen lastig gevallen slaagt ze er op handige wijze in zich van
beide te ontmaken. Het derde Refrein is een bewerking van een verhaal uit ‘Le ménagier de Paris’ (einde van de XIVe eeuw), vermengd met elementen uit het volksverhaal van de Wildfrau: een vrouw die er door haar offervaardige liefde in slaagt haar ontrouw geworden echtgenoot voor zich terug te winnen: hier is de toon eerder ernstig(101). De overige stukken, die in hoofdzaak opsommingen van allerlei soorten van ‘zotten’ geven, behoren meer tot het hekelend-didactische genre(102).
Na 1561 hebben we geen Refreinen ‘int zotte’ meer ontmoet, enkel gedicht ‘om swaricheyt te verdriuene’. Hiervoor waren de tijden te ernstig geworden: de luide, onbezorgde lach zou verstommen in den religieuzen en politieken strijd, die in de volgende jaren met verbetenheid zou worden gevoerd.