Reeds van de XIVe eeuw af - dus lang vóór de denkbeelden van de Hervorming in de Nederlanden voor het eerst verspreid werden - was het gebruikelijk, historische en politieke stof in Liederen te behandelen(1). Het is tegen deze gewoonte dat opgekomen wordt in het Refrein op den stok: ‘Elc doe sijn neringhe ende swijch al stille’(2), waar de dichter uiting geeft aan zijn verontwaardiging ‘datmen rethorijcke nu achter straten saijt’ en ‘cluytenaers’ het aandurven allerlei politieke aangelegenheden in Liederen te bespreken en aldus de rust onder het volk verstoren:
Hier is enkel sprake van Liederen, maar eenzelfde critiek is van toepassing op een Refrein als dat van A. Ghyseleers: een hekeling van de ‘lever eeters’, de weinig populaire ambtenaars die met het inzamelen van de staatsgelden waren belast. Ook hier is iemand aan het woord die er blijkbaar niet voor terugschrikt, in den voor de tijdgenoten zeer doorzichtigen vorm van de politieke allegorie, zijn opvattingen te verkondigen hoe het land zou moeten bestuurd worden:
Het stuk werd geschreven in 1512 en kan het vermoeden wettigen dat er, nog vóór de opkomst van de Hervorming, naast de ‘historische’ Liederen, ook Refreinen van denzelfden aard hebben bestaan, waarvan ons echter slechts dit enkel voorbeeld is bewaard gebleven.
We zullen verder in dit hoofdstuk nog tal van Refreinen moeten bespreken die historische of politieke stof behandelen, maar dan meestal in nauw verband met de tegenstellingen op godsdienstig gebied die sedert c. 1520 aan het religieuze leven van de XVIe eeuw in de Nederlanden zijn bijzondere kleur en vooral een complexiteit hebben gegeven, die niet enkel op den tegenwoordigen onderzoeker een verwarrenden indruk moet maken, maar ook vele tijdgenoten, en vooral diegenen onder hen welke hun vertrouwen in de bestaande Kerk hadden verloren, werkelijk verbijsterd heeft.
dan zijn het kwade tijden voor ‘rethorisijn’ of ‘predicant’(10).
Eenmaal het gezag van de Kerk en haar leer verworpen, ontstaan overal nieuwe secten die ieder hun geloof voor het ware houden en elkander bestrijden:
Tegenover de radeloosheid van dezen dichter, die het verloren gaan van vaste religieuze en zedelijke normen scherp aanvoelt, staat de diepe overtuiging en de sereniteit van zoveel anderen die in het nieuw gewonnen geloof de bevrediging van hun godsdienstige noden vinden of van iemand als Anna Bijns, die de Kerk trouw blijft, verzekerd als ze is dat ‘de waerheit sal onverwonnen blijven’(13).
Voor haar zijn de Lutheranen niet beter dan de Anabaptisten:
De bewering dat Luther de oorzaak is van al het kwaad zullen we nog herhaaldelijk in haar werk aantreffen(16). Ze is in zover juist dat Luther ‘in de eerste jaren na 1517 de grote drijfkracht der nieuwe beweging’(17) is geweest, maar daar tegenover staat toch ook dat de plaats van het Lutheranisme als confessionele strekking in onze gewesten - afgezien van het cosmopolitische Antwerpen - eerder gering is geweest en er in ieder geval niet in geslaagd is, evenmin overigens als het Anabaptisme, dat c. 1530 opkomt, in brede lagen van de bevolking ingang te vinden(18).
Verder komt in de Nederlanden, naast het Lutheranisme en het Anabaptisme en vóór het op den voorgrond treden van het Calvinisme c. 1562, nog een andere hervormingsgezinde stroming voor, in haar beginperiode (c. 1520-c. 1530) Sacramentarisme en voor wat de latere jaren betreft meestal Nationaal Gereformeerde Richting genoemd. J. Lindeboom omschrijft haar hervormd karakter als volgt: ‘het gaat om een bijbelsche vroomheid, die doet aanhouden op zuiverheid in leer en gedragingen, op verwerping van alle ceremoniën - dit woord in een zeer ruime beteekenis gebruikt, - welke niet aan het eenvoudige evangelie beantwoorden, op apostolischen eenvoud van leven volgens de evangelische geboden, op persoonlijk geloof, dat zonder bemiddeling nadert tot God en Christus met een sterk individualistisch accent, op ondogmatisch verstaan van de geloofswaarheden, op geloof dat vertrouwen is, niet meer en niet minder’(19). Ze is nationaal ‘omdat zij op onzen bodem heeft gebloeid en er diepe wortelen heeft geschoten, omdat wij haar kennen uit en door Nederlandsche figuren’, maar vertoont toch - vooral in haar opvatting van het Avondmaal - grote verwantschap met de denkbeelden van Zwingli(20).
De zienswijze van F. Pijper(21), als zou deze richting voor een deel haar bestaan te danken hebben aan den invloed van de werken van Erasmus, werd bestreden door M. Van Rhijn, die heeft aangetoond hoezeer de grote Humanist in zijn wijze van denken en in zijn critiek op de Kerk nog op Middeleeuws standpunt staat. Ook in dogmatisch opzicht - onder meer door zijn opvatting van het ‘geloof dat door de liefde werkt’ - wijkt Erasmus sterk af van de grote Hervormers: Luther, Zwingli en Calvijn, die allen in de leer van de rechtvaardiging door het geloof het centrale van hun religieuze denken hebben gezien(22).
Dit alles wil echter niet zeggen dat Erasmus geen invloed zou hebben uitgeoefend op de ontwikkeling van de religieuze denkbeelden van de XVIe eeuw. Het tegendeel is waar. Hij heeft ‘in de maatschappij een deesem gelegd van opstandigheid en twijfelzucht’ en ‘den geest van verzet en kritiek nog geprikkeld’, wat vanzelfsprekend de nieuwe bewegingen ten goede is gekomen, maar hijzelf heeft de Kerk nooit verlaten(23).
Hij was een typisch vertegenwoordiger van het Bijbels Humanisme - ‘meer een richting dan een partij’ - dat streefde naar een samensmelten van Christendom en antieke cultuur, eerder onverschillig stond tegenover de dogma's van de Kerk en den nadruk legde op de practijk van het christelijke leven. Het heeft vooral bijval gevonden bij de toenmalige intellectuelen en is dan ook ‘in de eerste plaats een beweging der geestelijke elite geweest, daarnaast gehoor en aanhang vindend onder de gezeten burgerij, de leidinggevende standen’(24). Samen met de gehechtheid aan de oude voorrechten, helpt het Bijbels Humanisme den afkeer verklaren door vele overheidspersonen aan den dag gelegd bij de uitvoering van de Plakkaten in zake geloofsvervolging(25).
Het is hier niet de plaats na te gaan onder welke omstandigheden en dank zij welke factoren deze verschillende richtingen werden verdrongen of in de schaduw gesteld door een andere hervormde stroming die, rechtstreeks uit Genève of door bemiddeling van de Franse Hugenoten of nog langs de vluchtelingengemeenten van Londen en Emden omstreeks 1543 onze gewesten bereikt om eerst
c. 1562 krachtiger op den voorgrond te treden, namelijk het Calvinisme(26). Laten we ons tot de bemerking bepalen dat deze nieuwe richting, naast tal van aanknopingspunten - vooral met de Nationaal Gereformeerde Richting - toch ook grondige verschillen met de overige Hervormde stromingen vertoont(27).
Deze hebben zowel betrekking op de leer als op de organisatie. Dr. J. Lindeboom heeft ze heel juist geformuleerd waar hij schrijft: ‘Het Sacramentarisme, Bijbelsch Humanisme, ook de Nationaal-gereformeerde richting oefenden hoofdzakelijk door personen werking uit: priesters, kloosterlingen, scholarchen, die zich in meerdere of mindere mate van de Roomsche Kerk, althans van de meeste harer denkbeelden hadden losgemaakt, en die in die Kerk de geesten trachtten te winnen en tot het licht van het zuivere Evangelie te brengen. Van het bouwen van een nieuwe Kerk, naar een in Gods Woord gegeven bestek ontworpen, was bij hen niet of weinig sprake; wat zij wilden was zuivering, restauratie; een nieuwe massale, kerkelijk georganiseerde groep werd niet gevormd. Het Calvinisme daarentegen, zonder de tot de enkelingen gerichte propaganda te verzuimen, bouwde gemeenten, onder de straffe leiding van haar kerkraden, consistories, en deze samenhangend in een organisatorisch verband’(28). Bijzonder kenmerkend voor het Calvinisme is, volgens Dr. J. Lindeboom verder: ‘het volledig verwerpen van de kerkelijke traditie, het zich uitsluitend beroepen op de Schrift, alsook een gevoel van verwantschap met de wereld van het Oude Testament’(29). Deze laatste eigenaardigheid heeft bij de Nederlandse Calvinisten de overtuiging doen ontstaan van het ‘uitverkoren volk’ en is een belangrijke factor geworden in den strijd, die van omstreeks 1562 af ook op staatkundig en enkele jaren later op militair terrein zal geleverd worden.
Van den uiterst verwarden toestand op politiek en religieus gebied na 1566 zal het Calvinisme - de godsdienst van een betrekkelijk kleine maar actieve minderheid, sedert de Synode van Emden (1571) in een stevig kerkverband georganiseerd - gebruik maken om na 1576 het Katholicisme in sommige steden van de Zuidelijke gewesten gedurende enkele jaren te verdringen(30) en zich in de Noordelijke Provinciën als Staatsgodsdienst op te werpen en zijn blijvenden stempel op het Nederlandse volkskarakter te drukken. De tijdelijke hegemonie van het Calvinisme in steden
als Antwerpen, Gent en Brussel daarentegen zou spoedig te niet worden gedaan door de heroveringen van Farnese, die in 1585 met den val van Antwerpen worden besloten. Van nu af aan staat het Noorden - waar de Calvinistische inslag steeds sterker wordt - tegenover het Katholieke Zuiden, dat door het krachtig streven van de Contra-Reformatie volledig voor de Kerk wordt teruggewonnen.
Het Calvinisme blijkt dus achteraf beschouwd de enige hervormde stroming te zijn geweest die in de Nederlanden voor de bestaande Kerk een werkelijk gevaar heeft betekend: een Lutherse beweging c. 1520 werd vrij spoedig onderdrukt; het revolutionnaire Anabaptisme was na den val van Munster (1535) practisch uitgeschakeld en ook de vreedzame richting, die daarna de bovenhand nam, werd op onmeedogende wijze vervolgd. Zij heeft het grootste aantal slachtoffers geleverd voor de Inquisitie en de wereldlijke overheid, die tegenover hen een onverbiddelijke strengheid aan den dag heeft gelegd(31).
Toch zou het verkeerd zijn te denken dat het gevaar voor de Kerk c. 1562 geweken was en het succes van het Calvinisme enkel te danken zou zijn geweest aan de hechtheid van zijn organisatie, zijn scherp omschreven en consequent hervormde leer, de bedrijvigheid van zijn verspreiders, de overtuiging van zijn aanhangers en een samenloop van gunstige politieke en militaire omstandigheden. Er heeft in onze gewesten, lang vóór het Calvinisme een factor van betekenis wordt, en naast het confessionele Lutheranisme en Anabaptisme, ongetwijfeld een sterk uitgesproken hervormingsgezind streven bestaan dat zich niet enkel uitte in vinnige critiek tegen de geestelijkheid en zekere kerkelijke practijken, maar ook in een grote ingenomenheid met de nieuwe opvattingen - over de rechtvaardiging, het Avondmaal en het uitsluitend middelaarschap van Christus - zoals ze door Luther en andere Hervormers werden verkondigd. Het is voldoende bekend dat de drukkers en de Rederijkers in de verspreiding van deze nieuwe denkbeelden een belangrijk aandeel hebben gehad(32). Toch is het nog de vraag of de Contra-Reformatie er na het Concilie van Trente (1562), dat de leer van de Kerk tegenover het Protestantisme duidelijk vastlegde en door allerlei maatregelen aan de bestaande mistoestanden een einde trachtte te stellen, niet in zou geslaagd zijn vele aanhangers van de Hervorming voor het Katholicisme terug te winnen, had het Calvinisme, gecombineerd
met den nationalen strijd, niet vele reformatorisch voelenden en kerkelijk onverschilligen tot zich getrokken en aldus een kern gevormd van fanatieke aanhangers en avonturiers die iedere revolutionnaire beweging in haar actief stadium zozeer nodig heeft. Wat hier echter ook van zij, het is enkel onze taak na te gaan in hoever zowel Hervorming als Contra-Reformatie zich weerspiegelen in de Refreinliteratuur van de XVIe eeuw. We hopen hiermee tevens een aanvulling te brengen bij de overzichten van W.A.P. Smit(33) en G.A. Van Es(34), die in hun behandeling van de hervormingsgezinde poëzie wel voldoende aandacht hebben geschonken aan de Psalmbewerkingen en de Liederen, maar de Refreinen enigszins hebben verwaarloosd.
Het is de grote verdienste geweest van C.G.N. De Vooys de aandacht te hebben gevestigd op twee belangrijke verzamelingen hervormingsgezinde Refreinen die dagtekenen van vóór de opkomst van het Calvinisme en naar den inhoud nauwe verwantschap vertonen met de Schriftuurlijke Liedekens: Brussel, Koninklijke Bibliotheek, hs. II, nr. 129 (c. 1558) en Veel schoone Christelijcke en Schriftuerlijcke Refereynen, Delft, 1580(35).
Rechtstreekse aanduidingen over de datering en de herkomst van deze Refreinen ontbreken. De toespelingen op de tijdsomstandigheden blijven vrij vaag, maar toch valt uit een en ander af te leiden dat we hier staan voor stukken uit het midden van de XVIe eeuw, laten we zeggen tussen c. 1530 en c. 1560(36). We kunnen ze dus beschouwen als tegenhangers van de polemische Refreinen van Anna Bijns die het van c. 1523 af voor de bestaande Kerk opneemt.
We hebben gemeend zowel reformatorische als katholieke stukken niet beter te kunnen karakteriseren dan door telkens beider reactie na te gaan tegenover volgende punten die bijzonder duidelijk de tegengestelde opvattingen van de Katholieke dichters en de hervormingsgezinde Rederijkers tot uiting doen komen: de ‘Schrifture’, de geestelijkheid, zekere kerkelijke practijken, de rechtvaardiging door het geloof en het middelaarschap van Christus, de vervolgingen.
De plaats die de ‘Schrifture’ in de reformatorischgezinde stukken inneemt is van dien aard, dat we hier gerust van Schriftuurlijke
Refreinen mogen spreken(37). Niet enkel blijven de dichters vervuld van een diepen eerbied en een heilig ontzag voor het ‘Woord Gods’, maar de Bijbel dient ook meestal als uitgangspunt voor hun uiteenzettingen, voorziet ze van de nodige ‘bewijsplaatsen’ en doet hun een heel systeem van allegorische voorstellingen aan de hand, wanneer ze de bestaande Kerk aanvallen, de nieuwe leer verdedigen of troost zoeken in de vervolging(38).
Hoe beklaagt een dichter het dat de ‘reyn Schrifture’ zo ‘vertreden’ wordt en hij haar niet ‘vrij en vranc’ kan spreken:
Dat de ‘Goddelijke Waarheid’ wordt verborgen gehouden is in de eerste plaats te wijten aan de ‘hypocrisye’ van ‘scriben, papen, clercken, levijten’:
Hier ligt het essentieel verschil tussen de Middeleeuwse of katholieke critiek tegen de geestelijkheid en die van de Hervormden. Het zwaarste verwijt dat van reformatorische zijde aan de geestelijkheid wordt toegestuurd, is juist dat ze ‘'t ghebot der kercken’(41) willen stellen in de plaats van den wil van God. Welke schampere ironie spreekt niet uit verzen als:
Wanneer de hervormingsgezinde Rederijkers tegen de geestelijkheid te keer gaan, maken ze gaarne gebruik van het verhaal, meer bepaald van het Leugenrefrein.
Zo dist in het Refrein op den stok: ‘Ic hout al voor cluchten; sout ooc moghen waer sijn’(44), een ‘avontuerich ruyterken’ aan twee minderbroeders een fantastisch verhaal op: ‘Matthijs de fluyter is doot’, aldus heeft hij vernomen, ‘maer inde kiste en vant men niet - Dan drij felle ratten’: de eerste heeft alle ‘aflaet brieven die den Paus hadde gheschreven... in stucken gheschuert - En ghebeten’, de tweede heeft ‘Dueren en sloten en grendele’ van de kloosters ‘al in sticken gheknaecht’, tot grote vreugde van vele monniken die tegen hun zin waren opgesloten:
In een ander stuk vertelt de dichter één van zijn dromen. De Paus ‘met al den gheestelicken staet... Keysers, coninghen, princen, hertoghen en graven... pussemiers, rentiers, cooplieden, procureurs’ en landslieden vragen en verkrijgen van God de toelating hun hebzucht bot te vieren. Wanneer het ‘arm ghepeupelte’ dit verneemt gaat het zich bij ‘sinte Pieter’ beklagen, die een bemoedigend woord spreekt:
Nog elders blijkt hoe de animositeit tegen de geestelijkheid in de hand werd gewerkt door den haat tegen den stand waaraan allerlei materiële voordelen verbonden waren:
Het is dan maar goed dat Luther gekomen is om aan al deze misbruiken een einde te stellen(47).
Naast dezen socialen factor was er echter vooral het gedrag zelf van zekere geestelijken die aan de voorstanders van de nieuwe leer genoeg gelegenheid gaf de priesters, die zich - in hun opvattingen - ten onrechte als middelaars tussen de gelovigen en God wilden opwerpen, in discrediet te brengen.
Het uitbrengen van critiek op de geestelijkheid is echter op zichzelf helemaal geen bewijs van reformatorische gezindheid. We zouden het zelfs één van de belangrijkste Middeleeuwse thema's kunnen noemen, die we van Jacob van Maerlant af telkens opnieuw in onze literatuur zien opduiken. Alles hangt er namelijk van af: wat wordt aan de geestelijkheid verweten en welke bedoelingen hebben de dichters hierbij gehad.
De katholieke dichteres Anna Bijns heeft ook harde woorden aan het adres van de geestelijkheid, maar van welken heel anderen aard zijn haar verwijten. Wanneer zo velen van het ware geloof zijn afgeweken is dat niet enkel de schuld van Luther en zijn verderfelijke leer, maar ook van de wereldsgezinde geestelijkheid die haar plichten niet vervult(48). Ze richt dan ook tot God een aangrijpend gebed om vurige en oprechte ‘predicanten’.
Het voornaamste verwijt dat zij tegen de geestelijkheid inbrengt is wel haar onverschilligheid en lakse houding in de bestrijding van de ‘ketters’. Hier blijven ‘geestelijke prelaten van hooger famen’ niet gespaard: zij zoeken hun eigen eer en tijdelijk goed, maar zijn zeer traag waar het er op aankomt de eer van God te zoeken(50). Hoe zwaar deze laatste beschuldiging ook moge klinken, toch komt
bij haar de gedachte niet eens op het gezag van de kerkelijke overheid in het gedrang te brengen en wel:
of haar het recht te willen betwisten de interpretatie van de ‘Schrifture’ vast te stellen. Ze vindt het integendeel bespottelijk dat leken zich durven opwerpen als ‘doctoren’ in de theologie:
Ze staat ook zeer wantrouwend tegenover de ‘clappaerts’, die er een zichtbaar genoegen in vinden de geestelijkheid van allerlei gebreken en ondeugden te beschuldigen. Ze ziet er een middel in om de Kerk en haar leer in het gedrang te brengen. Ze neemt de priesters tegen hun aanvallen in bescherming(53) en raadt de ‘clappaerts’ aan maar liever op hun eigen gebreken te letten:
Zekere kerkelijke practijken als Heiligenverering en Vasten
blijft ze hardnekkig verdedigen. Ze vindt het ongehoord dat de aanhangers van de nieuwe leer er niet voor terugschrikken den Vrijdag ‘vette capunen’ te eten(55) en neemt in haar polemische bundels opzettelijk Refreinen op ter ere van de H. Maagd(56).
Hier staat ze eveneens in volledige tegenstelling met de hervormingsgezinde Refreindichters, die vinnig te keer gaan tegen de Heiligenverering welke als ‘Babilonische afgoderije’ en ‘heydense sede’ aan de kaak wordt gesteld. Passages uit het Oud Testament die betrekking hebben op de verfoeide heidense afgoden worden eenvoudig op de Heiligenverering toegepast. Zo is het Refrein op den stok: ‘Hoe moghen sij dan heylighen gheheeten sijn’ een paraphrase van het 6e kapittel van Baruch(57). Zij die hun betrouwen stellen in beelden en de Heiligen vereren zijn ‘ongoddelijcke afgodisten onreyne’, want Christus is voor onze zonden aan het Kruis gestorven:
Het Vasten wordt ook als een ‘superstitie’(59) of ‘beveynsheit’(60) gebrandmerkt en afgewezen met verwijzing naar ‘Godts Woort’.
De Hervorming wordt echter niet enkel hierdoor gekenmerkt dat ze uit de leer van de bestaande Kerk de elementen wil verwijderen die met het ‘Woord Gods’ onverenigbaar zijn, ze heeft ook een positief aspect. Een centraal geloofspunt, dat karakteristiek is voor heel de Hervorming, is de Rechtvaardiging door het geloof in Christus die als enig Middelaar wordt erkend. Vandaar de nadruk die de Hervormers leggen op het geloof; en verder de onverdienstelijkheid van de goede werken en de verwerping van het priesterschap. Zo ook in de hervormingsgezinde Refreinen. Zij die niet geloven zullen door God verdoemd worden:
De mens is van nature zondig en niet in staat uit zichzelf een goed werk te verrichten:
Het Priesterschap wordt verworpen: ‘Laet v genoech zijn / dat ghy God deur Christum kent’(63), want ‘Hy is ons Middelaer alleene’(64) en onze ‘advocaet’ bij den Vader:
Tegen al deze opvattingen zien wij Anna Bijns heftig reageren. In het Refrein op den stok: ‘Gheloove sonder wercken en maect niet salich’(66) bestrijdt ze, gewapend met talrijke Bijbelcitaten, de rechtvaardiging door het geloof alleen en stelt daartegenover de opvatting van het geloof dat door de liefde werkt:
Dit alles is echter niet veel meer dan theologie op rijm. Eerst dan kunnen we van poëzie spreken wanneer de hervormingsgezinde Rederijkers, meestal in aansluiting bij het Hooglied, hun liefde uitzingen voor den Hemelsen Bruidegom of uiting geven aan hun gevoelens van smart van Hem gescheiden te zijn en nog te moeten wonen ‘op die Babilonische rivieren’. ‘Ghelijc een gheiaecht hert met pijne... Dorstich begeert die coele vloeyende fonteyne’, zo verlangt de dichter ernaar bij zijn ‘lieff’ te zijn ‘in shemelsch pleyne’(67).
Het is ook Christus die hen zal troosten in de beproeving en de vervolging die ze om wille van Zijn Woord van de ‘goddeloosen’ moeten verduren:
Hij waarschuwt Zijn Bruid dat ze er zich niet moet over verwonderen vervolgd te zullen worden. Het is ook Zijn deel geweest:
Hij spoort ze aan standvastig te blijven tot het einde en Zijn Woord te blijven verkondigen, want ‘Al verschuerense u lichaem, als een schaepken opt velt, - U siel is vrij... Bij de stercke verwinders wort ghy eeuwich ghestelt’(69).
De stukken die op de geloofsvervolgingen betrekking hebben zijn in beide verzamelingen bijzonder talrijk. Hier vooral klinkt de tragiek van deze tijden op. Nu eens wordt de heerlijke poëzie van de Psalmen in statige rhythmen nagedicht(70), dan weer richten de dichters zich met verontwaardiging tot hun vervolgers.
De dichter van het Refrein op den stok: ‘Wee hem, die wel wetende twoort Godts persequeert’(71) neemt als uitgangspunt de invectieven van Christus aan de Phariseeërs en keert zich vervolgens tot de ‘Gheestelicke persoonen, pausen, cardinalen, bisschoppen’, die de gelovigen uit hebzucht ‘met valsche superstitien’ hebben beladen. Hij spaart ook de wereldlijke gezagdragers niet die ‘wt gierighe fondatie’ onrechtvaardige ‘sententiën’ uitspreken:
Een andere dichter komt in opstand tegen de Plakkaten die bepalen ‘Datmen int Vlaemsche / Walsch noch in Latijne Godts Woort niet lesen en sal’ en de bijeenkomsten verbieden. Zo beveelt de keizer het, ‘Maer den keyser en behoort tegen Gods Woort niet te wesen’(72).
In het Refrein op den stok: ‘Ghy zijt schoone / ten thoone / maer tghebreeckt v aen tbeste’(73) is waarschijnlijk een prediker van de nieuwe leer aan het woord die zich verplicht ziet zijn stad te verlaten om aan de vervolging te ontsnappen. Ontroerend maar toch vol vertrouwen klinkt zijn adieu:
Het zou van onzen kant wellicht ietwat hardvochtig kunnen lijken naast deze smartelijke klachten van vervolgden een uitlating van Anna Bijns te plaatsen waarin deze nog op scherpere vervolging van de ‘ketters’ aandringt(74). We moeten echter tot haar verdediging inbrengen, dat, toen de Antwerpse dichteres dit deed, de geloofsvervolgingen nog niet den vorm hadden aangenomen welke in de door ons besproken ‘Schriftuurlijke’ Refreinen zijn weerslag vindt.
Bij onze behandeling van de Schriftuurlijke Refreinen hadden we nog een drietal andere bundels kunnen betrekken: London, British Museum, hs. Sloane, Nr. 1174, de Refreinenbundel van Jan De Bruyne en London, British Museum, hs. Harley, Nr. 5215(75). De eerste verzameling bevat inderdaad heel wat stukken met een nu eens minder, dan weer meer uitgesproken reformatorische strekking, maar daarnaast staan dan echt Laat-Middeleeuwse Lofrefreinen, die bewijzen dat het den verzamelaar enkel om de ‘const’ te doen was en zeker niet om het samenstellen van een homogeen hervormings-gezinden bundel. Daarbij komt dat het soms heel moeilijk is uit te maken of we al dan niet voor een product staan van reformatorische
inspiratie(76). We zouden ongeveer hetzelfde kunnen zeggen van den Refreinenbundel van Jan De Bruyne. Ook deze is een bloemlezing waarin katholieke naast hervormingsgezinde stukken voorkomen. Hier is het onderscheid echter gemakkelijker te maken doordat de meeste Refreinen dagtekenen uit de periode toen de tegenstelling katholiek-reformatorisch reeds duidelijker vormen had aangenomen. Toch zullen we de Schriftuurlijke Refreinen uit deze verzameling beter in de volgende twee hoofdstukken ter sprake brengen, omdat ze van wedstrijden afkomstig zijn of aan bekende Rederijkers worden toegeschreven. Blijft dan nog London, British Museum, hs. Harley, Nr. 5215, dat tothiertoe nooit in zijn geheel werd onderzocht. Het bevat 45 Refreinen, waaronder 25 ondertekend met de spreuk ‘Infortunatus procul amicus’ en 18 met het devies ‘Naer hoepe jolijt’. Deze laatste zijn op 2 na gedateerd tussen Mei 1547 en December 1552. Ten minste 6 hiervan werden speciaal voor een wedstrijd vervaardigd(77).
De Refreinen uit London, British Museum, hs. Harley, Nr. 5215 zijn vooral voor den Kerkhistoricus van belang. Het zijn dorre en soms duistere theologische uiteenzettingen zonder literaire hoedanigheden. We leren er echter twee Rederijkers uit kennen: ‘Infortunatus procul amicus’, een uitgesproken voorstander van de Hervorrning en, ‘Naer hoepe jolijt’, eerder een vrijzinnig katholiek.
De reformatorische gezindheid van ‘Infortunatus procul amicus’ blijkt bijvoorbeeld zeer helder uit volgenden passus waarin zowel het Priesterschap als de H. Mis worden verworpen:
De Rederijker met de spreuk ‘Naer hoepe jolijt’ daarentegen beschouwde zichzelf waarschijnlijk nog als een trouw zoon van de Kerk. Hij neemt de H. Maagd tegen de ‘ketters’ in bescherming.
Zijn opvatting van de ‘werken’ is orthodox:
Andere uitlatingen daarentegen getuigen van sympathie voor hervormingsgezinde denkbeelden. Rederijkers van het soort van ‘Naer hoepe jolijt’ zullen er wel meer zijn geweest; die ervan overtuigd waren dat de nieuwe religieuze gedachten, zoals ze door sommige Hervormers werden verspreid, zo maar niet moesten verworpen worden en ook heel wat goeds bevatten. Andere katholieke Rederijkers, die weinig voelden voor de nieuwe lering, zetten rustig de Laat-Middeleeuwse traditie voort maar voelden zich daarom nog niet geroepen de ‘ketters’ te gaan bestrijden. Dat Anna Bijns in dit opzicht wel een alleenstaand geval schijnt te zijn geweest, blijkt duidelijk uit het stuk van een Rederijker ‘uuter vlaemscher waranden’, waarin deze hulde brengt aan de Antwerpse dichteres voor den ijver die ze tegen de ketters aan den dag legt. Volgende twee verzen zijn echter veelbetekenend:
De Beeldenstorm (1566) zou nodig zijn om aan deze onverschilligheid een einde te stellen en de Calvinistische dictatuur in steden als Brussel, Gent en Antwerpen zou een krachtiger verzet van de katholieke Rederijkers uitlokken. Maar deze waren een minder-
heid. De meeste ‘fraeye ingienen’ waren onverschillige katholieken of voorstanders van de Hervorming, die dikwijls actief deel hebben genomen aan den strijd tegen Spanje. Wanneer Farnese dan rond 1585 de Zuidelijke Nederlanden herovert, zullen vele Rederijkers er de voorkeur aan geven naar het Noorden uit te wijken en er zich weldra helemaal ingeburgerd voelen.
De periode van 1566 tot 1585 behoort tot de meest dramatische van onze geschiedenis. Toch is de weerslag van de snel op elkaar volgende gebeurtenissen op de Refreinliteratuur minder groot dan we zouden verwachten. Van katholieke zijde krijgen we commentaar over den Beeldenstorm (1566)(82), de inneming van Sint-Truiden door de troepen van den Prins van Oranje (1568)(83), de toestanden te Vlissingen in 1572 en te Antwerpen onder het Calvinistisch bewind en het beleg door Farnese(84), den dood van den Prins van Oranje (1585)(85). De gebeurtenissen in Gent en omgeving tussen 1576 en 1584 hebben eveneens katholieke Refreindichters aangezet tot het schrijven van heftige en persoonlijke aanvallen tegen den Prins en zijn aanhangers, die echter maar al te duidelijk bewijzen dat godsdienstig en politiek fanatisme niet noodzakelijk de poëtische bezieling met zich meebrengt(86). Dit laatste geldt natuurlijk evenzeer voor de enkele Refreinen die in het Geuzenliedboek(87) en in andere verzamelingen(88) voorkomen. Na den Beeldenstorm wordt het Refrein overigens stilaan verdrongen door het Geuzenlied, dat aan de dichters minder zware technische eisen stelde, minder statig was van allure, maar ook beter geschikt om, nu eens juichend, dan weer klagend, de vele episodes van den strijd tegen Spanje als het ware te commenteren.