Voor nadere inlichtingen over de Refreinfeesten blijven we nog steeds aangewezen op het overigens reeds lang verouderde werk van G.D.J. Schotel(1). De grotere literatuurgeschiedenissen laten dit onderwerp liefst ter zijde liggen, naar onze mening echter zeer ten onrechte. Inderdaad, een nadere kennismaking met de Refreinfeesten levert niet enkel een directe bijdrage tot de geschiedenis van het Refrein zelf, - en als zodanig dient er hier reeds een plaats aan ingeruimd - doch opent tevens onzen blik op de organisatie van het letterkundig leven in den Rederijkerstijd, alsook op de rol die de Rederijkers uit een religieus en politiek oogpunt hebben gespeeld. Het lijkt dan ook gewenst, hier in het bijzonder onze aandacht te wijden aan betekenis en inrichting van de Refreinfeesten en tevens een overzicht te geven van hun geschiedenis tot c. 1600 om ook hier de grens niet te overschrijden, die we in het begin van dit werk hebben aanvaard(2).
Het is begrijpelijk dat vooral in tijden van gisting, toen bovendien niet zoveel gereisd werd, samenkomsten als Landjuwelen en Refreinfeesten voor de verspreiding van nieuwe denkbeelden een uiterst geschikt terrein bleken. Hun betekenis in dit opzicht is dan ook zeer groot. Het zich vermeien in processiën, optochten en opvoeringen, waarin een mateloze luister werd ten toon gespreid, is verder een typische trek uit het karakter van ons volk.
Dit alles geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de Landjuwelen met hun weelderige optochten, hun ‘Intreden’ met praalwagens, hun toneelvoorstellingen die soms dagen achtereen duurden, hun duizenden toeschouwers uit alle hoeken van onze gewesten samengekomen, die een gretig oor leenden aan de in de stukken uit een religieus en politiek oogpunt veelal tendentieus voorgestelde lering. De Refreinfeesten, met hun voordracht van kortere stukken, die gewoonlijk in het kamerlokaal zelf werden uitgesproken, voor een beperkter publiek met meer uitgesproken literaire pretenties, zullen
in dit opzicht wel van geringer draagwijdte zijn geweest. Toch dienen we ook hun betekenis niet te onderschatten, vooral wanneer we er rekening mee houden dat sommige van de voorgedragen stukken door kunstliefhebbers in hun verzamelbundels werden overgeschreven, of zelfs uit de producten van dergelijke Refreinfeesten afzonderlijke bundels werden samengesteld en door den druk in breder kring verspreid. Langs dien weg zullen ze hun werking op de gemoederen ook niet hebben gemist. Wat uitwendigen pronk en organisatie betreft waren ze voorzeker niet met de Landjuwelen te vergelijken, hoewel enig uiterlijk vertoon, vooral in de tweede helft van de XVIe eeuw, niet werd versmaad.
We zagen reeds hoe in verschillende Kamers, onder meer te Gent en te Brugge, de gewoonte bestond, en dit vanaf de XVe eeuw, op geregelde tijdstippen onder de leden zelf wedstrijden te houden, soms ‘scolen van rethoriken’ genoemd, waar Refreinen werden voorgedragen(3). Over deze locaal gekleurde Refreinfeesten, - want hiertoe mogen deze bijeenkomsten naar we menen gerekend worden, - bezitten we slechts weinig gegevens en we zullen in dit hoofdstuk dan ook in hoofdzaak over de eigenlijke Refreinfeesten handelen, waarmee dan wedstrijden tussen verschillende Kamers worden bedoeld.
De benaming zelf ‘Refreinfeest - Blazoenfeest’ ontmoeten we voor het eerst in de Ordonnantie van de Antwerpse Kamer ‘De Violieren’ (1480). Daar vernemen we dat de Prins, die dit ambt gedurende drie jaar waarnam, ertoe gehouden was ‘syn prinsdom te verheffen binnen synen tyt met een heerlyck blasoen ofte refereyn feeste toe welcken hy sal gehouden syn prysen op te stellen ten minste weerdich wesende vyftich guldens oft meer naer syne geliefte’(4): alle drie jaar moest hij dus een Refreinfeest inrichten en zelf voor de te winnen prijzen zorgen. In de Brusselse Kamer ‘De Corenbloem’ werd jaarlijks een Prinsfeest, dit is een Refreinfeest, gehouden, waarvan het meest bekende dat is van 1562, waar talrijke Rederijkers uit Brabant, Vlaanderen, Holland en Zeeland aan deelnamen. We kunnen gerust aannemen dat ook in andere verenigingen dergelijke gewoonten moeten hebben bestaan, want zowel in de tweede helft van de XVe, als geheel de XVIe eeuw door, waren de Refreinfeesten zeer in den smaak van onze voorouders gevallen. Het gebeurde zelfs dat aan een Landjuweel nog een Refreinfeest werd toegevoegd. Dit was onder meer het geval te Gent in 1539, waar het Refreinfeest enkele weken vóór het eigenlijke Landjuweel plaats had, en in 1561 te Antwerpen en te Rotterdam.
Wanneer een Kamer eraan dacht, een Refreinfeest in te richten, diende ze hiervoor vooreerst vanwege de overheid de toelating te verkrijgen. Deze werd niet altijd verleend. Gewoonlijk was dit echter wel het geval en werd dan een uitnodiging, ‘Cha(e)rte’(5) genoemd en meestal in verzen gesteld, aan de leden van de Kamer en andere kunstliefhebbers binnen de stad, - wanneer het om een plaatselijk Refreinfeest ging - ofwel aan de Kamers van één of meer gewesten: Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland, gestuurd. Deze uitnodigingen werden in vele gevallen gedrukt. Op het Gentse Stadsarchief berusten nog een viertal dergelijke gedrukte uitnodigingen, waarvan twee door de Brugse Kamer: ‘De Heilige Geest’ en twee door ‘De Drie Santinnen’ uit dezelfde stad tussen de jaren 1570 en 1573 voor Refreinfeesten van meer localen aard werden ‘uytghesonden’(6). De ‘cha(e)rte’ van een Refreinfeest werd soms vooraan in den bundel, die de producten van den wedstrijd bevatte, afgedrukt. Zo zijn ons onder meer ‘cha(e)rten’ bewaard van de Refreinfeesten te Rotterdam (eenzelfde ‘cha(e)rte’ voor het Landjuweel en het Refreinfeest), te Brussel (1562), te Delft (1581), te Leiden (1596) en te Rotterdam (1598).
Wanneer ze de uitnodiging ontvangen had, die alle met het oog op den wedstrijd van belang zijnde inlichtingen bevatte, diende vooreerst iedere Kamer die aan den wedstrijd wenste deel te nemen dit vooraf aan de inrichtende vereniging te laten weten. Gewoonlijk werd hierbij een uiterlijke datum vastgesteld. Zo kon de inrichtende Kamer zich een denkbeeld vormen van het aantal ‘logys’, waarvoor ze te zorgen had(7), en beschikte dus over den nodigen tijd om voor iedere vereniging een ‘herberg’ uit te zoeken en de voldoende hoeveelheid wijn te bestellen, waarmee de Kamers bij hun aankomst werden ‘beschonken’.
De uitnodiging zelf bevatte alle nadere bijzonderheden over de te beantwoorden ‘vragen’ en de toe te kennen prijzen. De vorm van
het Refrein was meestal nauwkeurig bepaald. Zowel het aantal strophen als het aantal regels per strophe was opgegeven, zelfs de verslengte werd soms aan zekere bepalingen onderworpen. Ook de inhoud van de Refreinen was opgegeven doordat ofwel een ‘vrage’ in een stuk moest beantwoord worden, ofwel de ‘stok’ eenvoudig was opgegeven(8).
Een gewoon Refreinfeest duurde slechts één dag. Rond het einde van de XVIe eeuw schijnt echter de neiging te bestaan, den wedstrijd tot 3 en 4 dagen te laten duren. Het gebeurde niet zelden, dat de uitgenodigde Kamers, die gewoonlijk den dag vóór den eigenlijken wedstrijd in de stad aankwamen, door de inrichtende vereniging niet enkel op een glas wijn, maar bovendien op een gedicht werden onthaald, welken welkomstgroet ze dan in een Refrein of Ballade beantwoordden.
De eigenlijke wedstrijd bestond in het voordragen van de Refreinen(9), wat gebeurde in een volgorde door loting aangeduid. Dat aan de voordracht belang werd gehecht, blijkt uit de omstandigheid, dat hiervoor een speciale prijs werd toegekend. De vraag is nu echter, wat de Rederijkers onder het ‘best pronunchieren’ hebben verstaan. Hier ontbreekt ons natuurlijk iedere nadere aanwijzing, tenzij wellicht volgend voorschrift uit de ‘cha(e)rte’ van Rotterdam (1561):
wat er op schijnt te wijzen, dat een natuurlijke voordracht werd gewenst(10).
Wie bij deze wedstrijden als beoordelaars optraden, is niet altijd duidelijk uit te maken. In den instelbrief van de Gentse Kamer ‘De Fonteine’ (1448) komt in dit verband een passus voor, die weliswaar niet zozeer voor een eigenlijk Refreinfeest kan gelden, als wel voor een wedstrijd onder de leden van eenzelfde Kamer:
Item zo wie prys int gheselscip vphanght omme naer te dichtene nes selue niet sculdich te zine over de terminatie
of vonnesse vande dichten daer naer ghedicht nemaer mach kiesen sekere personen toe dinckende omme die te visenteerne ende jugierne ende ooc zijn opinien ende meeninghe ouergheuen dien juge bij ghescrifte of mondelic omme hemlieden daer vp te bet fondeerne Ende vp dat dan die Juge of Jugen ghescil hadden ende daer waeren ij dichten daer den prijs alleenlic vpstonde zo sullen die Jugen by hemlieden roupen de ghuene die daer naer dien prijs ghedicht sullen hebben ende niet winnen moghen omme met hemlieden dien te jugierne wel verstaende dat met onrechtueerdighen dichte oft dorpernie gheenen prys te winnene sal wesen...’(11)
Het lijkt dus waarschijnlijk dat de persoon of de Kamer die het feest inrichtte en ook voor de prijzen zorgen moest, als beoordelaar optrad, maar dat deze ook nog op anderen kon beroep doen. In de meeste gevallen zal dit wel de Prins van de vereniging zijn geweest, hierin bijgestaan door enkele bekende en invloedrijke personen, zoals te Delft in 1581 ook het stadsbestuur. In de ‘cha(e)rte’ van Rotterdam (1561) vernemen we ‘neutrale jugen zullen oordeelen’, dus personen wier Kamer geen actief deel had in den strijd.
De prijzen, die op het einde van het Refreinfeest werden uitgereikt, bestonden uit zilveren, koperen en tinnen voorwerpen, ook wel uit ‘stoopen’ wijn. Gewoonlijk werd bij iedere categorie Refreinen één tot drie prijzen toegekend. De aard van deze prijzen weerspiegelt nogal trouw de respectievelijke waardering van de drie verschillende categorieën, in dalende volgorde: ‘int vroede’, ‘int amoureuze’ en ‘int zotte’. Daarnaast waren er nog verscheidene andere prijzen; waarschijnlijk was dit zo geschikt om zoveel mogelijk iedereen tevreden te stellen. Er waren prijzen voor het ‘best pronunchieren’, ‘het schoonste blazoen’, ‘de schoonste intrede’, ‘het verste komen’... Toch gebeurde het dat Rederijkers, wier producten niet bekroond waren geworden, hierover ontevreden, de schuld aan de beoordelaars gingen wijten. In den bundel van Delft wordt hier zeer duidelijk op gezinspeeld(12). Zoiets zal wel meer zijn gebeurd.
Wat er met de Refreinen, op wedstrijden voorgedragen, gebeurde, is niet altijd geweten. Het is waarschijnlijk dat ze op het archief van de Kamers werden bewaard, waar ze door de liefhebbers konden
geraadpleegd worden en afgeschreven in hun verzamelbundels. Zo zijn ons de stukken bewaard van enkele Antwerpse Refreinfeesten die voorkomen in den Refreinenbundel van Jan De Bruyne. Bij belangrijke Refreinfeesten werden ze soms in een bundel verenigd en gedrukt. Dit is het geval geweest met de producten van de Refreinfeesten te Gent (1539), Rotterdam (1561), Brussel (1562), Heenvliet (1580), Brussel (1581), Delft (1581), Leiden (1596) en Rotterdam (1598). Dit zijn dan ook onze voornaamste bronnen voor de geschiedenis van de Refreinfeesten waarvan we nu zullen trachten een meer uitvoerige schets te ontwerpen dan tot hiertoe is geschied.
De oorsprong van de Refreinfeesten is nauw met dien van het Refrein zelf verbonden. We kunnen zelfs veronderstellen dat beide rond hetzelfde tijdstip, in het begin van de XVe eeuw, uit Noord-Frankrijk werden overgenomen. Wanneer we er rekening mee houden dat reeds in de XIVe eeuw dergelijke wedstrijden in Noord-Frankrijk bestonden, waar vooral Ballades - dichtsoort die zoals we reeds zagen als prototype van het Refrein te beschouwen is - werden voorgedragen en dit in steden als: Rouen, Arras, Abbeville, Amiens, ten Zuiden van Vlaanderen gelegen, dan lijkt deze veronderstelling zelfs heel waarschijnlijk. Niet zonder betekenis is in dit verband de omstandigheid dat één van de vroegste ons bekende Refreinen voor een wedstrijd werd gedicht(13). In 1448 is er sprake van dichtoefeningen in een Gentse Kamer(14) en den 10n September 1459 heeft te Veurne een dichtwedstrijd plaats waar Refreinen worden voorgedragen(15). We zien dus dat zowel Refreinen als Refreinfeesten van den beginne af aan samen en in onderling verband opduiken. En dit zal zo blijven heel hun geschiedenis door tot het begin van de XVIIIe eeuw(16), wanneer de laatste Refreinen werden geschreven en ook de laatste Refreinfeesten plaats hebben gehad.
Er is overigens een vormeigenaardigheid van het Refrein die hier duidelijk op wijst en tevens het bewijs levert dat Refreinen en Refreinfeesten naar den oorsprong nauw verbonden zijn geweest. Het is de ‘Prince’, benaming waarmee onze Rederijkers het Franse ‘envoi’ hebben weergegeven. Dit bevatte oorspronkelijk de opdracht tot den Prins van de Kamer en dit is ook nog later dikwijls het geval.
De gewoonte, hiermede ook andere personen toe te spreken, schijnt wel een verdere ontwikkeling te betekenen. Deze eigenaardigheid typeert het Refrein zeer scherp als een genre speciaal voor dichtwedstrijden bestemd.
Wat we over het Refrein hebben laten opmerken, geldt dan ook voor de Refreinfeesten. Over hun geschiedenis tot omstreeks 1530, laten we zelfs zeggen tot 1539, jaar waarop het bekende Refreinfeest te Gent plaats had, bezitten we slechts weinig gegevens. Dit is natuurlijk te wijten aan de gebrekkige overlevering voor deze periode. Van de Refreinen, die ons uit deze jaren bewaard zijn, weten we meestal niet eens of we al dan niet met producten van wedstrijden te doen hebben. Dit is ook gewoonlijk niet uit te maken, tenzij in het stuk rechtstreeks gezinspeeld wordt op een wedstrijd(17) of in het ‘envoi’ de Prins van een Kamer wordt toegesproken(18). Nadere aanduidingen hierover onderaan het stuk ontbreken, althans voor deze eerste periode(19).
Er is echter nog een ander middel dat ons op het spoor kan brengen van Refreinen die van wedstrijden afkomstig zijn. We zagen reeds dat bij zekere Refreinfeesten de stok soms eenvoudig opgegeven werd. Wanneer we dan Refreinen ontmoeten op denzelfden stok, kunnen we met grote waarschijnlijkheid aannemen dat we te doen hebben met stukken die voor eenzelfde Refreinfeest bestemd zijn geweest. Dit is echter ook alles wat we erover kunnen zeggen. Zo komen in den Refreinenbundel van Jan van Styevoort een tweetal niet onbelangrijke reeksen Refreinen voor op denzelfden stok. De overeenkomst in den vorm maakt het waarschijnlijk dat deze stukken producten zijn van één of twee Refreinfeesten, waarover we geen nadere aanduidingen bezitten.
Van 5 Refreinen uit dezen bundel luidt de stok telkens ‘Wat
vintmen menighen lepen hase’(20). Het loont wel de moeite, eens na te gaan hoe de verschillende dichters het hun opgegeven thema hebben begrepen en ieder naar eigen talent en vinding hebben opgevat en uitgewerkt. De Refreindichter van Nr. 70 vatte zijn thema op in den vorm van een allegorisch droomvisioen. In Nr. 72 integendeel wordt de waarheid van den opgegeven stok ‘bewezen’ aan de hand van een concreet geval. We vernemen er hoe een ‘lustich vrouken niet oud van daghen’, door haar lief in den steek gelaten, het bij haar vroegeren minnaar nog eens gaat wagen en afgeweken wordt; waarop de zedenles volgt. Nr. 74 werd meer algemeen gehouden en lijkt ons dan ook veel minder geslaagd. Nr. 76 brengt het avontuur van een ‘beschauen ioncker licht en beroijt’, die in het stuk treffend en realistisch wordt getypeerd. In Nr. 78 ten slotte vertelt de dichter hoe hij getuige was van het onfortuinlijk geval van twee geliefden die bedrogen uitkwamen. We zien dus dat verscheidene dichters hun taak vrijer hebben opgenomen. Het opgegeven thema werd liefst met een grappig voorval geïllustreerd.
De andere reeks omvat 6 Refreinen op den stok: ‘Es dit niet ter werelt een paradys’(21). In deze stukken wordt telkens de volmaakte huwelijksliefde verheerlijkt. De dichters trachten er met behulp van doorgaans geslaagde, soms zelfs raak realistisch gekleurde tafereeltjes de vreugden van den huwelijken staat te beschrijven en aldus tot de gevraagde conclusie te komen dat het huwelijksleven als het ware een paradijs op aarde is. Het beeld dat ons hier geboden wordt is eigenlijk niet onwaar, het is enkel eenzijdig geïdealiseerd en beantwoordt zeker niet aan den werkelijken stand van zaken, evenmin overigens als hetgeen we in het comische toneel van den tijd over het huwelijksleven vernemen waar in tegengestelden zin wordt overdreven. Eén van de Refreindichters was echter waarschijnlijk te nuchter aangelegd, om dat alles zonder protest te verkondigen. Hij moest echter zijn taak volbrengen: de volmaakte huwelijksliefde bezingen en hij heeft dit dan ook gedaan. Toch vergat hij niet er in de ‘Prince’ nogal ontnuchterd en tevens grappig aan toe te voegen(22):
De vrij hoge literaire waarde van deze stukken kan ons slechts doen betreuren dat we over de vroegere Refreinfeesten, die voorzeker heel wat merkwaardigs hebben opgeleverd, zo weinig concrete gegevens bezitten. Het voornaamste dat we omtrent de Refreinfeesten van vóór 1539 konden bijeenbrengen komt dan, afgezien van den dichtwedstrijd van Veurne in 1459 waarop we reeds wezen, hierop neer.
De ‘Liggeren’ van de Sint Lucasgilde lichten er ons over in, dat de Antwerpse Kamer ‘De Violieren’ in 1491(28), 1494(29), 1501(30) en 1509(31) Refreinfeesten inrichtte. Verder vernemen
we er dat Jan Casus, die herhaaldelijk ‘regeerder’ van de Sint Lucasgilde was en elders ‘boeckscryvere’ en schilder wordt genoemd, uit naam van ‘De Violieren’, in 1491(32) en in 1501(33) te Mechelen, bij wedstrijden door ‘De Pyoene’ ingericht, ‘den hoghen prys’ van het Refrein won, terwijl hij er in 1501(34) te Brussel in slaagde ‘ij tennen potten’ weg te kapen. Uit de Lierse stadsrekeningen vernemen we dat de Leuvense Rederijkerskamer ‘Het Roosje’ in 1504 een Refreinfeest ‘opstelde’ waaraan onder meer de twee Kamers uit Lier ‘De Jennette’ en ‘De Ongeleerde’ deelnamen(35). Ten slotte werden nog onlangs uit het enig bekend exemplaar van ‘Een scoone contemplacie opten psalm Miserere mei deus’, een ongedateerden druk van Thomas van der Noot, (c. 1516), interessante gegevens bekend gemaakt over twee theologisch georiënteerde Refreinfeesten in 1512 te Brussel gehouden. Dit jaar werd namelijk door de Rederijkerskamer ‘Den Boeck’ een dichtwedstrijd ingericht voor ‘tschoonste lof van Maria ontfanckenes’. Vijf prijzen waren uitgeschreven ‘voor dye van buyten’. Antwerpen behaalde den eersten en den vijfden, Leuven den tweeden, Gent den derden, Diest den vijfden prijs ‘ende een Antwerpsche maecht van vijftien iaren had oock wat’. De eerste van de drie prijzen ‘voer die van binnen’ viel een Dominicaan, broeder Jacop van Eenghem, ten deel, wat grote vreugde in zijn klooster verwekte. In 1512 werden verder nog ‘xlviij schoon louen te bruesel voer die camer vander rhetorijcken gheheten dboeck int openbaer ten tenneele ter eeren van maria conceptie heerlick ghelesen voer doctoren ende veel groote gheleerde mannen, diet iugierden’(36). Dit is dan vrijwel alles wat we over de Refreinfeesten van vóór 1539 konden bijeenbrengen. Wellicht is nog een en ander te vinden in ons niet bekende of niet toegankelijke
archiefbronnen. Veel zal het in ieder geval niet zijn en daarbij, wat hebben we ook aan een eenvoudige vermelding(37), wanneer de stukken die er werden voorgedragen niet bewaard zijn en we ons dus geen oordeel kunnen vormen over hun betekenis en hun letterkundige waarde. Daarom stappen we maar liever onmiddellijk over naar het bekende Refreinfeest te Gent in 1539 en beginnen hiermee de tweede periode in de geschiedenis van het Refrein: van 1539 tot 1600.
Een zestal weken vóór het beroemde Landjuweel, door de Gentse Kamer De Fonteine in 1539 ingericht, had op 20 April te Gent een Refreinfeest plaats dat waarschijnlijk als voorspel tot het Landjuweel was bedoeld.
Over dezen wedstrijd is ons eigenlijk weinig meer bekend dan hetgeen uit de bewaarde Refreinen zelf af te leiden valt(38). Uit den gedrukten bundel weten we dat de drie bekende categorieën vertegenwoordigd waren. De ‘vrage’ voor het Refrein ‘int vroede’ luidde: ‘Wat dier ter waerelt meest fortse verwint’; de ‘vraghe’ voor het Refrein ‘int zotte’: ‘Wat volck ter waerelt meest zotheyt tooght’. De ‘stok’ van het Refrein ‘int amoureuze’: ‘Och moghticze spreken, ic ware ghepaeyt’, was opgegeven.
Door de 19 Kamers werd telkens op de drie ‘vragen’ geantwoord. Nadere aanduidingen omtrent de dichters komen in de gedrukte bundels niet voor. De 19 verenigingen, die aan het Refreinfeest en enkele weken later aan het Landjuweel deelnamen, waren, in de volgorde waarin de Refreinen in den gedrukten bundel voorkomen en waarin ze naar alle waarschijnlijkheid ook werden uitgesproken:
| Brugge(39), De Helighe Gheest, ‘Mijn werc es hemelic’. |
| Leffinge, De Jesusten of De Fonteyne, ‘Altoos doende’. |
| Ieper(40), Alpha en Omega, ‘Spiritvs vbi vvlt spirat’. |
| Meesen (benaming onbekend), ‘Hoe ick labuere met pynen duere’ of ‘Met pynen duer de werelt’. |
| Nieuwpoort, De Doorne Roose, ‘Van Vroescepen dinne’. |
| Nieuwkerke, De Heylige Gheest, ‘Goetwillich int herte’. |
| Antwerpen(41), De Violieren, ‘Wt ionsten verzaemt’. |
| Tielt(42), De Rose, ‘Ghebloyt int wilde’. |
| Tienen, De Fonteyne, ‘Filivs Mevs dilectvs fons gratiae et misericordiae’. |
| Aksel(43), De vier Melcteelen, ‘Broederlicke liefde’. |
| Brussel(44), Den Boeck, ‘Om be(e)ters wille’. |
| Meenen, Sint Barbara, ‘Wij hopen bruers’. |
| Oudenaarde(45), De Heylige Gheest, ‘Pax Vobis’. |
| Kaprijke, De Berkeboom, ‘Zes al int herte’. |
| Kortrijk, Sinte Barbara, ‘God voedt veel sotten’. |
| Loo-in-Veurne-Ambacht, De Royaerts, ‘Ic verrycke de Royen’. |
| Edingen(46), De Pensee, ‘Penser y fault’. |
| Sint Winoksbergen, De Royaerts of Baptisten, ‘Onruste in genoughten’. |
| Deinze, De Nazarenen, ‘Doynze om een beter’. |
We hebben reeds in vorige hoofdstukken de categorieën ‘int amoureuze’ en ‘int zotte’ gekarakteriseerd. Daarom kunnen we ons hier bepalen bij enkele opmerkingen over de antwoorden op de ‘vrage’ ‘int vroede’: ‘Welc dier ter waerelt meest fortse verwint’.
Deze luidden op één enkele uitzondering na(47): de mens als redelijk dier. De Refreinen van Brugge, Ieper, Nieuwpoort, Antwerpen, Aksel, Brussel, Menen gaven tot antwoord: de mens in het algemeen, terwijl andere Refreindichters nader specifieerden. Zo heette het in het stuk van Tielt: ‘de gheloouyghe mensche’; in het Refrein van Tienen: ‘de mensche virtuwues grootmoedigh int bestaen’; in het stuk van Oudenaarde uitvoeriger:
in het Refrein van Edingen: ‘een ghelouigh lijdtsaem Christen mensche goet’. De voorkeur van de Refreindichters van Meesen, Nieuwkerken, Kaprijke en Loo-in-Veurne-Ambacht ging naar de ‘vrauwe’. Deze keuze wordt meestal geïllustreerd met enkele figuren uit het Oud-Testament als Abigail, Micol, Esther, Dalila, Judith en anderen wier kracht en listen de mannen maar al te dikwijls tot hun schade moesten ervaren. Het antwoord van de Kamer van Leffinge ten slotte luidde: ‘de menschelicheyt Christi’; dus Christus in Zijn mensheid beschouwd.
Wat in deze stukken vooral treft is hun abstract karakter. Toespelingen op de tijdsomstandigheden komen weinig voor. Slechts in 4 Refreinen wordt de in onze gewesten zo populaire vorst Karel V genoemd, waarbij gezinspeeld wordt op den ‘pays’ dien hij zo juist met Frans I had gesloten en waarin tevens het levendige verlangen naar vrede van onze bevolking tot uiting komt. Het bewijsmateriaal voor hun uiteenzettingen, - want poëzie kunnen we deze Refreinen bezwaarlijk noemen, - ontleenden de Rederijkers van 1539 in hoofdzaak aan den Bijbel, waarmee ze bijzonder goed vertrouwd blijken te zijn geweest, alsook één en ander aan de Klassieke Oudheid. Groter is de neerslag van de Hervorming.
Deze vraag verdient echter een grondiger onderzoek waarin ook de categorieën ‘int amoureuze’ en ‘int zotte’ dienen betrokken. Vooraleer hier aan de hand van de teksten toe over te gaan, moeten we even kennis maken met de uiteenlopende opvattingen die hieromtrent bestaan.
Ph. Blommaert(48), voor zover we weten de eerste die de Refreinen van 1539 uitvoeriger heeft besproken, meent dat deze
stukken ‘meer nog dan de spelen van sinne’, die hij echter slechts oppervlakkig of zelfs helemaal niet blijkt te hebben gelezen, ‘de vrije gedachten der hervorming over de instellingen des ouden godsdiensts’ bevatten en haalt enkele passages aan waarin critiek op de geestelijkheid en zekere kerkelijke practijken wordt uitgebracht. A. De Vlaminck(49) drukt zich ietwat sterker uit: ‘De geest der Hervorming straalt in deze gewrochten ten volle door, en bewijst wat veld de leering van Luther bij de volkspoëten der XVIe eeuw reeds gewonnen had’. G.D.J. Schotel(50) gaat nog verder: ‘Ook in deze antwoorden legden de Rederijkers onbewimpeld hunne geloofsbelijdenis af, lieten zich scherp uit over de leer en de priesters der R.K. Kerk en spraken zuiver Evangelische taal’. Hij laat dan een vrij groot aantal uittreksels volgen, waaronder het Refrein ‘int amoureuze’ van Antwerpen in zijn geheel. J.F.J. Heremans(51), Edm. Vander Straeten(52) en de Bibliotheca Belgica(53) laten zich ongeveer in denzelfden zin, zij het dan ook minder scherp, uit.
De zienswijze van G. Kalff(54) staat met het voorgaande in lijnrechte tegenstelling. Volgens hem kan er in deze stukken van invloed van de Hervorming weinig sprake zijn. J. Loosjes(55) daarentegen meent weer dat ‘dezelfde gevoelens die in de zinnespelen op den voorgrond treden’ ook in de Refreinen aangetroffen worden. Hoewel hij het met G.D.J. Schotel niet helemaal eens is, toch zijn er volgens hem in de Refreinen regels genoeg ‘die, aan de tijdsomstandigheden herinnerend, geen twijfel overlaten, welke gezindheid de dichters koesterden’. Ook J. Te Winkel(56) spreekt van ‘kettersche betoogen’, in verband met de Refreinen ‘int zotte’ en wijst er verder eveneens op dat er onder de Refreinen ‘int vroede’ enkele zijn ‘die ook bij dit onderwerp hare kettersche gezindheid deden uitkomen’.
De opvatting van L. Willems en van J. van Mierlo, S.J. staat integendeel weer dichter bij die van G. Kalff. Volgens L. Willems(57) zijn deze stukken niet hervormingsgezind, maar eerder Erasmiaans
te noemen, terwijl J. Van Mierlo S.J.(58), zonder den bundel te bespreken, laat verstaan dat zijn karakterisering van de Spelen van Zinne, die volgens hem alle nog op katholiek standpunt staan, ook op de Refreinen toepasselijk is.
Het bestaan van zovele bovendien aan elkander tegengestelde opvattingen toont voldoende, dat we hier met een uiterst complexe vraag te doen hebben die nooit met de nodige sereniteit werd onderzocht. Om een dergelijk onderzoek in de mate van het mogelijke te bevorderen dienen we er rekening mee te houden dat, vooral omstreeks die jaren, de grens ‘nog katholiek’ ‘reeds hervormingsgezind’ niet zo gemakkelijk te trekken is en tussen beide allerlei schakeringen en overgangsvormen kunnen bestaan. Het is verder begrijpelijk dat zij die de nieuwe leer toegedaan waren, uit vrees voor de toepassing van de Plakkaten, niet steeds openlijk met hun mening voor den dag waagden te komen. Het moet ons dan ook niet verwonderen wanneer we er niet altijd zullen in slagen de werkelijke bedoeling van de dichters te achterhalen, maar dit wil nog niet zeggen dat omtrent de godsdienstige kleur van deze Refreinen helemaal niets met zekerheid kan worden uitgemaakt; het zet ons veeleer aan tot grote voorzichtigheid.
Een vergissing die velen van de vroegere onderzoekers hebben begaan ligt hierin dat ze, bij het nagaan van den invloed van de Hervorming op deze stukken, te veel belang hebben gehecht aan passages, waarin critiek op de geestelijkheid, bedevaarten en heiligenverering tot uiting komt. Dergelijke uitlatingen kunnen wel een niet onbelangrijke aanduiding zijn. Ze geven echter geen zekerheid daar vele van de bezwaren en verwijten die in de Refreinen van 1539 voorkomen, zij het dan ook met geringere vinnigheid en met andere bedoelingen, door trouwe zonen van de Kerk werden naar voren gebracht(59). Daarom dient vooral op den geloofsinhoud de nadruk te worden gelegd. Toespelingen op de tijdsomstandigheden kunnen ook van bijzondere betekenis zijn. Het niet vernoemen van de middelaarsrol van de Kerk, van de Heiligen, - vooral de H. Maagd, - zijn als negatieve argumenten van geringer draagwijdte(60). Ook de omstandigheid dat een werk tot de verboden boeken heeft behoord kan als bewijs gelden dat het door de toenmalige beoordelaars als ‘ketters’ werd aangevoeld. We vestigen er hier in het bijzonder de aandacht op dat de Refreinen van 1539 - en dit in tegenstelling met de ‘Spelen van Zinne’ en hoewel herhaaldelijk het tegendeel werd beweerd - op geen enkele lijst verboden boeken voorkomt(61).
Uit de XVIe eeuw zelf beschikken we dus over geen enkel klemmend bewijs dat ons toelaat tot het ketters karakter van de Refreinen van 1539 te besluiten(62).
Er blijft dan enkel nog over den tekst zelf van de Refreinen met het oog hierop te onderzoeken. We zullen hierbij als volgt te werk gaan. We beschouwen in de eerste plaats de stukken die sporen van hervormingsgezinde denkbeelden bevatten, om daarna over te gaan tot de Refreinen die hieromtrent weinig of geen aanwijzingen geven, en te eindigen met de stukken die nog op positief katholiek standpunt staan. Een doorlopende vergelijking tussen de religieuze strekking van de Refreinen en die van de ‘Spelen van Zinne’ leek ons minder aangewezen, daar we niet altijd met zekerheid weten of beide het werk zijn van denzelfden dichter(63).
Onder de stukken die sporen van reformatorische denkbeelden bevatten vernoemen we vooreerst de drie Refreinen van de Antwerpse Kamer ‘De Violieren’. Zekere uitlatingen in deze stukken wettigen het vermoeden dat de dichter van deze Refreinen de Hervorming was toegedaan of er ten minste met sympathie tegenoverstond. Ten einde dit toe te lichten, halen we uit het Refrein ‘int vroede’ volgende verzen aan, die reeds herhaaldelijk in dit verband werden geciteerd(64):
Van bijzondere betekenis zijn de volgende twee regels, een duidelijke toespeling op het onderdrukken van de nieuwe leer:
We zouden aan dezen passus niet zoveel belang hebben gehecht, was het niet dat ook in het Refrein ‘int zotte’ en ‘int amoureuze’ regels voorkomen die dit vermoeden komen bevestigen. Het Refrein ‘int zotte’ gaat niet enkel op een ongewoon heftige wijze te keer tegen de geestelijkheid en de Heiligenverering, maar het slot wijst duidelijk in reformatorische richting:
Dit is nog meer het geval in het Refrein ‘int amoureuze’, dat omtrent de godsdienstige gezindheid van den dichter weinig twijfel kan overlaten. Hij beklaagt er zich namelijk over dat hij de ‘scrifture’, die ‘bedect’ wordt gehouden door de ‘valsche leeraers vol hypocryzyen’, niet mag spreken(65). Het is vooral ‘gierigheyt’ die hen daartoe aanzet. Tekenend zijn de volgende verzen:
De dichter meent verder dat de Schriftuur toch duidelijk aangeeft ‘dat God voor ons allen heeft betaelt - Wt rechter minnen’ en vraagt zich af: ‘Waer om belast men ons dan’(66). Na zijn misprijzen te hebben te kennen gegeven voor hen die ‘den rechten wijzer stellen verdraeyt’ voegt hij hier nog veelbetekenend aan toe: ‘Ic hope de waerheyt zalze noch verwinnen’. Toch verwondert hij er zich over dat God het laat gebeuren ‘datmen schriftuere deckt met menschen practycken’, want:
Een lichte, minder uitgesproken hervormingsgezinde kleur hebben eveneens de drie Refreinen van Tielt. Dit komt reeds tot uiting in het antwoord van het Refrein ‘int vroede’: ‘de gheloouyghe mensche’, dat op de uitzonderlijke betekenis van het geloof den nadruk legde. Een toespeling op de geloofsvervolgingen uit die dagen wordt gewoonlijk gezien in de volgende regels:
Het Refrein ‘int zotte’ is in dit opzicht echter veel duidelijker. Volgens den dichter bestaan er ‘gheen meerder zotten’ dan zij die ‘zo vaste ghefondeirt’ zijn ‘op haer eyghen wijsheyt’. Ironisch wordt hieraan toegevoegd:
Daarop volgen dan vinnige invectieven op de bedevaarten en de Heiligenverering. Tegenover ‘subtyle verzierijnghe van menschen ghevonden’ wordt ‘Thelyghe woordt Gods’ geplaatst. De centrale
en exclusieve rol die Christus in het Refrein ‘int amoureuze’ bekleedt, wijst in dezelfde richting.
De drie Refreinen van Kortrijk verraden eveneens een reformatorisch bijtoontje. Het Refrein ‘int vroede’ ademt ongeveer denzelfden geest als het gelijkaardige stuk van Tielt, met den nadruk waarmee over het geloof in Christus wordt gesproken; want hierdoor overwint de mens ‘die fortse van Babel donzuuer draght’(67). Het Refrein ‘int zotte’ keert zich tegen hen die de wijsheid van de wereld volgen en ‘Godts gheest’ willen ‘verdoouen’. Hij richt zich tot ‘des waerelts vleeschelicke kinders’ en zet ze aan hun handen te reinigen ‘van het onnoozel bloet’. Wie hier door den dichter bedoeld zijn, is niet gemakkelijk uit te maken, daar de toon zeer algemeen wordt gehouden, maar toch moeten we hier waarschijnlijk aan de onderdrukkers van de nieuwgezinden denken. In deze veronderstelling is het stuk uitgesproken hervormingsgezind. Het Refrein ‘int amoureuze’ komt dit vermoeden wel enigszins bevestigen. We citeren uit dit stuk, waarin ‘die zuver waerheyt’ wordt verheerlijkt, de volgende verzen:
Hoewel deze strophe nogal duister is, toch schijnt ze moeilijk anders dan juist in reformatorischen zin te kunnen verklaard worden. Naar den inhoud vertoont ze overigens een vrij grote overeenkomst met het Refrein ‘int vroede’ en ook met het stuk ‘int amoureuze’ van de Antwerpse Kamer ‘De Violieren’. Naar we menen hebben we ook hier met een bedekte aanklacht tegen de bestrijders van de Hervorming te doen.
Naast de drie Refreinen van Antwerpen, Tielt en Kortrijk komen nog in enkele andere stukken sporen van hervormingsgezinde denkbeelden voor. Daar het meestal slechts alleenstaande uitlatingen zijn hebben ze met het oog op het bepalen van de religieuze kleur
slechts geringe waarde. We willen ze echter ook niet stilzwijgend voorbijgaan.
Het Refrein ‘int vroede’ van Nieuwpoort bevat aldus enkele regels, die wel als een bedekte toespelling in reformatorischen zin op de geloofsvervolgingen van toen zouden kunnen opgevat worden. De dichter wijst op de kracht van den mens, waartegen niets bestand is, vooral dank zij de genade van Christus:
Niet zonder betekenis is hier ook het zich herhaaldelijk beroepen op den H. Paulus(68).
Hetzelfde zou ook het geval kunnen zijn in het Refrein ‘int vroede’ van Edingen, waar eveneens het martelaarschap voor het geloof wordt verheerlijkt:
Toch zou het moeilijk vallen, hieruit alleen te willen besluiten dat de dichter van het Refrein daarom de Hervorming was toegedaan(69). Wel dienen we er rekening mee te houden dat een aanval op de Minderbroeders in het Refrein ‘int zotte’ en de verheerlijking van het geloof in Christus alleen, waarbij van de Kerk geen sprake is, in het Refrein ‘int amoureuze’, dit vermoeden komen bevestigen.
Wanneer in het stuk ‘int zotte’ van Ieper de dichter spreekt van:
dan wordt hiermede de voorspraak van de Heiligen geloochend en is dit als een afwijking van de leer van de Kerk te beschouwen. Het ontbreekt echter in dit stuk aan andere uitlatingen in denzelfden zin.
Ten slotte vermelden we hier nog het Refrein ‘int zotte’ van Loo-in-Veurne-Ambacht, dat zijn bijtenden en onmeedogenden spot richt tegen de ‘Babylonische zotten dul’ die ‘metten afgoden diemen in cassen sloot’, ‘van worms en motten vul’ over het land lopen. De critiek is hier van een heftigheid die maar moeilijk met trouw aan de Kerk is overeen te brengen.
Hiermee hebben we dan ongeveer alle passages aangehaald, die op de reformatorische strekking van de Refreinen van 1539 enig licht vermogen te werpen. De overige stukken, die de meerderheid van den bundel vormen, bevatten omtrent de godsdienstige gezindheid van de dichters geen nadere aanwijzingen of staan nog positief op katholiek standpunt. Het Refrein ‘int vroede’ van Leffinge, waar er sprake is van de H. Maagd, is in dit geval. Eveneens het stuk ‘int vroede’ van Meesen dat tot antwoord gaf: ‘Tvrauwelic dier’ en hierbij verwees naar het aandeel van de H. Maagd in het verlossingswerk. De Kamer van Tienen, die nochtans in het Refrein ‘int zotte’ den ‘opperprijs’ van de zotheid aan de ‘keyaerts metten gheschoren cranse’ had toegekend, bezong in het stuk ‘int amoureuze’ de H. Maagd, terwijl het Refrein ‘int vroede’ deze zeer duidelijke verzen bevat:
Verder brengt ook het Refrein ‘int vroede’ van Kaprijke het bewijs dat de Mariavereerders omtrent die jaren nog talrijk waren. Dezen zullen zeker niet bij de aanhangers van de Hervorming te zoeken zijn geweest. Stippen we nog aan, dat het antwoord op de vraag ‘int vroede’ van het Refrein van Oudenaarde in uitgesproken katholieken zin werd uitgewerkt(70).
Na dit alles zal het wel voldoende gebleken zijn hoe weinig de zienswijze van G.D.J. Schotel omtrent de Refreinen van 1539 met de werkelijkheid overeenkomt. De anders voorzichtiger formuleringen van J. Loosjes en J. Te Winkel zijn nog te sterk. We kunnen ons echter evenmin verenigen met G. Kalff, die in deze stukken ‘weinig’ van de Hervorming heeft bespeurd. Het omgekerede is het geval. Het zich voortdurend beroepen op de ‘Schriftuere’,
het Woord Gods, vooral op den H. Paulus; de bijzonder heftige uitvallen tegen de geestelijkheid, het in een twijfelachtig daglicht stellen van de ‘eyghen verdienste’, het belachelijk maken van bedevaarten en Heiligenverering en vooral het toekennen van een centrale en exclusieve betekenis aan het geloof in Christus, het zwijgend voorbijgaan van de middelaarsrol van de Kerk, brengen ons het bewijs dat de hervormingsgezinde stromingen uit die dagen bij de Refreindichters van 1539 een sterken weerklank hadden gevonden. Dit wil echter nog niet zeggen dat de meerderheid van deze dichters de Hervorming waren toegedaan. Afgezien van den Refrein-dichter van Antwerpen en wellicht die van Tielt en Kortrijk is er niets dat ons toelaat hiertoe te besluiten; bovendien is het zelfs voor die stukken niet uit te maken of het de bedoeling van de dichters was met de Kerk te breken. Het is dus niet onmogelijk de Refreinen van 1539 met L. Willems ‘Erasmiaansch’ of met J. van Mierlo S.J. ‘nog katholiek’ te noemen, maar dat lijkt ons toch minder aangewezen, daar beide begrippen een vrij nauwkeurig omschreven geloofsinhoud weerspiegelen, waaraan deze bundel, in zijn geheel beschouwd, niet beantwoordt. Het is daarom veiliger in deze stukken eenvoudig den weerslag te zien van de verwarring op religieus gebied, die bij ons in die jaren heeft geheerst.
De jaren na 1539 vallen samen met een nauwer toezicht van de overheid op de activiteiten van de Rederijkers. Is het hieraan toe te schrijven dat we tot 1547 moeten wachten vooraleer we weer een Refreinfeest vermeld vinden? Wat hier ook van zij, tussen 1547 en 1551 zijn niet minder dan 7 Refreinfeesten bekend: 3 te 's-Hertogenbosch: (‘Moyses Bosch’) op 16 Maart 1547: ‘vrage’: ‘Wie in sheeren Tabernakel woonen sall’; op 3 Mei 1547: ‘vrage’: ‘Grondeert dan niet mensche doordeelen des Heeren goett’ en op 24 Mei 1549: ‘vrage’: ‘Hoet comt dat sweerelts wijsen meest doolen duert liefflyck betrapen der schrifftueren vol goeder soeter secreten’, één te Lier eveneens in 1549(71); twee in Juli 1550; één te Mechelen, ingericht door De Lischbloem: ‘vrage’: ‘War om de kynders haer auders eerlyck niet lieuer en hebben / dan zij en doen’ en een andere wedstrijd uitgaande van een Rederijkerskamer Het Olyfbloemken: ‘vrage’: ‘Wat sweerelt meeste quaet is dat minst gestrafft wort’; één georganiseerd door De Roose te Leuven op 3 Mei 1551: ‘vrage’: ‘Wat is tblyste wonder / dat meest
te clagen is’. Van al deze wedstrijden is ons meestal slechts het Refrein van een Rederijker met de spreuk ‘Naer hoepe iolijt’ bewaard(72).
Beter zijn we ingelicht over een Refreinfeest, op 31 Mei 1556 door Den Bloeyenden Wyngaert te Berchem-bij-Antwerpen ingericht(73): ‘vragen’ waren: ‘Aldus vant triomphant dit lieff myn leven // hier’ en ‘Sweirels samblant is als dryfsant niet sonder Godt’. Volgende Kamers waren er aanwezig:
| Antwerpen, Het Leliken van Calvarien, ‘Wt liefden geschiet’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 36) van ‘Een tyt sal comen’. |
| Brussel, Marien Cransken, ‘Minnelyck accoort’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 28) van De Blinde(74), ‘Nochtans wel siende al heet ick de Blinde’; 2 Refreinen ‘int vroede’ (Nr. 113 en Nr. 114) (niet ondertekend). |
| 's-Hertogenbosch, Moyses Doren, ‘In viericheit groeyende’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 30) en één ‘int vroede’ (Nr. 117) van Cassiere, ‘Duer hope verwacht ick’. |
| St. Pieter-bij-Gent, Sinte Barbara, ‘Liefde verwinnet al’: 2 Refreinen ‘int amoureuze’ (Nr. 32 en Nr. 35) en ‘int vroede’ (Nr. 119 en Nr. 109), waaronder telkens één van Sinte Pieters muldere, ‘Met al te belachene’ en een ander zonder nadere aanduidingen. |
| Aarschot, Terwen Bloeysel, ‘Door jonst en minnen’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 33) van Fr. Leerze(75), ‘Dwoort gheeft confoort’; 1 Refrein ‘int vroede’ (Nr. 110) van een Rederijker met de spreuk ‘Wt liefden’. |
| Ninove, De Plomblom, ‘Al vloeyende groeyende’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 34) en één ‘int vroede’ (Nr. 120) van een dichter met de spreuk: ‘La vertu donne racine’. |
| Breda, De Orangeboom, ‘Wt rechter liefden’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 37) en één ‘int vroede’ (Nr. 121) van G. Vander Eycken, ‘Jespere en Dieu’. |
| Zoutleeuw, Moyses bosch, ‘In viericheyt groeyende’(76), |
| 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 29) en één ‘int vroede’ (Nr. 115) van ‘Och est alsoo ware’. |
Namen verder nog aan het Refreinfeest deel:
| P. Heyns, wiens spreuk ‘Wel hem die in Godt betrout’ onder twee Refreinen van iedere categorie (Nr. 27 en Nr. 111) voorkomt; |
| een Brussels Rederijker met de spreuk ‘Niemant sonder gebreck dan Godt alleene’: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 31); |
| een zekere Go(i)dtschalck, ‘Godt is myn hope’, lid van een verder niet bekende Kamer, die ‘sonder ech’(77) tot spreuk moet hebben gehad: 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 38) en één Refrein ‘int vroede’ (Nr. 122); |
| twee Rederijkers met de spreuken: ‘Niet van my selven’ en ‘Godts werck is sterck’, leden van een Rederijkerskamer: Het Lavender Blomken, ‘Met vierigher liefden’, die we niet konden terugvinden; de eerste leverde 1 Refrein ‘int amoureuze’ (Nr. 39) en één ‘int vroede’ (Nr. 118); de tweede enkel een stuk van deze laatste categorie (Nr. 112); |
| ten slotte is 1 Refrein ‘int vroede’ (Nr. 116), niet ondertekend. |
De opgegeven stok van het Refrein ‘int amoureuze’: ‘Aldus vant triomphant dit lieff myn leven // hier’ lijkt op het eerste zicht nogal raadselachtig. Hij wordt echter spoedig duidelijk wanneer we weten dat het ‘lieff’ waarvan hier sprake is, niemand anders is dan Christus, die het ‘leven’ (in den bovennatuurlijken zin) van den zondaar, die door de erfzonde en zijn eigen schuld van Hem vervreemd was geraakt, heeft ‘gevonden’.
De centrale plaats die Christus en het geloof in Hem in vrijwel al deze stukken bekleedt, geeft ze een hervormingsgezinde tint(78). Tekenend in dit opzicht zijn volgende verzen van P. Heyns (Nr. 27):
of nog scherper en duidelijker geformuleerd in de Prince van het Refrein van ‘Een tyt sal comen’ (Nr. 36):
Christus wordt hier getekend als een enige Middelaar tussen den Vader en den gelovige: van de specifiek Middeleeuws-katholieke opvatting van de bemiddelende rol van de H. Maagd of andere Heiligen, van priesterschap of sacramenten is hier helemaal geen sprake.
Hoewel nogal ongelijk, is het literair gehalte van deze Refreinen ‘int amoureuze’ vrij hoog. Enkel het stuk van Godtschalck (Nr. 38), het enige waar het ‘amoureuze’ niet ‘int geestelick’ werd opgevat, vermeit zich in smakeloze halsbrekerijen met een ingewikkeld spel van dubbelrijmen.
De sterk didactische inslag van de Refreinen op den stok ‘Sweirelts samblant is als dryfsant niet sonder Godt’ maakt ze veel minder genietbaar. We worden erin aangemaand de ijdelheid van de wereldse dingen te leren inzien en ons helemaal tot God, meer bepaaldelijk tot Christus, te keren.
Uitlatingen als:
zouden we voorzeker van geen trouwe aanhangers van de Kerk verwachten en brengen ons het bewijs dat de algemene reformatorische denkbeelden die we in de Refreinen van 1539 hadden ontmoet, in 1556 niets van hun aantrekkelijkheid hadden verloren(79). Overal blijkt een grondige belezenheid in den Bijbel, zodat we ook deze stukken tot de ‘Schriftuurlijke’ Refreinen kunnen rekenen.
Een zelfde belangstelling in theologische aangelegenheden blijkt zowel uit de ‘vrage’ als uit de antwoorden van twee Refreinfeesten uit 1559: den 16en Mei te Brussel ingericht door De Corenbloem en den 21en Augustus door de Antwerpse Kamer De Violieren.
Het ‘Boeck der Preuilegien’ van De Corenbloem heeft ons de twee ‘vragen’ bewaard: ‘Wat mensche duytvercoren gaue des geloofs goet / om te verstaene hier werdt gegeven’ en ‘Waerom Godt de menschelycke natuere cranck / bermhertiger es dan dingelsche natuere’(80). Vier van de antwoorden op deze laatste ‘vrage’ komen voor in den Refreinenbundel van Jan Michiels, onder meer het stuk waarmee een Rederijker van De Pyoene te Mechelen met de spreuk ‘Goet ront’ den ‘opperprijs’ behaalde. Daar vinden we ook het Refrein dat aan Cassiere den ‘oppersten prys’ voor de eerste ‘vrage’ bezorgde(81) en het stuk van Jan Vandenberghe die zich met den tweeden prijs moest tevreden stellen.
De Refreinenbundel van Jan De Bruyne heeft ons de ‘soluties’ van G. Bont en Cassiere(82) overgeleverd waarmee deze Rederijkers
de vrage: ‘Wie werdich is Christus geschoncken genade’, gesteld door De Violieren te Antwerpen, hebben beantwoord. Eerstgenoemde, die ‘den oppersten prys’ won, gaf tot antwoord: die vertrouwen heeft op de verdiensten van Christus ‘en hem dan noch selver onwerdich bekent’. We laten hier enkele regels uit zijn Refrein volgen waaruit blijkt dat het met de orthodoxie van dezen Rederijker heel bedenkelijk moet zijn gesteld geweest:
Het Refrein van Cassiere die den vierden prijs behaalde ademt ongeveer denzelfden geest.
De regering schijnt echter het gevaar van dergelijke bijeenkomsten te hebben ingezien en vaardigde dan ook op 26 Januari 1560 een Plakkaat uit dat rechtstreeks tegen de Rederijkers was gericht(83). Toch schijnt dit geenszins een vermindering van hun activiteit voor gevolg te hebben gehad, wel een grotere voorzichtigheid in hun uitingen.
Het jaar 1561 brengt ons opnieuw niet minder dan 3 Refreinfeesten: één te Rotterdam, den 20n Juni samen met het Landjuweel, één van De Corenbloem te Brussel ‘opten jersten sondach nae sinte Marie Magdalenen dach / Jn Julio’ waarvan de producten niet bewaard zijn(84) en één te Antwerpen, den 14n Augustus, eveneens bij het Landjuweel.
Van dezen laatsten wedstrijd bezitten we jammer genoeg slechts 2 Refreinen(85), wat des te meer te betreuren is daar, noch in den bundel in 1562 door Willem Silvius gedrukt(86), noch bij Edw. van Even(87) sprake is van een Refreinfeest dat tegelijkertijd met het Landjuweel zou hebben plaats gehad. De veronderstelling van K. Ruelens(88) als zouden we hier te doen hebben met een ‘geheime(n) kamp’ is wel aantrekkelijk, maar niet de enig mogelijke(89). De ‘vrage’: ‘Hoe schadelyc dat den onrechtverdighen coopman een stadt is’ kon voorzeker weinig aanleiding geven tot theologische discussie, maar de tweede: ‘Wanneer den mens sal der sonden ontslagen syn’ moest ze als het ware uitlokken. Het enige antwoord dat we hierop bezitten is het Refrein waarmee ‘Verbeyt den tyt’ van Den Olyftack ‘den hoochsten prys’ behaalde.
Hetzelfde jaar had enkele weken vroeger, op 20 Juni, ook te Rotterdam een Landjuweel en een Refreinfeest plaats waaraan verenigingen uit Holland deelnamen, namelijk de Kamers van: Noordwijk, Gouda, Rijnsburg, de Jonge en de Oude Kamer van Haarlem, de Kamers van Leiden, Delft, Schiedam en Amsterdam, die iedere ‘vrage’ soms met meer dan één Refrein beantwoordden: zo zijn er 15 Refreinen ‘int vroede’, 12 ‘int zotte’, 13 ‘int amoureuze’(90). De stukken ‘int amoureuze’ en ‘int zotte’ hebben we reeds gekarakteriseerd; de Refreinen ‘int vroede’ op de ‘vrage’: ‘Wat meest gheacht en schadelijcxt verkreghen is’ kunnen we gerust onbesproken laten. Het is slechts middelmatig Rederijkerswerk dat zich enkel door een zekere technische vaardigheid onderscheidt.
De dichters van de Refreinen ‘gepronunceert’ te Rotterdam, waaronder zich nochtans uitgesproken voorstanders van de nieuwe leer als Egbert Meyndertz en Johan Fruytiers bevonden, hebben in hun antwoorden een zekere voorzichtigheid aan den dag gelegd die zeker in 1561 niet overbodig zal zijn geweest. De gestelde ‘vragen’ konden overigens ook maar moeilijk tot theologisch gekleurde betogen aanleiding geven. Laten we ook niet vergeten dat de voor te dragen stukken waarschijnlijk vooraf ‘gheapprobeert’ waren geworden.
Even voorzichtig waren de Rederijkers het volgend jaar op het
Refreinfeest van de Brusselse Kamer De Corenbloem. Talrijke verenigingen uit Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland waren er vertegenwoordigd en leverden, afgezien van de ‘Liederen’, niet minder dan 70 Refreinen op de ‘vrage’: ‘Wat de Landen can houden in rusten’(91). Hoe de inrichter, de ‘afgaende Prince’, Adriaen van Coninxloo, op het denkbeeld gekomen was juist deze vraag te stellen, wordt ons in den ‘Prologhe’ uiteengezet. Ervan overtuigd: ‘Dat Rhetorica / ts'Menschen sinnen ruyt Is instruerende tot Deucht eendrachtich’ en er ook goed geschikt voor is de mensen te bewegen
werd ertoe besloten het jaarlijks Prinsfeest aan dit doel dienstbaar te maken.
Een ‘cha(e)rte’ werd uitgezonden, die door talrijke verenigingen werd beantwoord. Waren op het Refreinfeest aanwezig de Kamers van:
| Oudenaarde: Pax Vobis, De Kersouwe; |
| Geeraardsbergen, |
| Aalst: Sinte Catharina en Sinte Barbara; |
| Brussel: De Corenbloem, Maria Cransken, Den Boeck; |
| Mechelen: De Peoene, De Lischbloem; |
| Diest: De Christusoogen; |
| Leuven: De Roose; |
| Lier: De Ongeleerde en De Groeyende Boom; |
| Antwerpen: De Violieren, De Olyftack, De Goudbloem en Het Leliken van Calvarien. |
| Berchem: De Bloeyende Wijngaertranck; |
| 's Hertogenbosch: Mozes Doorn; |
| Rozendaal, |
| Vlissingen, |
| Rijnsburg. |
Reeds het volgend jaar werden de producten van dezen wedstrijd te Brussel bij Michiel van Hamont gedrukt(92). Hierbij werd door de geestelijke overheid een strenge controle uitgeoefend. Na vooraf ‘gheuisiteert ende gheapprobeert’ te zijn geweest door den ‘Prochiaen’ van de plaatsen, waar ze van afkomstig waren, werden de Refreinen nog eens ‘gheuisiteert ende gheapprobeert by den Eerweerdighen Heeren ende Meesteren Laurentium Metsium / Plebaen van Sinte Goedelen Kercke binnen de Princelijcke Stadt van Brussele / ...’ Na dit onderzoek bleek het dat 5 op de 70 Refreinen niet mochten gedrukt worden. Ze werden vervangen door 5 stukken die op andere wedstrijden waren bekroond. Ze zijn gemakkelijk te herkennen doordat ze geen devies dragen en overigens een heel andere stof behandelen(93).
De ‘opperprys’ werd behaald door den Liersen Rederijker, factor van De Ongeleerde, A. Van Molle, die tot antwoord gaf: ‘S'geest Wijsheyt / inden mensche / gedaelt met vreden’. De tweede prijs viel den factor van De Violieren, W. van Haecht, te beurt met het antwoord: ‘Den wijsen Raet / die de Kennis des Heeren // heeft’. De derde prijs ging naar Cassiere, factor van Mozes Doren te s' Hertogenbosch. Zijn antwoord was: ‘Der Regenten Wijsheyt hun van Godt ghegheuen’. Als middelen om de rust in ‘de landen’ te bevorderen wordt door de andere dichters: liefde, meer bepaald naastenliefde, vrees voor God en de oversten, eendracht, gerechtigheid, een goed regime, gehoorzaamheid aan God's Woord en vooral wijsheid aangeprezen.
Hoewel betrekkelijk zuiver van taal en knap berijmd, kunnen deze Refreinen toch maar moeilijk op de benaming poëzie aanspraak maken. Het te behandelen onderwerp bracht dit overigens met zich mede. Ook historisch beschouwd zijn ze minder belangwekkend dan wij bij het eerste zicht zouden verwachten. Wie in deze stukken directe getuigenissen zou verlangen over den toestand onder de gemoederen en de opvattingen op staatkundig gebied in de