terug  begin  verder

[p. 22]

Zang II.

 
Reeds waren over 't keerpunt van hun baan
 
De rappe zonnerossen heengerend,
 
En nog zat Odien op dezelfde plaats,
 
Vanwaar hij Balders uittocht had aanschouwd.
 
 
 
Geen wapenrok verried den zegegod.
 
De donk're mantel, welke diep geplooid
 
Zijn lichaam gansch omsloot, getuigde niet
 
Van daden, maar van rusteloos gepeins.
 
Op 't koningshoofd blonk ook geen gouden helm.
[p. 23]
 
De breede hoed, die over 't fonk'lend oog
 
Zijn doffe schaduw wierp, paste aan het brein,
 
Dat al wat leefde, om wijsheid had bevraagd.
 
Zijn speer, in de aard' geboord, leunde op de rots,
 
De strak gesloten mond steunde in de hand,
 
En roerloos als de raaf, die op zijn rug
 
Den kop verborg in 't witte vederdons,
 
Het denkend voorhoofd diep gerimpeld, zat
 
Alvader neer, der Asen wijze vorst.
 
 
 
Van 't blok graniet, dat hem tot zetel strekte,
 
Kon 't oog wel Asgaards volle heerlijkheid,
 
Maar slechts een deel van 't aardrijk overzien.
 
 
 
Vaak had zijn blik, vol Asenvreugd', van hier
 
Gedwaald door Asgaards breede lanen, steeds
 
Op Frikka's woning, Fenzaal, Toors paleis,
 
Bilskirnir, en op 't reine Breidablik,
 
Waar Nanna bloeit in Balders liefdegloed,
 
Met trots verwijlend. Over Glitner dan,
 
Het slot, welks dak op gouden zuilen rust,
 
Waartusschen Balders zoon, Forsete troont,
 
Die elk geschil van goôn en menschen slecht,
 
Steeg hij naar 't wijd gewelfde Walhal op,
 
Der helden burgt met pantsers dicht versierd,
 
Gedekt met schilden, schitterend verguld,
 
Vijf honderd veertig hooge poorten rijk,
[p. 24]
 
En door der hagen allerschoonste omringd.
 
Daar is 't dat Odien voorzit aan den disch,
 
Als zijn Walkuren purp'ren wijn hem schenken.
 
Van Walhal zwierf hij langs de hemelsburg,
 
Die Bifrost bij de goden, regenboog
 
Bij 't menschdom is geheeten, en zoo trouw
 
Door Heimdaal wordt bewaakt, naar 't Idaveld,
 
Waar daag'lijks heldenmoed met Asen-kracht,
 
Bij 't kraaien van den haan met gouden kam,
 
Zich in den schijnkamp meten. Immer had
 
Ten leste 't loover van den wereldesch,
 
Het nooit verwelkende, tot lange rust
 
Zijn blik geboeid gehouden; doch, bleef thans
 
Alvaders oog ook op den stam gericht,
 
Die, met zijn wortels tot de Nomen reikend,
 
Zijn twijgen uitbreidt over al wat is,
 
Het scheen verblind voor Asgaards heerlijkheid.
 
In heilig peinzen was zijn geest verzonken. -
 
 
 
Geleid door Tuur, omgeven door Walkuren,
 
Was 't schitt'rend heir van helden en van goôn,
 
Eerbiedig zwijgend hem voorbij gegaan.
 
Hij had hen niet gezien. -
 
Een zegezang,
 
Der reuzen nederlaag verheerlijkend,
 
Was dapp'ren Toor door Bragi toegezongen.
 
Hij had het niet gehoord. -
[p. 25]
 
Ja, driemaal reeds
 
Was Frikka hem genaderd, angst in 't hart,
 
Maar op de schoone lippen zoeten troost....
 
Hij had haar niet bemerkt. -
 
Doch toen zijn baard
 
Gestadig dieper neerzonk op de borst,
 
Brak Frikka's tong de boeien van 't ontzag.
 
Het vrouw'lijk hart, dat in zijn vreugde deelde,
 
Eischte ook een deel in Odiens smart. En met
 
Haar kleine hand zijn breeden schouder drukkend,
 
Sprak Frikka op dien liefdevollen toon,
 
Welke, als de regen 't dor geschroeide veld,
 
Na 't branden der gedachten Odiens ziel
 
Verkwikkend en bevruchtend binnendrong:
 
 
 
‘In duist're toekomst wijlt Alvaders geest.
 
Welk dreigend beeld houdt daar zijn blik geboeid,
 
Verjaagt den glimlach van zijn mond, en sluit
 
Voor Frikka 't grollend hart? Moest niet de val
 
Van 't Joten-heir zijn ziel met trots vervullen?.....
 
Nog galmt door Asgaards lanen 't heerlijk lied
 
Door ouden Bragi, Toor ter eer, gedicht.
 
Wie is er, zingt hij, die aan Odiens wil,
 
Nog worst'lend weerstand biedt?’
 
Een somb're blik
 
Ontstraalde 't grijs van Odiens peinzend oog,
 
Gleed langzaam over Asgaards burgten heen,
[p. 26]
 
Rees op naar Frikka's fier gelaat, en bleef
 
Daar zinnend rusten. -
 
Zachter ging zij voort:
 
‘Naar wijsheid streeft des wijzen geest; doch meer
 
Dan wijsheid acht ik Walhals vreugde waard. -
 
Als 't om Idoena is, dat Odien treurt,
 
Wiens borst werd niet door bange vrees beklemd,
 
Toen uit der Asen krans die schoone bloem
 
Zoo spoorloos was verdwenen; doch reeds lang
 
Schonk Loki allen d' oude veerkracht weer.
 
Hij gaf zijn woord haar ons terug te brengen.
 
Zie, Bragi zelfs, hij wanhoopt nu niet meer.
 
Want is de list des vuurgods grootste lust,
 
Zoo lost hij 't woord ook om een list verpand.’
 
 
 
‘Een list zijn grootste lust! Ge zegt het wel,
 
Mijn Frikka. Sluw is Loki als de slang;
 
En aan zijn snellen blik is 't niet ontsnapt,
 
Wat d' Asen overkwam, toen plotseling
 
De korf met app'len ons ontnomen was.
 
Zoo valt de sterkste mensch eensklaps ter aard',
 
Door Nornen-hand, als door een bliksemstraal,
 
Getroffen. - Rijst hij ook weer snel omhoog,
 
Hij weet zijn eind nabij.’
 
Niet even ras
 
Als immer volgde Frikka's antwoord op
 
Alvaders onheilzwang're taal. Ontzet
[p. 27]
 
Zonk ze aan zijn zijde zwijgend neer.
 
‘Verneem’
 
Zoo ging hij voort: ‘wat als een nevelbeeld
 
Voor menschenblik, mijn geest heeft voorgezweefd,
 
En wat, tot Nornen-wil bewaarheid, ik
 
Na Aegiers maal in 't oog der Asen las:
 
Al wat verouderd schijnt was eenmaal jong,
 
En wat een aanvang nam, spoedt naar een einde.
 
Nauw was Idoena heen of de ouderdom,
 
De worm, die knaagt aan 't menschlijk leven, dien
 
Haar gouden app'len weerden van ons hoofd,
 
Woedde, als een pest op aard', in d' Asen-kring.
 
De jonge kracht der goden was verlamd.
 
Ik zocht mijn zoon, en vond mij zelven weêr.
 
Verwelkt was Frikka's wang, verdoofd haar oog;
 
Vaalbleek, als lag er Hela's kus reeds op,
 
Was Bragi's mond, en toen 'k in 't watervlak
 
Mijn eigen beeltenis aanschouwde’...
 
‘O! stil!
 
Heb deerenis, voleindig niet!’
 
‘Hier baat
 
Geen zwijgen. - Als de stoere held op aard'
 
Zijn baan niet ongemeten waant, hoewel
 
Hij 's morgens meen'gen knop ontluiken ziet,
 
Die sterven moet eer 't starrenheir verrijst,
 
Zal dan Alvader voor hem onderdoen,
 
Omdat zijn blik geslachten na geslachten
[p. 28]
 
In Walhal binnentreden zag? - Neen, neen,
 
Ook onze zomers zijn geteld. - Zie ginds:
 
De zonnewagen brengt ons Balder weer.
 
Een dag is om op aard. - Hoe glanst zijn oog,
 
Hoe blinkt zijn haar, hoe krachtig dwingt zijn hand
 
Het wilde span in 't afgebakend spoor!
 
Reeds ijlden over 't edel jong'lingshoofd
 
Ontelb're duizendtallen dagen heen,
 
En onverwelkbaar tart zijn jeugd den tijd,
 
Zooals 't graniet den ademtocht des menschen....
 
Toch wacht ook hem... het einde.’
 
Huiverend
 
Had Frikka zich aan Odiens arm geklemd;
 
Maar lange vrees is vreemd aan 't vrouwenhart,
 
Dat mint. - Deed ook een somber beeld haar beven,
 
Het zoet vertrouwen zegevierde ras;
 
In 't blanke voorhoofd hield geen rimpel stand. -
 
Terwijl zij den albasten arm weer zacht
 
Alvader om de schouders sloot, en vast
 
In 't zinnend oog hem blikte, ving zij aan:
 
 
 
‘Verlamde 't leed de jeugdige Asen-kracht,
 
Als stormen buld'ren beeft de stevigste eik.
 
Maar eiken vallen, Asen houden stand! -
 
Vertreedt des menschen voet den tragen worm,
 
Velt Odiens ademtocht den sterksten mensch,
 
Geen Nornen-hand reikt over Bifrost heen!
[p. 29]
 
Zie, nauw had Loki ons zijn woord verpand,
 
De wreed geroofde weer te brengen, en,
 
Om fluks haar op te sporen, aan zijn rug
 
Het wiekenpaar van Freija vastgehecht,
 
Of de Asen-kracht was reeds teruggekeerd,
 
En aan de spits der helden en der goôn,
 
Was Tuur al opgegaan naar 't Idaveld,
 
Om als van ouds den schijnkamp te bestaan.
 
Alvader echter kon zoo licht den last
 
Van 't zorgend hart niet went'len; doch als straks
 
Idoena keert, verheft ook hij zich weer,
 
De machtigste eik, dien ooit de stormwind aangreep.
 
Den breeden hoed werpt hij van 't effen hoofd,
 
Den wijden mantel van de schouders af,
 
Bestijgt zijn eereplaats aan 't Asen-maal,
 
Laat Rist den gouden beker vullen, drinkt,
 
En lacht, en wordt mijn Odien weer!’
 
Reeds
 
Omspeelde een zwakke glimlach Odiens mond.
 
't Gebogen hoofd rees op, de mantel zonk,
 
En min droefgeestig klonk zijn stem, toen, zacht
 
De hand op Frikka's hoofd gedrukt, hij sprak:
 
‘Welzalig zij, wie 't zorgend peinzen vreemd is,
 
Schoon niets ontgaan kan aan haar scherpen blik;
 
Maar zaal'ger nog acht ik het god'lijk hart,
 
Dat in haar ziel zijn angst verzinken doet,
 
En troost vindt aan haar trouwe borst.’
[p. 30]
 
‘Niet is 't,’
 
Klonk dra nu 't antwoord, ‘Frikka's oog ontsnapt,
 
Wat bovendien Alvaders hart bezwaart;
 
Hoewel hij 't zwijgt uit mededoogen voor
 
Het minnend moederhart. Een bange droom
 
Heeft onzen Balder in den nacht benauwd,
 
En 't is voor hem, den blonden zonnegod,
 
Dat Zegevader thans een onheil ducht.
 
De jong'ling zelf is reeds vergeten wat
 
Zoo even nog hem pijnigde in den slaap.
 
Wat vreest een god in Asgaards heil'ge vreê?
 
Alvaders brein herdenkt, en dringt bezorgd
 
De toekomst in. Doch reikt zijn blik ook ver
 
In 't duister morgen, waar des menschen oog
 
Slechts zwarten nacht ontwaart, en Asen zelfs
 
Maar nevelbeelden zien, hij daalde nooit
 
Door 't spieg'lend oppervlak der Nornen-bron,
 
Waarin der zust'ren wijsheid ligt verzonken.
 
Is 't dus voor Balder dat hij vreest, wellicht
 
Weet Frikka's moederhart een goeden raad.
 
Hoor wat ik wil: Geen Wane, Jote of Alf,
 
Geen mensch, geen dier, dat Balder niet bemint.
 
Wijs 't kloppend hart mij aan, dat hem kan haten,
 
De bloem, die 't zonnelicht niet zoekt? - Dies rijd
 
Ik snel naar 't onverwinbaar Wanen-land,
 
Door 't reuzenrijk, dat Midgaard rond omsluit,
 
En diep in de aard' naar 't duistere Alfheim toe.
[p. 31]
 
Dan naar de wouden heen, waar 't menschdom huist,
 
Door 't zilte rijk, waarin de zeegod heerscht,
 
En weer terug den wijden hemelweg.
 
Want al wat leeft, diep in den schoot der aard',
 
Of hoog aan 't lichtend zwerk bij Balders baan,
 
Verscholen onder 't rust'loos schuimend nat,
 
Of naast den mensch in 't statelijke woud,
 
De Wane thans aan de Asen welgezind,
 
De reus. der goden vijand tot den dood,
 
De dwerg, die zelden Balders glans aanshouwt,
 
De mensch, die daag'lijks voor hem nederknielt,
 
De wilde wolf, de schrik van Midgaards dreven,
 
Het zachte lam, der kind'ren lieveling,
 
De stout naar 't zonlicht stijgende adelaar,
 
De bange mol, die blind in de aarde rondwroet,
 
Het erts dat Alfen-kunst tot wapens wet,
 
Het rotsblok, waar de reus mee werpt, de wilg,
 
Dien tot een boog de sterke Wane buigt,
 
De pees, die snorren doet des menschen pijl,
 
Zij allen zullen mij met zwaren eed
 
Bezweren nimmer aan den zonnegod,
 
Den dierb'ren Balder, leed te doen weervaren,
 
In oorlog, noch in vredestijd, op aard',
 
Noch aan den hemelweg, door opzet, noch
 
Door boos verzuim!’
 
Nauw had een glans van vreugd'
 
Op 't schoon gelaat, zij aan Alvaders oor
[p. 32]
 
Haar plannen toevertrouwd, of opgestaan
 
Sloeg Odien beide de armen om naar hals,
 
Drukte op haar rozemond zijn lippen, liet
 
Den blik verzinken in haar stralend oog,
 
En voelde 't dagen in zijn duister hart. -
 
Reeds klaarde 't hooge voorhoofd op, en, toen
 
Het ijs der zorgen om den strakken mond
 
Gansch weggesmolten was, hernam hij:
 
‘Ga
 
Mijn Frikka. - Machtig is der Nornen wil,
 
Die al wat was, wat is, wat worden zal
 
In heil'ge runen grift maar leeft ook hem,
 
Gelijk aan al 't bestaande in Asgaard en
 
Op aard', een sterkere, dan moet het zijn
 
Het moederhart, dat voor haar kind'ren kampt.’ -
 
 
 
Intusschen had, door Balders vaste hand
 
Bestuurd, het onvermoeibaar hengsten-paar
 
Bifrost, de schoone hemelsbrug, bereikt,
 
En rolde statig, 't vlammend kleurenspel
 
Weerkaatsend met het blinkend gouden rad,
 
De zonnewagen 't heilig Asgaard in.
 
Zijn gloeiend spoor taande in den zwarten nacht,
 
Die snel uit Midgaards dalen zich verhief,
 
Al spoedig tot een aschgrauw schemerlicht.
 
 
 
‘Idoena komt!’ riep Balder juichend uit,
[p. 33]
 
Zoodra hij Heimdaals trotschen burgt voorbij,
 
Zijn steig'rend span tot stilstand had gebracht.
 
En, als 't gerol des donders over de aard',
 
Klonk over Asgaards burgten Heimdaals roep:
 
‘Asinnen, Asen, op! Idoena keert,
 
Der gouden app'len hoedster!’
 
Jubelend
 
Omringde Balder dra de gansche schaar
 
Van goôn, godinnen, helden en Walkuren,
 
Met vragen hem bestormend; doch vergeefs.
 
Noch hen, noch Bragi, noch zijn nanna zelfs,
 
Die ademloos, het mollig armenpaar
 
Vol zoet verlangen naar hem uitgestrekt,
 
Van Breidablik kwam aangesneld, scheen hij
 
Een antwoord waard te keuren. Van zijn kar
 
Gesprongen, ijlde, zonder op te zien,
 
De schoone jongeling op Odien toe -
 
Wiens mond geen enk'len juichtoon had geslaakt -
 
En zond, nog onder 't gaan, zijn snellen voet
 
Den snel'ren jubelkreet vooruit: ‘Zij komt!
 
Idoena keert! - De sluwe Loki is 't,
 
Die ons de liefelijke brengt. Vlug, als
 
Een pijl uit Ollers boog, klieft hij de lucht,
 
En houdt de aanminnige aan zijn borst geklemd.
 
Nu kent Alvaders ziel geen zorgen meer;
 
Van smetten vrij is aller Asen vreugde!’
[p. 34]
 
‘Héil, Loki!’ brulde Toor, ‘der slimmen slimste!’
 
‘Idoena's redder, heil!’ riep Bragi uit.
 
‘Heil Loki, heil Laufeja's loozen zoon!
 
‘Den reuzenvijand, godenredder heil!’
 
Zoo klonk het vreugdgeschreeuw uit aller mond,
 
Rolde als een enk'le galm de lanen door,
 
Drong in de hooge heldenzaal, en brak
 
Op elken muur in duizendstemmige echo's.
 
Slechts Odien juichte niet, en denkend zweeg
 
Nu Balder insgelijks.
 
Doch plotseling
 
Verkondde Heimdaals helder hoorngeschal,
 
Dat ook zijn valkenblik Laufeja's zoon
 
Had opgemerkt. - Een donker grauwe stip
 
Steeg windsnel van den horizont omhoog,
 
Nam wassend kleur en lichaamsvormen aan,
 
Schoot neer.... en, nog had Bragi Loki niet
 
Herkend, toen aan zijn poop'lend harte reeds
 
De blonde Idoena blozend nederlag.
 
‘Heil Loki!’ juichten de Asen onvermoeid.
 
 
 
Maar, 't wiekenpaar zich van de schouders werpend,
 
Sprak Loki ras:
 
‘Aan 't werk en niet gemard!
 
Op aad'laarsvleug'len snelt Tiassi aan.
 
In vlammen ga zijn liefdegloed thans op.
 
Brengt hout aan, oude stammen, jeugdig rijs,
[p. 35]
 
En stroome een vuurzee Asgaards dreven door,
 
Van Bifrost af tot Gimiels hooge muren!’
 
 
 
Bevelend had zijn stem geklonken; snel
 
Gehoorzaamd werd zijn wil. Met elke hand,
 
Greep Toor een zwaren boomstam aan. Eén ruk,
 
En met de wortels lagen zij omhoog.
 
Een derde werd door Tuur met ééne hand
 
Geveld, en stortte in stukken op den grond,
 
Door Widar in zijn val gebroken. Nog
 
Een aantal klein're boomen wierpen Niûrd,
 
De helden en al de ov'rige Asen neer.
 
Asinnen en Walkuren brachten fluks
 
Jong rijs met bundels twijnen aan, en reeds
 
Steeg kronkelend de zwarte rook omhoog,
 
Toen boven aller hoofd een donk're vlek
 
Verscheen, die dalend allengs grooter werd.
 
Een pooze bleef zij zweven in den walm,
 
Zonk neer, klapwiekte, viel, en was verteerd.
 
Weer rees een jubelkreet uit Asgaard op.
 
Nog eenmaal drukte Bragi aan zijn borst
 
De weergewonnen gade. Toen sprak Toor,
 
Terwijl zijn hand vol welbehagen door
 
Het bruine baardhaar voer, en 't helblauw oog
 
Met blijden glans den blik van Loki zocht:
 
‘Verouderd waren de Asen. Eeuw'ge jeugd
 
Schonk Loki's list hun weer. Zij hem tot loon
[p. 36]
 
De smet vergeven, die zijn trotsch gesmaal
 
Aan Aegiers disch op Odiens goden wierp.
 
Nu biedt hem Toor den vriendschapsbeker aan -
 
Mij werd de keel in zooveel walm wat droog -
 
Op! naar Bilskirnir heen, waar versche drank
 
In 't ijs gekoeld, de dorstigen verbeidt.
 
Walkuren! vult de bekers boordevol!
 
En zinge Bragi ons zijn nieuwste lied!’
 
 
 
Niet langer toefden de Asen. Achter Toor
 
Verdwenen zij in Asgaards ruimsten burgt.
 
Wel draalde Balder, met bezorgden blik
 
Alvader gadeslaand, wiens starend oog
 
Tiassi's ondergang ter nauwernood
 
Bemerkt, wiens streng gesloten mond geen woord
 
Van prijs of dank nog uitgesproken had.
 
Maar ziende dat ook Loki achterbleef,
 
Schreed hij, niet aarz'lend meer, op Nanna toe,
 
Die aan Bilskirnir's poort hem wachtte, sloeg
 
Zijn arm heen om de slanke leest, en ging
 
De feestzaal binnen, zacht in 't oor haar lisp'lend:
 
‘Al spot hij gaarne, kwaad wil Loki niet
 
Aan 't Asen-heir, dat hem in Asgaard opnam.
 
Den vriendschapsbeker bood hem Toor, nu bidt
 
Hij zelf Alvader om vergeving. Eer
 
Zij hem, die voor dat heilig aangezicht
 
Zijn trots tot buigen dwingt!’ -
[p. 37]
 
't Was nacht op aard',
 
En stoorloos stil in 't gansche starrenrijk.
 
Geen steen ontbrak aan 't schitt'rend hemelkleed.
 
Beneên, in Midgaards dreven, blonken flauw,
 
Bloemperken op een donker veld gelijk,
 
Der menschen dicht opeengehoopte lichten.
 
Daarhenen was Alvaders oog gericht,
 
Terwijl, met de armen op de borst gekruist,
 
De rechterhand door 't rossig baardhaar woelend,
 
Laufeja's zoon hem van te zij begluurde.
 
Als de adem van den dood den aardschen held
 
Omgaf de stilte Alvaders roerloos hoofd;
 
En Loki dorst haar niet verbreken.
 
Eerst
 
Nadat een luide galm van 't feestrumoer
 
Uit Toors paleis zich in de lanen had
 
Verbreid, en Hoegien, Asgaards schrand're raaf -
 
Al lang geleên op kondschap uitgestuurd -
 
Naar 't oor zijns meesters was teruggekeerd,
 
Niet vroolijk snappend, maar in 't vederdons
 
Het matte hoofd stilzwijgend weggedoken,
 
Ving fluisterend hij aan:
 
‘Mij dankte Toor,
 
Mij dankte Balder, en met jubelkreten
 
Begroetten de Asen Loki's wederkomst.
 
Slechts Odien zweeg. - Is Odien ontevreên,
 
Dat hem Idoena werd teruggebracht?’
[p. 38]
 
Alvader wendde 't hoofd niet om; noch rees
 
Uit Midgaards nacht zijn starre blik omhoog,
 
En als de vraag klonk fluisterend zijn antwoord:
 
‘Tevreên is Odien, veler zorgen vrij,
 
Nu hem der gouden app'len hoedster keerde,
 
Idoena, die zijn hart bemint. - Edoch
 
't Waar beter wis geweest, had nooit een list
 
Haar in Tiassi's macht gelokt.’
 
Snel gleed
 
Een grimlach over Loki's lippen heen,
 
Maar ernstig sprak hij weer:
 
‘Voor Bragi, ja.
 
Doch niet voor hen, die wijsheid zoeken, niet
 
Voor Odien... niet voor Loki... Werd geen tip
 
Van 't floers, waarmede Skoeld haar werk omhult,
 
Voor Odiens scherpe blikken opgelicht,
 
Toen hij Forsete's oog verdooven zag,
 
Toors kracht verlammen, en op Frikka's mond
 
De bloem verwelken, die hij eeuwig dacht?
 
Wat immer slechts vermoeden was geweest,
 
Werd op dit oogenblik tot zekerheid:
 
Eens komt de tijd, dat Odien niet meer is,
 
Dat op zijn troon, de werelden besturend,
 
Een and're heerscher 't machtig hoofd verheft.
 
Doch zekerheid brengt nieuwen twjjfel voort.
 
Weer houdt een vraag Alvaders geest geboeid,
 
En Hoegien, die onleschb're wetensdorst
[p. 39]
 
Op nieuwe bronnen uitzond, keerde weer,
 
Borg in de veeren 't schrand're hoofd... en zweeg.
 
In Odiens ziel is plaats voor al wat leeft,
 
En al het leed op 't wereldrond geleden;
 
Maar boven alles zijn twee zoons hem dier:
 
Toor, wien des vaders kracht en fiere moed,
 
En Balder, wien zijn geest en lief'rijk hart,
 
Ten deel viel. - Zal 't de weeke Balder zijn,
 
Of ijz'ren Toor, die eens zijn plaats vervult? -
 
Als 't menschdom Odiens wetten niet meer acht,
 
Zich broeder tegen broeder keert op aard',
 
Zal Toors geduchte vuist een nieuwen band
 
Dan vlechten, haat in min verkeeren doen?
 
Of voert ten zege ons Balders goedig hart,
 
Als 't Joten-heir weer Midgaard overstroomt,
 
Misschien wel stout op Asgaards burgten aanrukt?
 
O! ware een derden zoon Alvader rijk,
 
Die reuzenkracht aan Asen-wijsheid parend,
 
Op aard' en in den hemel 't eeuwig recht
 
Eerbiedigen kon doen!’
 
Geen antwoord volgde.
 
Omlaag bleef Odiens peinzend oog gericht.
 
Veel nieuwe voren ploegde nieuwe smart
 
In 't hooge voorhoofd, en weer dieper zonk
 
De dicht begroeide kin hem op de borst.
 
Geruimen tijd zweeg ook Laufeja's zoon,
 
Totdat nogmaals een galm van 't feestgedruisch
[p. 40]
 
De bange stilte brak. Toen voer hij voort:
 
‘Gelukkig zij wier kinderlijk vertrouwen
 
Het lachen en het schertsen nooit verleert.
 
Toor, sterk in 't drinken, overschreeuwt hen allen,
 
En Balder... luister... Balder jubelt ook.
 
Geen zorgen kent zijn argeloos gemoed.
 
Slechts Odien juicht niet meê, maar peinst... Toch denkt
 
Hij niet alleen zijn duistere gedachten.
 
Hij ziet... en Loki's blik is hem gevolgd.
 
Hij zint... en in de nevels van 't verleên,
 
Door 't scheem'rend morgen naar der toekomst nacht,
 
Verzelt hem in den geest Laufeja's zoon.
 
Zijn kommer wordt gedeeld, zijn vrees begrepen...
 
Nogtans blijft elders heen zijn blik gewend,
 
En gunt zijn mond geen doortocht aan 't vertrouwen.
 
O! waarom taant alleen voor Loki's oog
 
De zon'ge lach om Odiens lippen, en
 
Moet hij bewolkt het god'lijk voorhoofd zien,
 
Welks effen glans steeds and'rer hart verkwikt? -
 
Was 't Loki niet, die Toor zijn moker schonk,
 
De speer aan Odien en den gouden ring,
 
Die Skadi wierf voor Niûrd, Idoena weerbracht,
 
En Freija redde uit plompe reuzenhand,
 
Nadat zij voor een burgt door de ijdelheid
 
Als prijs was uitgeloofd? Wie bouwde als ik
 
Aan Odiens heerlijkheid, mocht ook mijn mond
 
Hem vader heeten; doch... uit d' Asen-kring
[p. 41]
 
Verbande hij mijn naam!’
 
Een diepe zucht
 
Was 't eenig antwoord, maar toen Loki luid,
 
Haast dreigend, had vervolgd:
 
‘Geen Ase!... Dat
 
Is dus uw laatste woord...?’
 
rees 't machtig hoofd
 
Van d' Asen-vorst omhoog, en bleef zijn blik,
 
De god'lijke, die wonden kon en kussen,
 
Doch thans vol diepen weemoed was, een poos
 
Op Loki rusten, voor hij sprak:
 
‘Wel groot
 
Is Odiens macht, bemind in 't menschenland,
 
Door Wane en Alf met eerbied aangestaard,
 
Gevreesd in 't roofziek rijk der woeste reuzen.
 
Wijs 't ros mij aan, dat Sleipnier overwint,
 
De speer, die wis als spitse Goengner treft?
 
In Odiens hand ligt zege en nederlaag;
 
Hij straft de schuld, beschermt de deugd, en schenkt
 
Den dapp're een plaats aan Walhals heldenmaal. -
 
Doch wat verleden is, wie vaagt het uit?
 
Geen Asin was 't, die Loki 't leven gaf,
 
Laufeja leefde in Jotenheim.’
 
Gelijk
 
De bliksemflits uit grauwe wolken, schoot
 
Een stral vol fellen haat uit Loki's oog
 
Naar Odien heen:
[p. 42]
 
‘Veel is den god bewust,
 
Dien daag'lijks van al 't geen op aard gebeurt,
 
Scherpziende raven kondschap komen brengen.
 
Hem vraag ik dus: wie is de wandelaar
 
Geweest, wiens blik het wijze Joten-kind,
 
Farbauti's bruid, haar liefde deed vergeten?
 
Wie was 't, die in haar ziel een gloed ontstak,
 
Zoo fel, dat al de tranen eeuw aan eeuw,
 
Haar roodgeweenden oogen reeds ontstroomd,
 
Den heeten minnebrand niet konden blusschen,
 
En die haar, toen zijn lust verzadigd was,
 
Ter zij wierp, als een leeggeslurpten kelk?...
 
Gij antwoordt niet?’
 
‘Wie zal den zoon 't geheim
 
Onthullen, dat zijn moeder heilig bleef?
 
Hem zij 't genoeg, dat zonder nijd of wrok
 
De weenende den wandelaar gedenkt.’
 
 
 
Ras volgde op bitt'ren toon een scherp bescheid:
 
‘Is Loki sluw, veel sluwer noem ik hem,
 
Die wijsheid vond in 't duister Alfen-land,
 
Waar voor 't armzalig lijf een ladde tong
 
Het zekerst wapen is!’
 
Nu flikkerde ook
 
In Odiens oog een snel gedoofde vlam.
 
‘Wel wijs,’ zoo sprak hij waardig, ‘deed Laufeja,
 
Des zwervers naam te zwijgen voor haar zoon.
[p. 43]
 
Niet wil zijn hart zich hechten, 't stugge hoofd.
 
Eerbiedig voor een vader buigen. Neen,
 
Geen and're gloed blaakt in zijn koude borst,
 
Dan eerzucht, die verongelijkt zich waant,
 
En naar een offer haakt.’
 
‘Geen wanen is 't,
 
Doch weten! Neemt Forseet' in Breidablik
 
Niet eens de plaats zijns vaders in? En zit
 
Aan Odiens zijde niet een zonenpaar,
 
Gereed zijn troon te deelen als hij valt?
 
Zoo luidt hun eeuwig recht op aarde en hier.
 
Doch wat is Loki's recht, waar Loki's plaats?
 
Geen Ase en toch van Asen-aard; geen reus
 
En toch een Joten-kind; geen mensch, geen Alf,
 
Geen Wane, en toch eens vaders zoon! O! waar 't
 
Niet beter, ginds op aard', in 't menschenland,
 
Zijns vaders dood te kunnen wreken, en
 
Een korten tijd te heerschen op zijn plaats,
 
Dan hier in 't Asen-rijk, veel eeuwen lang,
 
Een schrik bij 't feestgejoel, een redder in
 
Den nood te zijn, geduld, gebruikt, geschuwd
 
Te worden?’
 
Weer trok Odien om de schouders.
 
Den donkerblauwen mantel heen, rees op,
 
Greep zwijgend Loki's hand, en voerde hem
 
Een eindweegs lager af, waar Asgaard aan
 
Zijn blik onttogen, Midgaard's vlakte gansch
[p. 44]
 
Hem zichtbaar werd, des starrenhemels beeld
 
In 't spieg'lend watervlak gelijkend.
 
‘Zie,’
 
Dus sprak hij ernstig, naar beneên de hand
 
Nu strekkend, ‘vele duizendtallen vuren
 
Ontgloeien ied'ren nacht op Odiens aard';
 
En minstens klopt één menschenhart bij elk
 
Voor de Asen liefdevol; hoe luttel ook
 
Voor 't menschenleven Asen-wil vermag. -
 
Door scheppingsdrang gedreven, had ik nauw
 
Het leven in den nieuwen vorm geplant,
 
Of aan der Nornen wil was hij vervallen,
 
En Midgaard's heer onttrokken aan mijn macht.
 
Toen werd des levens weelde tot een waan.
 
Roept thans de sterveling mijn bijstand in,
 
Wanneer zijn mond den kus van Hela voelt,
 
Hij moge jong en schuld'loos zijn of oud,
 
Verhard in 't kwaad... zijn beê blijft onverhoord.
 
In heil'ge runen grifte Skoeld zijn lot;
 
Die leest Verandi op, en, zwijgt zij stil,
 
Dan voegt de ravengod geen ademtocht
 
Aan 't sterf'lijk leven toe. Toch buigt de mensch
 
Voor ons alleen zijn hoofd aanbiddend neer;
 
Zijn laatste zucht is aan een god gewijd.
 
Want, hoe geweldig Nornen-wil ook zij,
 
Zoolang door hoop of vrees, genot of smart,
 
Tevredenheid of wroeging, zij 't ook maar
[p. 45]
 
In ééne menschenborst, de slag van 't hart
 
Versneld kan worden of vertraagd, zal 't steeds
 
De macht der Asen zijn, welke aan dat hart
 
Zijn hoogste weelde schenkt, als waan der hoop
 
Den wakende in zijn streven, waan des drooms
 
Den moeden in hun slaap. - Laat 's nachts u neer
 
Aan 't bed des kranken, als in 't bleek gelaat
 
Het blauw der lippen 't naad'rend einde spelt.
 
Geveld is 't vonnis, de arme kent zijn lot;
 
Maar zie, of niet de star der hoop nog eens
 
Door 't stervend oog haar streelend licht verspreidt,
 
Wanneer de rozeroode kim de komst
 
Van Balder meldt. - En als zich over 't volk,
 
In 't slavenjuk gekromd, mijn Toor erbarmt,
 
Hij 't lauwe bloed hun naar de wangen zweept,
 
En wraakvisioenen voor hun oogen toovert,
 
Wie voelt zijn moed niet voor een vrijheidswaan
 
Tot zulk een geestdrift dan ontbranden, dat
 
Aan 't somber graf zijn schrik ontnomen wordt? -
 
Den wissen dood voor oogen, valt de mensch
 
Op 't kort genot des levens gretig aan,
 
Bekampt zijn rijk'ren broeder, rooft en moordt.
 
Toch roemt hij 't land des vredes in zijn lied,
 
Een schitt'rend beeld, dat Freir hem schouwen doet,
 
Dat Bragi hem in zangen prijzen leerde. -
 
De roem, de liefde.... op aard is 't alles: waan;
 
En toch, wie voelde zich een god gelijk,
[p. 46]
 
En toornde Freija's tooverroede bij
 
't Ontwaken uit dien droom? - Wie zag de zege
 
Bevochten door zijn val, en stierf niet blij,
 
Nog eenmaal staam'lend: Odien, dank mijn god? -
 
En Frikka! Blikt tot haar elk moederoog
 
Niet dankbaar op wanneer 't den kloeken held,
 
Des vaders evenbeeld, in 't wicht aanschouwt,
 
Dat zwak en hulp'loos op haar armen rust?
 
 
 
Zoo wonnen de Asen 't mensch'lijk hart. Doch wat
 
Deed hij, wien Odien 't vuur had toevertrouwd,
 
De vlam, die licht in Midgaard's langen nacht;
 
Den gloed, die warmt in kouden wintertijd;
 
De kracht, die 't hard metaal tot waap'nen wet?
 
Welk leed werd met Alvaders grootsten schat
 
Op aarde door Laufeja's zoon verzoet?’
 
 
 
Vol nijd en hoon was Loki's koude blik.
 
‘Wat Loki deed? - Alvaders voorbeeld volgen!
 
Als Odien in der menschen hutten gaan,
 
Beproeven, met de macht hem toegedeeld,
 
Van aardsche smart den sterv'ling te bevrijden,
 
En warmen dank te zaam'len voor zichzelf. -
 
Doch vrees alleen gewerd Laufeja's zoon.
 
Want zijn mond kent den zachten glimlach niet.
 
Als Loki lacht, verstomt zelfs Asen-vreugd'.
 
Uit zijn oog straalt geen zon, die liefde wekt;
[p. 47]
 
Mijn blik is scherp als Goengner's spitse punt.
 
Schenkt Balder zoete hoop aan 't maagd'lijk harte,
 
Slechts schrik brengt Loki's rosse baard te weeg.
 
Kan Toor den moed des jong'lings doen ontvlammen,
 
Ik wek alleen zijn machteloozen wrok! -
 
Nog gisteren riep van haar schamel bed
 
Een ziekte moeder Loki aan om hulp.
 
Vergeefs had zij gebeden, handenwringend
 
Naar Odien de armen uitgestrekt. Van kou
 
En honger stierf haar kind, en 't zwakke lijf
 
Was tot geen arbeid meer in staat. Maar op
 
Zijn sneeuwwit ros, in 't gouden harnas tronend,
 
Trok Odien met zijn schitt'rend heir ten strijde,
 
En onverhoord stierf elke jammerklacht,
 
Op aarde uit duld'loos leed geboren, in 't
 
Verlaten Asgaard weg. Wanhopend riep
 
Zij toen den vuurgod aan, en bad: uit de asch,
 
De lang verkoelde, mocht een enk'le vlam
 
Zich koest'rend nog verheffen en haar kind,
 
Dat langzaam insliep, redden van den dood.
 
Fluks wierp ik takken, stroo, ten slotte een vonk
 
Door 't open dak heen, trad voor de oude, en dacht
 
Mijn ziel te laven aan haar dank. - Ik, dwaas!
 
Geen dankwoord stamelde haar bleeke mond,
 
Maar 't stervend kind vast aan de borst gedrukt,
 
Doodsangst in 't oog, de dorre rechterhand,
 
Een schild gelijk, strak voor zich uitgestrekt,
[p. 48]
 
Staarde eerst, als door den schrik versteend, zij stom
 
Een poos mij aan. Toen sneed een schorre gil
 
Mij door 't gehoor, en riep zij sidd'rend uit: