Een lauwe voorjaarsmorgen. Het hemelblauw bleekt weg onder stil blank wolkgerag; fletse schaduwen doezelend op grauwe stenen en grauwe grond zwijmt het zonlicht over huizen en bomen. Lauw is de lucht, nu en dan lafjes guur doorblazen.
Langzaam wandelt Theodoor de Koninginnegracht af, het Kanaal op, met gewekte aandacht om zich heen kijkend als iemand, die voor 't eerst een streek of stad doorloopt.
't Is hem vreemd, heel ongewoon te moede: tegelijkertijd blij en diep weemoedig, geboeid door het verleden en aangetrokken door de toekomst, tevreden over zich zelf en toch vol wroeging. Het ene ogenblik zou hij wel willen zingen van hoopvolle vrolikheid, het andere biggelen tranen neer op zijn jas. En ondertussen heeft hij nog nooit zo scherp alles om zich heen waargenomen.
Eerst de mooie wei aan de overkant - wat
ligt er al een gouden gloed over dat gras - en daarachter die statige kruinenrij bruinig afglanzend tegen het wittige zwerk, net of de kale takken met ijle sluiers omslierd zijn.
Dan nadert het hoge hout tot aan de reels, wijkt weer terug om het grijze, groen-beklimopte huis van Groenhoven met zijn spits schoorsteendakje; het fortje verrijst, de Waalsdorpse laan....
Ratelend rupst een stoomtremtreintje voorbij en even denkt hij aan sporen, ver weg gaan, allerlei nieuwe dingen zien.
Bij het stijgen van de weg let hij achter het kanaal de hoge duin op, in de komvormige glooing dicht met blauw groene dennetjes bezet, waarvoor het grijzige paadje lichtend omhoog lint, en eensklaps is 't hem, of 't helemaal zomer is geworden, alom groen en koesterend zwoel.
Maar voorbij de huizenrij blaast het Westewindje hem weer aan, het zomerse voelen aanstonds dovend.
Nu wendt hij links af en tussen kreupelhout doorgaand, dat nog dor oplijnt, hier en daar verschrompeld bruin blad dragend, reliek van vorig leven, ziet hij vóór zich het open hek en daarachter het zonderlinge, matgele huis met glooiende oprit naar de geheimzinnige tempelingang gevat in Doriese zuilen.
Door het hek heengegaan staat hij op de Algemene Begraafplaats.
Nog nooit is hij hier geweest en hij verwondert
zich over deze rustplaats van doden hoog oprijzend boven de levende stad, waarvan een paar grauwe schoorstenen, rossige daken en blauwende torens heenschemeren door het bladerloos geboomte.
Rul koud omruist hem de wind, ritselend blad voortrollend over de stenen.
Een poos staat hij alleen om zich heen te kijken in een plechtige stilte doorgonsd van doffe geluiden aandreunend uit de stad, uit Scheveningen, uit de wegen er tussen.
Grijze zerken alom in de rondte, hier nieuw blauwend op geel grauw zand, ginds verdonkerd en groenig bemost; sommigen omhekt, anderen bedekt met verdorrende bloemen. Een enkel monument rijst op uit bosjes glimmende hulsten en bleek-groene coniferen, het voetstuk omrankt met zwart-groen klimopblad. Daarachter spitsen naakte populieren het melkige hemelsblauw in; nog verder en lager bruint kaal takkengewemel van eiken en berken, groen gevlekt door somber dennenloof.
Uit een zijlaantje met hulsten en sparren bezet kruit een man een wagen op.
‘Waar zijn hier de grave van de.... de armste grave?’
De man knikt met het hoofd achterover.
‘Hier na beneje en dan links af.’
Tussen donker groen slentert Theodoor nu door, ziet rechts weer andere zerken, meest schuin opstaand, versierd met lange ingebeitelde opschriften, midden in bosjes van donker hulstengroen, waar nog
rode besjes op gloeien, en kale treurbomen, groengele en roze puntjes dragend als lichtjes van een mieniatuur-illumienasie. Hij let ook bonte hoopjes afgesneden tulpen en hiacinten op, verleppend op de grijze platen, en voelt onder het afdalen over het wit beschelpte pad de lucht weer zoeler worden, de matte zonneschijn behagelik zijn kleren doordringen.
Beneden onder de blauwig benaalde dennetjes en sapgroen geveerde sparren is 't al helendal zomer, koesterend-warm en vredig-stil; hoog in de naakte popel- en berketoppen suizelt de wind over hem henen.
Nogmaals wendt hij links af en ziet aan de voet van de hoogte, waar kelder aan kelder zich sluit, een dubbele reeks roefjes over zandgraven opgehoogd en met zoden belegd. Tal van zwarte stokjes en kruisjes steken rechtop en schots en scheef in het zand; de meeste zijn alleen met wit geverfde opschriften versierd, een enkele draagt een metalen doos met glas bedekt, waarachter metalen bloemkrans verblekend portretje omsluit.
En hij leest de opschriften:
Hier rust.... hier rust.... hier rust....
In de rondte is niemand te bespeuren; hij denkt er al over verder te gaan.... misschien naar boven terug te keren en te vragen.
Maar.... daar wemelt iets donkers tussen de dennenstammen aan de overkant.
Twee mannen in gewone donkere kleren dagen op uit het groen.... een bidder volgt.... dan
een zwart klompje torsend een zwart gevaarte.... daarachter Tonia's vader.... nog iemand.
Het stoetje nadert vrij snel; naast een grauwe zandhoop ziet Theodoor een kuil duisteren onder overgelegde planken.
Fluks om zich heen kijkend of geen bekenden hem bespieden, wijkt hij zijwaarts af.
Wat haastig, stil gebeweeg en de kist staakt naakt boven de donkere gaping. Hoeden gaan af.... ook Theodoor ontbloot zijn hoofd. Hij ziet touwen, en de zwarte doos.... verzinkt.
Dan schouwt hij nog eenmaal het afschuwelik viezioen van dat mooie lichaam, nu wasbleek, marmer-koud, verstijfd.... van die lieve ogen verglaasd en gesloten voor eeuwig.... van dat heerlik bewegelike mondje strak weggetrokken over grijnzende tandenrij.... Een knaging van berouw doorvlijmt zijn ganse wezen.... tranen overfloersen zijn blik....
Als hij opkijkt wemelt de zwarte stoet al weer aan de overzij tussen de dennetjes door.
Maar snel loopt hij de zwarte mannen achterop, bereikt Tonia's vader, grijpt zijn hand, stottert hem in het oor:
‘Ik zal voor je.... voor je zorge.... om haar.... altijd.’
.... en verbijsterd door zijn eigen doen, holt hij vooruit, naar de stad terug, naar de stad, die hem nieuw lijkt en ongewoon fris-levendig.