't Was 15 Juli; het hooi was binnen op ‘Groot Zorgvliet’ en Willem Boonstoppel, de landbouwer, tracteerde, zooals men dat op 't land gewoon is. Van halfzeven tot acht uren werd er gedronken op 't welvolbrachte werk door den boer met Jacob Neelemaat, Groeneveld, Van der Kleij en Cornelis van Spronsen gedaan. Er waren 8 of 9 personen in gulle vroolijkheid bijeen en ze dronken anderhalve flesch bitter, elk gemiddeld 4 à 5 glaasjes.
Was het hooien zonder de minste onaangenaamheid geëindigd, het treurig avondonthaal bracht de gemoederen in een stemming, die vooral op personen, die niet gewoon zijn sterk te drinken, vaak deze uitwerking heeft, dat ze om een kleinigheid boos worden en knarsetanden. Zoo was het met Neelemaat. In een prettige bui was hij met Van der Kleij na het drinken in de boschjes achter ‘Groot Zorgvliet’ gegaan, om een paar meisjes op te sporen, die daarheen waren gegaan om zich te verbergen... ten einde door de jongens te worden gevonden en samen te stoeien.
Maar de jongens vonden de meisjes niet. Jammer genoeg, want Neelemaat zou wellicht, al minnekozende, minder leed berokkend en ondervonden hebben dan nu. Immers, toen hij aan het erf terugkwam, was hij uit zijn humeur, omdat hem gebleken was dat Van Spronsen met den wagen en 't jongentje van Gerrit Boonstoppel, van ‘Cranenburg’ (waar hij eigenlijk in dienst was; hij was met Van Spronsen tijdelijk door Gerrit aan Willem afgestaan in den hooitijd) naar huis was gereden. Dat was nog al eens gebeurd en Jacob meende dat daardoor een onbehoorlijke inbreuk werd gemaakt op zijn rechten.
- ‘Ik ben knecht,’ riep hij in woede uit, terwijl hij zich kleedde, - en hij is arbeider; ik moet rijden. Ik zal hem wel krijgen.
- ‘Wees nou wijzer’ - voegde hem de baas, Willem Boonstoppel, goedig toe, - ‘wat moet je nou den laatsten avond je kwaad maken?’
Maar Jacob liep den wagen met ‘Kees’ spoedig na en was weldra op ‘Cranenburg’; Kees was er al en stond kalm in het boenhok. Woedend loopt Jacob naar zijn kamer en het duurde niet lang of men hoorde in het boenhok bij de woning van Gerrit onraad. Zijn vrouw riep de mannen te hulp, omdat ‘de jongens gingen vechten.’
- ‘Ze hebben messen’ had ze volgens éen getuige geroepen.
Toen spoedig na dit alarm Snoek, de opzichter aan de afzanderij, toesnelde, stonden Van Spronsen en Neelemaat aan den muur tegenover elkander, in dreigende houding; Neelemaat hield een opgeheven dolkmes boven het hoofd van zijn tegenstander. Snoek drong zich tusschenbeiden, duwde Van Spronsen met den elleboog weg, zoodat hij meende deze achter zich te hooren vallen, terwijl hij Neelemaats hand greep om hem te ontwapenen. Dit gelukte echter pas nadat de aannemers Verheul en Vlot mede waren opgedaagd.
Snoek bracht, na nog een kort intermezzo, waarbij Neelemaat zijn baas het bewijs zocht te geven, dat hij niet dronken was - hij liep 12 passen ‘kaarsrecht’ op en neer -
den opgewonden jongen naar bed. Deze knorde en vloekte nog wel op ‘Kees’ en zei wel dat, als hij dien avond te bed kwam (ze sliepen geregeld zamen) Kees zou sterven door middel van zijn scheermes: hij kreeg ook wel zijn scheermes uit zijn kist en hield dat in bed; maar, een kwartier later sliep hij rustig en Snoek borg het scheermes weer op.
Waar was intusschen Van Spronsen gebleven? Snoek had hem overal gezocht, maar hij was er niet en hij geloofde dus dat hij stillekens naar huis zou zijn gegaan.
Dit bleek niet zoo te zijn. Den volgenden morgen werd in het aardappelland bij het boenhok Cornelis Van Spronsen zieltogend gevonden; het land was met bloed doorweekt; diepe wonden aan hals en arm waren op zijn lichaam te zien. Die wonden bloedden toen niet meer en men droeg den verwonde naar huis. Kort daarna gaf hij den geest. De doctoren Van der Mandele, Korteweg en Kortlandt, vroeger en later als deskundigen geraadpleegd, schreven den dood alleen toe aan verbloeding, door gesneden wonden en voegden er eenstemmig bij dat, als er terstond heelkundige hulp was ingeroepen, de man zou zijn gered. De wonden waren geen van alle - er waren er zes - doodelijk.
Het vermoeden lag voor de hand dat Neelemaat de dader van den manslag zijn moest. Toen zijn baas hem 's morgens wekken ging en vroeg of hij was uitgeslapen, antwoordde hij:
‘Ja en ik heb nog gesneden en gevochten gisterenavond.’
‘Ben je mal?’ vroeg de baas.
‘Ja, als je zoo maar ben’ - hernam Neelemaat daarop, vrij onduidelijk.
De baas had Van Spronsen in het veld gevonden. Hij riep daarop Neelemaat en nam hem er bij, zeggende:
‘Zie eens Jaap, daar ligt nou Kees en dat is nou jou schuld’.
‘In Godsnaam’ antwoordde Neelemaat, ‘ik kan het niet helpen; het is gebeurd’.
Weldra was het geval aan de justitie bekend geworden en Neelemaat werd gearresteerd. Hij borg zijn kleeren op, kleede zich in zijn beste pak en ging gedwee naar het politiebureau mede. Van zijn eerste verhoor tot heden hield hij steeds vol dat hij beschonken was, en boos over krenking zijner rechten door den verslagene; maar van een manslag, van zijn vechten en wat daarop gevolgd is, weet hij niets.
Heden stond hij onder beschuldiging van manslag voor het Gerechtshof alhier terecht.
Jacob Neelemaat is een flink gebouwde boerenknecht, een knap man, van middelbare grootte, gezond van uiterlijk en met een goedig gelaat. Hij werd te Maassluis geboren en woonde vroeger te Rijswijk als boerenknecht. Thans is hij 22 jaren oud en volgens al de getuigenissen van heden, was hij altijd een opppassende, bedaarde, vroolijke jongen, degelijk voor zijn werk, verdraagzaam en ordelijk, een kerel die nooit dronken was gezien en van wien niemand iets kwaads had te zeggen. Over Van Spronsen liepen de gevoelens wel wat meer uiteen; sommigen althans verklaarden dat hij een lastig, aanmatigend man was, die den baas wel een weinig over Neelemaat wilde spelen. Vandaar dat zij elkaar of dat Neelemaat hem vermeed en steeds ontweek om met hem zamen te werken.
Van vroegere oneenigheid bleek echter niet.
Op verschillende punten was het verhoor der getuigen en deskundigen - 15 in getal -
onder de leiding van waarnemenden Voorzitter van het Hof, mr. De Jonge, een ‘cross examination’. Het verhoor van den beschuldigde zelf leverde geenerlei bijzonderheden op. Met zeer zachte stem beantwoordde hij alle hem gedane vragen; het ten processe voorhanden dolkmes herkende hij als zijn eigendom, vroeger uit liefhebberij gekocht; hij droeg 't zelden bij zich en weet alleen dat hij het op 15 Juli niet bij zich had; volgens vrouw Boonstoppel had hij 't, vermoedelijk in het boenhok met Van Spronsen willende vechten, van den zolder gehaald. Het dolkmes was met bloed bevlekt. Of 't menschenbloed was, konden de deskundigen niet verklaren en evenmin of het bloed lang of kort aan 't mes moet zijn geweest. De beschuldigde zegt nooit eenigen wrok tegen het slachtoffer te hebben gekoesterd.
De beschuldigde had op geen enkele verklaring der getuigen eenige aanmerking.
De verschillende getuigen verzekerden dat van een bepaald vijandelijke houding tusschen besch. en Van Spronsen niets bleek; dat besch. echter ontstemd was over het rijden van den verslagene, wijl dit zijn werk was. Op het oogenblik dat Van Spronsen en Neelemaat door Snoek werden gescheiden werd van een verwonding niets bemerkt en Van Spronsen liet zich ook niet in dien zin uit alsof hij gewond was. Eerst den volgenden morgen werd niet alleen het zieltogend lichaam van Van Spronsen gevonden, maar ook door bloedvlekken aan den elleboog waarmêe Snoek Van Spronsen had weggeduwd, aan den stoel waarop deze den vorigen avond gezeten had en aan het muurtje waar de vechtenden in het boenhok waren gescheiden, ontdekt, dat er bloed had gevloeid.
Was Van Spronsen op het oogenblik, dat Neelemaat werd ontwapend, reeds door dezen verwond? Was de gewonde naar huis gaande in het aardappellenland gevallen? - beschonken of uitgeput? - Was hij daar ten doode gebloed? Ziedaar de vragen waarop het aankomt in deze allertreurigste zaak, - schijnbaar gevolg van de door den President en verschillende raadsheeren heden ter zitting zoo terecht afgekeurde gewoonte bij ‘onze goede boeren’ om het binnen zijn van 't hooi te celebreeren met het schenken van meer jenever dan een matig man verdragen kan.
Intusschen liepen de getuigenissen zeer uiteen over de vraag of zoowel de besch. als van Spronsen al dan niet of in welke mate zij beschonken waren. Een der get. noemde besch. bijv. ‘goed dronken’. Geen van allen echter vonden hem zóo dronken, dat 't hen aannemelijk voorkwam, dat besch. zich van al het gebeurde niets zou kunnen herinneren.
De besch. zat, gedurende het geheele verhoor van de getuigen stil, peinzend, met 't hoofd eenigzins ter linkerzijde gebogen, voor zich henen.
Na het getuigenverhoor herhaalde de Voorzitter nog eenige vragen aan den besch.
Het verhoor scheen, zeide hij, bezwarend voor hem te zijn; het scheen, dat besch. de wonden gesneden of gestoken had toegebracht. Moet ge dat niet erkennen?
Beschuldigde: Ja.
Voorzitter: Wat bekent ge dus?
Besch.: Ik beken dat volgens de verklaringen van de getuigen ik het moet hebben gedaan.
Raadsheer Raedt van Oldenbarneveldt: Volgens Van der Kleij, den kameraad met
wien ge wèl waart, hebt ge reeds acht dagen vóor het treurige feit gezegd: ik zal hem (Van Spronsen) wel krijgen; toen was er nog geen sprake van het rijden. Dezelfde getuige zei ook dat gij een hekel hadt aan Van Spronsen. Waarom? Wat hadt ge tegen Van Spronsen? Waarom hebt ge gezegd hem te zullen krijgen?
Besch.: Ik zei dat met het oog op het werk.
Raadsheer: Nee, dat kon niet op 't werk slaan, dat was een uiting van voorgenomen wraakneming.
Besch.: Neen, ik heb den man niets in den weg gelegen en niets tegen hem.
Het woord werd hierop gegeven aan den advocaat-generaal jhr. mr. De Savornin Lohman, - die het bewijs van den manslag voldoende geleverd achtte.
De besch. werd op heeterdaad, met den dolk in de opgeheven hand, tegenover zijn slachtoffer gevonden. En al werd nu de verwonding feitelijk niet gezien, de bloedsporen aan den muur op de plek waar besch. zijn prooi overviel, de bloedvlekken aan den dolk van besch. en het vinden van Van Spronsen, die blijkens de bloedvlekken van den stal naar het veld was geloopen, waar men hem vond, - dat alles sneed de mogelijkheid af van de bewering dat de verslagene wellicht nader nog een ontmoeting met een ander kan hebben gehad, waarbij de doodelijke verwondingen zijn toegebracht.
De besch. had dus, zonder te ontkennen, de sluwste partij gekozen: hij geeft een ontoerekenbaarheid voor ten gevolge van dronkenschap. Art. 64 Code Pénal is niet op dronkenschap van toepassing, maar wel kan dronkenschap in sommige gevallen ontoerekenbaarheid ten gevolge hebben: indien de dronkenschap zóo groot is, dat hij als een wild dier ageert en wanneer dit door besch. kan worden bewezen.
Noch het een, noch 't andere is waar. Besch. had 4 à 5 glaasjes, zeer kleine glaasjes, jenever gedronken; 8 à 9 personen hadden zamen 1 ½ flesch jenever gehad. En inderdaad was niemand dronken, ook besch. niet; hij was uitgegaan om meisjes op te zoeken; hij heeft allerlei zaken gedaan die hij niet gewoon was en op een wijze die geen dronkenschap verraadde; hij kleedde zich om Van Spronsen te volgen; hij haalde, te huis gekomen, zijn dolk uit zijn kist op den zolder; hij koelde zijn wraak; hij toonde dat hij niet dronken was en te bed herinnerde hij zich nog dat Van Spronsen daar komen zou en toen nog haalde hij zijn scheermes voor den dag om Van Spronsen nader te treffen. [In machineschrift: Dat alles bewijst overleg, geen dronkenschap, in een mate van onbewustheid, van redeloosheid.]
Maar nog meer. Toen de besch. den volgenden morgen op 't gevolg zijner handelingen werd gewezen, was hij niet verbaasd.
‘In Gods naam, ik kan 't niet helpen; het is gebeurd’, zei hij als iemand die zeer goed wist wat er was voorgevallen. Reeds deze omstandigheid bewijst het logenachtige van des besch. beweren.
Doch aangenomen dat niet de dronkenschap de oorzaak is van 't feit, waarin dan moet die oorzaak worden gezocht? In hartstocht. De besch. ontstak in drift over het hem uit handen nemen van zijn werk; dat was echter slechts een omstandigheid die den bom deed losbarsten; er bestond buitendien reeds animositeit tusschen besch. en Van Spronsen, al konden de getuigen de oorzaak daarvan niet gissen of opgeven; zij schenen daaromtrent onverschillig. Besch. had dagen te voren een dreigement geuit tegen Van Spronsen, al had hij dien niet bij name genoemd. In toorn was de
verwonding toegebracht; dit kan een verzachtende omstandigheid zijn, geen oorzaak van straffeloosheid.
De adv.-gen. zelf meende in deze tot het toepassen van verzachtende omstandigheden te mogen concludeeren; niet omdat de wonden niet den dood ten gevolge zou hebben gehad bij spoedige geneeskundige hulp, - want dit was een omstandigheid onafhankelijk van den dader; niet ook om de dronkenschap, die 't O.M. ontkent, zelfs wat een lichten graad van dronkenschap betreft; - maar al was het feit van zoozeer toe te geven aan zijn drift om een onbeduidende inbreuk op zijn rechten, dat besch. een man en vader van 7 kinderen doodde nog, zoo ernstig, - het onberispelijk vroeger gedrag van den besch. en de gunstige getuigenissen door allen die hem kennen van hem gegeven, mochten aanleiding geven tot toepassing van een geringere straf dan die de wet bedreigt.
Op deze gronden requireerde de Adv.-Gen. schuldigverklaring van Jacob Neelemaat aan manslag onder verkleinende omstandigheden en zijn veroordeeling tot correctioneele gevangenisstraf van vier jaren en in de kosten van het geding.
Na het aanhooren van dit requisitoir begon de besch. te weenen. Doch na weinige oogenblikken herstelde hij zich in zijn vroegere peinzende houding, waarin hij het pleidooi van zijn verdediger aanhoorde.
Deze, de adv. mr. Jac. Van Gigch, begon met de goede hoedanigheden, zoowel van den verslagene als van den beschuldigde in het licht te stellen. Beide waren oppassende, vlijtige, ingetogen personen, die geen misbruik maakten van sterken drank. Het eenige wat men dezen besch. toeschrijft is onverschilligheid, - zelfs in den morgen van 16 Juli, bij de ontdekking van den misdaad. Dit was echter zeer begrijpelijk. De besch. was zoo weinig gewoon jenever te drinken, dat hij zelfs den morgen na de jeneverpartij van 15 Juli nòg onder den indruk was, nòg in de stemming van dien avond, ondanks den nachtelijken slaap. Juist die dronkenschap, die 't O.M. wegcijfert is voor pleiter oorzaak om algeheele ontoerekenbaarheid, of althans een uiterst beperkte toerekenbaarheid aan te nemen.
Maar te voren moet het bewijs der feiten zijn geleverd; het bewijs waarover het O.M. heenglijdt en dat toch zeer betwistbaar is, waar men met een zoo mysterieuse zaak te doen heeft.
Na de feestelijke hooi-viering op ‘Groot Zorgvliet’ gaat besch. uit om meisjes te zoeken, terugkomende ontsteekt hij in woede over een feit dat vroeger meermalen was voorgekomen en waarover hij zich niet boos had gemaakt. Hij volgt Van Spronsen en bedreigt hem. Nu is een van beiden waar: òf Van Spronsen was zelf ook dronken en gaf zich geen rekenschap van 't gevaar dat hem bedreigde als hij bleef; òf hij bleef om te wachten. Dit laatste neemt pleiter intusschen niet aan.
De besch. komt beneden en er wordt om hulp geroepen, ‘hij heeft een mes, ze willen vechten, zij hebben messen’, - klinkt het. Men snelt toe en aan beschuld. wordt een dolkmes ontrukt. Van Spronsen spreekt geen woord, beklaagt zich niet over de ondergane mishandeling, smeekt niet om heelkundige hulp te halen; hij, die dan toch zwaar, maar niet doodelijk wordt gewond, laat zich stil wegduwen, valt en - verdwijnt spoorloos. Waar hij gebleven is den ganschen nacht, wat er verder met hem is gebeurd, het blijkt niet.
Maar de bloedvlekken aan den muur en de dolk dan?
De bloedvlekken konden niets bewijzen. Hoe wil men dat de spatten van 't bloed uit een aan de linkerzijde van den hals toegebrachte wond zichtbaar zullen zijn op den muur, waartegen de verwonde met zijn rechterzijde gekeerd is? Dan moeten de bloedspatten een cirkel hebben beschreven, wat niet aannemelijk is.
En de dolk? Die dolk, waarmee zware wonden zijn toegebracht, wonden die zulke verbloedingen veroorzaken dat iemand er door sterft, wordt door verschillende personen gezien - niet druipend van het pas vergoten bloed, maar met vlekken die men voor roest aanziet!
Neen, zeide pl., het Openb. Min. zal moeten bewijzen niet op gissingen, maar ontwijfelbaar en naar rechten, dat de wonden die den dood van Van Spronsen hebben veroorzaakt, in het boenhok van ‘Cranenburg’, bij een worsteling met Neelemaat, en door dezen zijn toegebracht.
De voortzetting van het pleidooi werd hierop tot morgen 10 uren verdaagd.
Dit verslag verscheen op 9 oktober 1885 in Het vaderland. De eerste berichten over deze zaak verschenen in Het vaderland van 17 juli 1885. In het nummer van 9 september verscheen onder de titel ‘Manslag-Nelemaat’ een overzicht van de gebeurtenissen. Zie verder de nummers 15, 16 en 17. Blijkens de laatste twee aantekeningen heeft Emants de rechtszitting waarschijnlijk bijgewoond.
Examen Toonkunstenaars Vereeniging. Ackermann vraagt aan een juffrouw levende Holl: componisten te noemen. Zij zegt er zijn er geen.
A. Hoort u 't. Zoo zijn ze nu allen. 't Is al weer zoo. Maar juffrouw ziet u hier dan meneer Nicolaï niet enz: En ik zelf: ik heb een lied gemaakt Ida, du bist mein. Vertel u mij eens wat uit het leven van mijnheer Bouman. Weet u niets. Is 't u niet bekend dat mijnheer B. orkestdirecteur is van Krommenie.
De Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging werd in 1875 opgericht ter behartiging van de belangen van toonkunstenaars (zie: H.A. Amory, De Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging 1875-1925. Beknopt historisch overzicht. Z.pl., z.j.). Van 1 tot 5 september 1885 vonden in Diligentia te Den Haag de examens plaats voor muziekonderwijzers van de Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging. A.J. Ackermann (1836-1914) en W.F.G. Nicolaï (1829-1896), respektievelijk onderwijzer aan en direkteur van de Koninklijke Muziekschool te 's Gravenhage, maakten deel uit van de examenkommissie (zie: Caecilia (1885), p. 179-180).
‘Ida, du bist mein’, eigenlijk: ‘Ida. Ja du bist mein’ is nummer 1 van opus 9 van Ackermann: ‘Drei Gedichte von Hoffmann von Fallersleben’, waarschijnlijk ontstaan tussen 1880 en 1884 (mededeling van de gemeente-archivaris van 's Gravenhage).
Op welke van de talrijke toonkunstenaars uit het geslacht Bouman gedoeld wordt, is onduidelijk. Van geen van hen is bekend dat hij verbonden was aan enig orkest te Krommenie.
3. A.J. Ackermann.
4. W.F.G. Nicolaï.
Een heer hoort een gek ondervragen en houdt hem voor wijs. Oppasser zegt: hij is gek dat zal ik u bewijzen. Ondervraagt hem over politiek. De gek antwoordt dat er een minister-crisis is - wat juist was - en meent dat de heer voor minister van marine in aanmerking komt. De oppasser geeft met een gebaar te kennen dat dit genoegzaam voor 's mans krankzinnigheid bewijst.
Waarschijnlijk moet deze gebeurtenis gedateerd worden ± augustus 1885. W.F. van Erp Taalman Kip (1824-1905) werd toen als minister van Marine opgevolgd door W.L.A. Gericke (1836-1914).
Een dame gooit eerst de trekpot met haar japon [in de tekst]. Zij zegt tegenwoordig niet meer voortespelen, maar heeft toch muziek medegebracht, die beneden is en wordt gehaald. Zij speelt in een hoek achter de hooge piano verborgen. Erlkönig (arrangement) voor, in een onmogelijk langzaam, draaiorgelachtig tempo, terwijl iedereen om 't hardst doorpraat.
In eene onzer provinciesteden (zoo verhaalt het ‘N.v.d.D.’) zou voor eenigen tijd een huwelijk gesloten worden tusschen een meisje uit een der achterbuurten en een fabrieksarbeider, met wien zij lang ‘verkeerd’ had. De moeder van den bruigom, eene Waalsche, was met een zijner broeders voor het huwelijk overgekomen. Deze beiden schenen niet bijzonder met de bruid en hare familie ingenomen, en zij werden door de stoere buurvriendinnen der bruid met een zeker wantrouwen aangekeken.
Alles ging echter aanvankelijk goed. De bruigom in het zwart en de bruid met hoed en doek - geleende spullen - gingen, met hunne betrekkingen, in optocht naar het stadhuis, waar reeds een publiek van belangstellende buren en vrienden vergaderd was. De stoet nam plaats, en de huwelijksvoltrekkking begon.
Maar toen de moeder van den bruidegom de vraag moest beantwoorden, of zij hare toestemming tot het huwelijk gaf, sprak zij kort maar krachtig: Non!
Algemeene ontsteltenis en groote verontwaardiging onder de vriendinnen der bruid. ‘Wat! Hij heeft zoolang met het goede kind geloopen en zou hij haar nu niet trouwen!’ riep eene dezer, eene lange, krachtige vrouw, en, heenbuigende over de afschutting, welke het publiek scheidde, pakte zij de weigerende moeder bij de schouders en liet haar, onder het roepen van ‘wiesje dis’ (oui, je dis), door krachtig heen en weer schudden, eenige toestemmende bewegingen maken. ‘Zie je wel, het kr... zegt: ja! Trouw ze nu maar, mijnheer!’ riep zij.
Maar de overheidspersonen achten die gedwongen toestemmende buigingen niet geldig, te meer, daar de moeder, toen zij weer op adem kwam, bij hare weigering bleef volharden.
Het paar moest dus ongetrouwd weder heen gaan. Maar nu werd het van alle kanten bestormd door de vrienden die hoeden, jas, doek enz. voor de plechtigheid geleend hadden, en die vreesden dat, bij eene mogelijke vechtpartij, hun eigendom beschadigd zou worden. Het was rukken en schreeuwen links en rechts - eene onbeschrijflijke verwarring. En toen eindelijk bruid en bruidegom ieder huns weegs gingen, was hij blootshoofds en in zijne hemdsmouwen, terwijl zij, van hoed en doek en andere sieraden ontdaan, met de handen voor het gelaat, hare woning opzocht.
De moeder en de broeder van den bruigom ontkwamen slechts met moeite aan de woede van de verontwaardigde vrienden en vriendinnen der beleedigde bruid.
N.v.d.D: Nieuws van den Dag. De herkomst van dit kranteknipsel is niet gevonden.
Jong Holland Whistclub van vier. Komen in rokken, met witte dassen en hooge hoeden op. Drinken vieux Médoc, dragen titels comte, baron, vicomte enz: (zie 5 bladen verder).
Jong Holland heeft hier uiteraard geen direkte relatie met de eerder gepubliceerde gelijknamige roman (1881). De betekenis is zoiets als: ‘de jeugd van tegenwoordig’. De hier beschreven situatie is terug te vinden in Een nagelaten bekentenis, p. 70 (ed. Van Oorschot).
zie 5 bladen verder: zie nummer 30. Zie ook nummer 43.
Eetclub de Peterselie ook van vier, een fijn diner eens in de 14 dagen. Dito toilet als boven.
als boven: zie nummer 10.
Mésalliance Met een winkeljuffrouw, die al dadelijk in haar engagement ook nog door haar patroon wordt gevraagd, die het met dat engagement zoo ernstig niet neemt. Later vraagt de niet-rijke verloofde man het rijtuig van een vriend ter leen, rijdt zelf en brengt zijn aanstaande naar een familie om haar diensten als kindermeid aan te bieden. Zij wordt natuurlijk afgewezen.
Vrouw S.K. Wantrouwende blik alsof zij in haar binnenste begeerten verbergt. Poging in het gesprek die begeerten te verdedigen waartoe zij instinctmatig gevoelt te zullen vervallen. Erkenning van het sexueele als de drijfveer van allen. Zola. ‘Iedere vrouw moet nu en dan de cocotte eens kunnen spelen’.
‘Men moet altijd maar de omstandigheden kennen en alles van nabij weten.’ Discipline uitmuntend vinden voor anderen die zij als stommelingen beschouwt nl. nonnen, maar voor zichzelve verfoeien. Minachtend kleine zetjes over haar man soezerig, hij eet maar toe. Zij drijft haar wil door. Armbloedigheid. Zenuwachtige onrust. Afschrik van vormen. Geen begeerten erkennend voor haar die een kind heeft en er zelve geen verlangend. Vrees daarvoor, echt of geveinsd. Uitingen van minachting over bloemzoete mannegezichten. Alleen uitgaan met heeren (familie's) bij hunne voornamen noemen. Haar man alleen laten zelfs alleen laten eten. Afdwalen door de straten in 't terugkeeren, althans volgens haar zeggen door het soezen. Mannelijke gewoonten en gebaren in bierhuizen.
Vrouw S.K.: Vrouw Smit Kleine. Het gaat hier om Josina Henriëtte Smit Kleine-Roquette (1851-1891), de eerste vrouw van Emants' vriend Frits Smit Kleine (1845-1931). Zij was een zeer onevenwichtige vrouw. (Zie: Brieven)
5. Frits Smit Kleine.
Zola: de romanschrijver Emile Zola (1840-1902). Het is onduidelijk of de omringende opmerkingen citaten zijn van Zola of niet.
Een Hombre partijtje. Een heer verliest een spel codille en zegt ik heb 't niet kunnen winnen. Een ander zegt dat spel heb je verknoeid. No. 1 boos zegt dat is niet waar, u mocht wel een lesje nemen in de wellevendheid, no. 2 antwoordt ik zal u morgen mijn getuigen zenden. Den volgenden morgen getuigen bij no. 1 die vragen of hij intrekken wil de woorden dat is niet waar. Zij zeggen dat de ander heeft gezegd verspeeld in plaats van verknoeid wat No. 1 ontkent. Bijeenkomst van getuigen 1 en 2. Elke partij houdt een andere lezing vol. Nu adviseurs ingeroepen, nl de gastheer en een gast, die weder andere afwijkende lezingen geven. Getuigen ten einde raad benoemen ten slotte mediateurs, die een redactie zullen voorstellen waarop de een intrekt als de ander verklaard [in de tekst] dat hij iets niet heeft gemeend. De eerst sterke woorden worden hoe langer hoe zwakker.
Bij de hedenmorgen te 10 uren voortgezette behandeling van het proces tegen Jacob Neelemaat door het gerechtshof alhier, vervolgde de verdediger mr. Jac. Van Gigch zijn gisteren aangevangen pleidooi.
Hij kwam eerst nog even terug op hetgeen hij reeds uitvoerig had trachten aan te toonen, nl. dat het Openb. Min. zeer vluchtig over de quaestie van het bewijs was heengegleden. Het Openb. Min. ging, volgens pleiter ten onrechte, geheel op de waarschijnlijkheid af, maar het Hof moest geen waarschijnlijkheid maar zekerheid hebben.
Pleiter wees daarom nogmaals en met nadruk op het hoogst belangrijke feit dat het dolkmes, na de vermoedelijke worsteling door de getuigen Snoek en Verheul onmiddellijk aan besch. ontnomen, geen duidelijk spoor van bloed vertoonde, terwijl er wonden mede zouden zijn gestoken en gesneden, zoo diep en bloedend, dat de verslagene er door doodbloedde.
Bij de bewering van het Openb. Min. dat besch. niet beschonken zou zijn geweest op het oogenblik dat hij de daad pleegde, - gesteld dat dit bewezen ware stond pl. vervolgens stil. Waarop was die bewering gegrond? Op de verklaring van getuigen, dat besch. 12 passen [boven geschreven: meters] kaarsrecht had geloopen; juist de gewone handeling van beschonken lieden, die willen bewijzen dat ze nuchter zijn. Zonder in breede beschouwingen te treden over al hetgeen geschreven is over de toerekenbaarheid van daden, in dronkenschap bedreven, betoogde pleiter dat deze beschuldigde geen normaal mensch meer kon zijn na het gebruik van 4 à 5 borrels bitter, waarschijnlijk in een brandende zon, terwijl hij iemand was die zelden drank gebruikt. Onder den invloed van dien drank, besch. moge dan niet zichtbaar smoordronken zijn geweest, verkeerde hij zelfs nog den volgenden ochtend en dat dit vaststaat meent pl. te kunnen bewijzen. Er is, zegt hij, in deze zaak een instructie gevoerd waarvoor de
rechter-commissaris niets dan lof verdient en nu blijkt uit diens proces-verbaal dat hij den besch. bij zijn verhoor van 16 Juli 's ochtends nog onder den invloed van gebruikten drank heeft bevonden, terwijl ook door zekere Neeltje De Bas voor dien ambtenaar is verklaard dat besch. in den bewusten ochtend zich zeer zonderling had aangesteld en blijkbaar onbewust was van hetgeen den vorigen avond was voorgevallen.
Pl. wijst er vervolgens op dat in deze zaak niets is dat op een bekentenis gelijkt. Besch. heeft volhard bij zijn opgave dat hij van niets weet en nu moge hij eenige meters kaarsrecht geloopen hebben om te toonen dat hij niet dronken was, deze verklaring van éen getuigen kan niet als bewijs gelden dat de besch. wèl toerekenbaar, wèl bewust van zijn daden zou zijn geweest, wat hij zelf pertinent ontkent. De wetenschap had uitgemaakt - blijkens een citaat dat pl. gaf - dat zelfs het gebruik van een kleine hoeveelheid sterken door iemand die slechts zelden spiritualiën gebruikt [in de tekst], voldoende is om hem in een toestand van volslagen bewusteloosheid te doen verkeeren en ... zonder dat dit door zijn omgeving kan worden opgemerkt.
Geloofde pleiter derhalve dat, aangenomen dat 't feitelijk bewijs geleverd ware - het ontoerekenbare van de daad voldoende is aangetoond, dan nog moest pl. er op wijzen dat volgens de deskundigen Van Spronsen ten gevolge van verbloeding was gestorven, en het stond z.i. volstrekt niet vast dat de wonden, waardoor die verbloeding was ontstaan, in den bewusten avond van 15 Juli door besch. aan den verslagene waren toegebracht. Aangenomen dat besch. Van Spronsen heeft verwond, - was het dan aan die wonden dat de verslagene was overleden? In 't boenhok was hij geduwd, gevallen. Kon dit niet de oorzaak der verbloeding zijn?
Pleiter's conclusie strekte derhalve tot vrijspraak bij gebrek van het gevorderd bewijs, maar voor geval het Hof het bewijs geleverd oordeelde en de toerekenbaarheid aannam, deed pl. nog uitkomen, dat besch. de gevolgen van zijn daad in geenendeele heeft gewild en ze niet heeft kunnen voorzien. Bij het nieuwe strafwetboek wordt die omstandigheid in 't voordeel van een besch. uitgelegd en nu zou 't toch voor dezen jeugdigen, oppassenden man, al zeer te bejammeren zijn, dat hij onder de werking van een zeer verouderd strafwetboek zou moeten boeten, voor een daad door hem niet gewild en in een toestand van onbewustheid bedreven.
Met het volste vertrouwen zag pl. 's Hofs uitspraak derhalve te gemoet.
Bij de hierna gevoerde re- en dupliek hield het O.M. nog nader vol dat de schuld meer dan voldoende was bewezen en er in 't minst niet aan dronkenschap bij besch. moet worden gedacht, terwijl de verdediger voor de beweerde onbewustheid nog aanvoerde dat o.a. het te bed gaan met een geopend scheermes in de hand, zooals besch. had gedaan, toch niet als een normale handeling kan worden aangenomen.
's Hofs uitspraak werd bepaald op morgenmiddag ten 3 ure.
Dit kranteknipsel is afkomstig uit Het vaderland van 10 oktober 1885. Het vaderland van 11 en 12 oktober meldt, dat Neelemaat veroordeeld werd tot vier jaar gevangenisstraf.
Zie ook nummer 1, 16 en 17.
Vraag van R. Oldenbarnevelt: waarom schonk je hun geen chocolade; zij zouden dan even tevreden zijn. - De getuigen weten geen van allen iets aangaande slechte verstandhouding van N. met van Spronsen. Antwoord geregeld: ik heb 't hem niet gevraagd. - Neelemaat zelf antwoordt altijd dat hij zich niets meer kan herinneren. - Iedereen heeft hem hooren knarsetanden. - Heeft 4 jaar correctioneel gekregen.
Zie ook nummer 1, 15 en 16.
Hij in 't volle vuur van zijn liefde. Zij antwoordt: ‘kom maar eens te huis’ en is wat zenuwachtig. Vier en twintig uren gaan voorbij. Zij ontmoeten elkander weêr op een dîner. Dat zij komt is voor hem een goed teeken; maar zij zegt verder niets. Hij rijdt met haar en familie naar huis. Zij zal alleen verder rijden. Bij het uitstappen op de plek van waar zij alleen verder rijdt, blijft hij een oogenblik met haar alleen, maar zij zegt hem kalm goeden nacht en er komt geen ja of geen woord van liefde over hare lippen.
[In kantlijn: Hij verzoekt in zijn kring de vuile uien te sparen en bemerkt dat zij er in te huis is.
Zij zoekt in haar kring de vloeken te sparen en bemerkt dat hij er ook aan doet op een middag als de anderen zich laten gaan.]
De jongste rijk getrouwd nu weduwe. De oudste (± 70 jaar) heeft circa 4000 gulden inkomen; maar eet altijd bij de jongste omdat deze aan haar vader beloofd heeft voor de zuster te zorgen. De nijd is altijd geklommen. Eindelijk bemerkt de knecht, dat de arme zuster een pistool in de zak draagt. Dit wordt haar afgenomen; maar naderhand wordt zij na afloop van het diner weer achter de deur gevonden met het pistool gericht op den uitgang waardoor haar zuster moet komen. De arme zuster is vroom en ziekelijk. Zij roept steeds: ‘de Heer moest mij maar spoedig tot zich nemen’.
Zie ook nummer 213.
Het volk, dat zijn taal versmaadt, is rijp voor slavernij (Kneppelhout).
Emants gebruikt deze uitspraak, die hij ten onrechte aan J. Kneppelhout (1814-1885) toeschrijft, herhaaldelijk in opstellen over het gebruik van bastaardwoorden, o.a. in ‘Ons “Kurhaus”’ in De Nederlandsche spectator (1887), p. 217. Kneppelhout gebruikt de uitspraak, maar als citaat van S.J. van den Bergh
(1814-1868), in zijn opstel ‘Over het herstel van het nationaal tooneel’ (J. Kneppelhout, Stijl Kunst. Amsterdam 1855, p. 153). Dat Emants de uitspraak aan Kneppelhout toeschrijft, vindt wellicht zijn oorzaak in het feit dat A.C. L[offelt] in zijn feuilleton ‘Het tooneel’ in Het vaderland van 19 november 1885 de opmerking zonder vermelding van S.J. van den Bergh citeert bij zijn parafrase van Kneppelhouts opstel. De plaats waar Van den Bergh de zin oorspronkelijk gebruikte is niet teruggevonden.
Zie ook nummer 270.
Op twee bovenkamertjes bij Leen. Mijnheer, mevrouw, 2 kinderen, een baboe, die op den grond voor het bed slaapt. Hij gierig telt angstvallig het boekje na, vraagt na eenige maanden nog een halve cent terug en wil vleesch voor onmogelijk kleine prijzen bijv: 10 centen hebben. Zij laten het vuur telkens nieuw aanmaken omdat Leen dan beglommen kool moet geven. Hij laat zijn vrouw stoffen voor vrouwenkleeren koopen om daar jasjes voor hem van te maken. Hij ranselt zijn vrouw; men haalt de politie, maar als deze komt is alles altijd stil. Deur steeds op slot. Mevrouw wil niet beneden doen gelooven dat zij honger lijdt en strooit daarom brood uit op het binnenplaatsje. De menschen van beneden schrijven haar brieven en bieden hulp aan tegen meneer. Hij verdenkt iedereen en zegt er dan bij dat hij niemand beschuldigen wil. De menschen van beneden laten een neef komen die Fransch spreekt om meneer aan zijn verstand te brengen dat hij een termijn uit betalen moet. Hij behandelt deze zaak ook in het Fransch; maar betaalt niet voordat men weigert zijn koffer te laten vertrekken. De menschen van beneden verschuilen zich als hij vertrekt. Hij eindigt met een tooneel op straat waarin hij alleen zegt: u heeft ongelijk en u ook, en u ook en u ook. Op dezelfde kamers altijd menschen, die op rekening laten halen en het boekje niet kunnen afdoen. Architekt die plannen teekent.
Zie verder ingeplakt papier: zie nummer 75.
beglommen: glimmend, brandend.
Aan een emigranten-paar raadt hij aan levensmiddelen mede te nemen; maar zij verwerpen zijn raad omdat zij alles van reizen afweten. Zij zijn al eens naar Groningen geweest.
L ft nk: waarschijnlijk wordt bedoeld: Lieftinck. Het betreft hier wellicht Franciscus Lieftinck (1835-1917) die achtereenvolgens predikant was in de Friese dorpen Boyl en Kimswerd. Vanaf 1879 is hij ‘geavanceerd-liberaal’ lid van de Tweede Kamer. Ook kan bedoeld zijn J.W. Lieftinck, in de jaren rond 1885 predikant in het Friese Rauwerd (Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden (1887), p. 615).
verbriestert: Lees waarschijnlijk: verbiestert: in de war brengt.
Bewaakt door een man en een juffrouw, die hoe langer zoo familjaarder worden en elkander het hof maken, terwijl zij de portwijn van de oude lui opdrinken en opeten wat hun gezonden wordt. Zij spreken van ‘moes’ en vertellen dat zij haar gisteren avond weer eens flink gebonden hebben, terwijl zij er bij zit. Gemeubileerde boterham. Trarare, trarare!
vdL.: waarschijnlijk: van der Loeff (vgl. nummer 106). Het betreft waarschijnlijk de grootmoeder van Emants' echtgenote Eva Verniers van der Loeff: Jeannette Mathicia Gerarda Hillegonda van den Bosch..
To wil absoluut ook zonder M. zich vertoonen op een groot bal.
To: Jacobus Cornelis van den Tol (1864-1937), een neef van Emants (mededeling van mevrouw L.E.C.J. Emants; zie ook Brieven, p. 35).
M.: M.C. (Mathilde) Slicher (geb. 1867), op dit moment waarschijnlijk de verloofde van J.C. van den Tol. Hun huwelijk zal plaatsvinden in april 1887 (zie nummer 102).
wil zijn dochter wel op een Volksbond concert laten spelen; maar dan moet hij een schep vrijkaartjes hebben. Hij vindt het mooi, dat de grooten in de muziek zich wel willen ophouden met de kleineren en hoopt dat zij nu eens goed in de courant zal genoemd worden. Zij heeft nog haar best gedaan om in een tijdschrift voor de muziekliefhebberij (waarschijnlijk Cecilia) genoemd te worden; maar dat is mislukt. -
Heyer: wellicht Willem Jacob Heyer (geb. 1824), stalhouder, vader van verschillende dochters geboren tussen 1853 en 1865. Zie ook nummer 211.
Volksbond concert: De Volksbond is een vereniging ter bestrijding van drankmisbruik. Ze hoopt haar doel te bereiken o.a. door veredeling van volksvermaken. Daartoe houdt ze bijvoorbeeld op 20 december 1885 in Diligentia een bijeenkomst met muzikale en letterkundige voordrachten van dilettanten.
Cecilia lees: Caecilia. Algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland.
Whistclub (zie 5 bl. vroeger). Rokken spoedig afgeschaft. Standjes over het spel. De baron scheldt een ander uit: Leelijke roode bliksem, daar is het gat van de deur. De ander staat, neemt afscheid (wil natuurlijk geen hand geven aan den baron) maar barst bij de deur in tranen uit om het standje. Alles weer bijgelegd. Uit verveling in een kast gaan logeren.
5 bl. vroeger: zie nummer 10.
een ander: waarschijnlijk Gerard (eigenlijk: Leendert Gerardus) van den Tol (1859-1891), een neef van Emants. (Brieven, p. 35; vgl. ook nummer 43). Op 27 mei 1886 schrijft Emants aan Frits Smit Kleine o.a.: ‘Herinnert ge u Gerard van den Tol nog, eertijds mijn pupil en toen ook wel roode baai geheeten? Vertel het niet verder, maar verneem onder vier oogen, dat dit heerschap thans in een hoerenkast logeert. Sedert vijf weken vertoeft hij bij Madame Celine, en wij zijn nu bezig hem onder curateele te stellen, wat misschien niet zal gelukken. Jong Holland! -’ (Brieven, p. 37).
Draagt ringen om te doen gelooven dat zij geëngageerd is. Zegt dat zij serenades op de fluit krijgt als er 's avonds een heer met een hond en hondenfluit komt. Dweept met vreemde talen, beschuldigt andere meisjes van losheid in den mond. Wandelt gaarne waar zij jongelui kan tegenkomen. Liegt sterk.
Moeder laat dochter trouwen met den man met wien zij het houdt om daardoor dien man bij zich te kunnen houden. Zij laat na de miskraam der dochter den dokter verklaren dat een verdere omgang tusschen man en vrouw schadelijk zou zijn. De jonge man zegt eindelijk eens tot zijn vrouw: je moeder is een hoer. Jonge vrouw krijgt achterdocht en een vriend vertelt haar alles. Man wil eerst niet scheiden om het geld. Zij dreigt met schandaal.
Laksheid.
De familie blijft met die moeder en dien jongen man op goeden voet. Na dood moeder zegt jonge vrouw: jammer, zij zou er zich in verheugen dat ik van dien man af was.
Zie volgend schrift Engagement: zie nummer 181.
Hebben gerekend dat de dokter haar onderhouden zou omdat hij gezegd had: ik sta er voor in dat je 't goed zult hebben als je nu goed werkt. Geen politie naar den dokter. Trots van beide vooral van dochter. Gevraagd door een jongen neef, die evenwel de moeder niet wil onderhouden. Moeder en Dochter willen nu niets meer van elkaar weten en zien daarin iets mooi's. Familie wil hen niet houden. Werpen zich onder den trein.
Dina en M.: Dina was vroeger een keukenmeid van de familie Emants (zie Dubois, p. 175). Zij had een dochter die Maria heette. Dina en Maria vertonen sterke overeenkomst met de personages Lina en Maria in Emants' roman Juffrouw Lina (1888).
Aanleggen? Nou, ik ben een gladde aanlegger. Er is geen tweede zoo in het land. Vraag maar eens aan..... Den tweeden dag had ik het geld en hij zei: 't is prachtig. Dat komt omdat ik alles in den vreemde heb gezien. Op mijn 15e jaar zei ik tot mij zelven: Daar is het Westen, daar is het Westen, dat neemt niemand je af, dat kan niemand veranderen. Of er nu al zeeën en afgronden tien [?] bergen [in de tekst] tusschen liggen, daar is het Westen en daar ga ik hene. Zoo ben ik de wereld ingegaan en dat wil nu maar zeggen dat ik zoo'n krachten in me heb, dat ik mij door niets liet terughouden. Ik heb mijn-ideaal. Ik ben een wonder. Ik heb een ijzersterk gestel. 50 uren per dag heb ik gewandeld. Ik heb toch maar de pokken gehad en 10 uren lang met één straal uit één neusgat gebloeid. Docter - zei nog op zijn sterfbed; B je bent een wonder, er is geen tweede zoo in de heele wereld. Dat komt van het geloof. Wat ik al niet voor heerlijkheid heb doorleefd. Wat daar achter zit weet ik niet, maar het heeft mij altijd geholpen. Ik ben een moede zwerver en toen ik nu in het jaar 1871 als een moede zwerver in deze polder kwam zei een oostersche heer, dien ik nog nooit had gezien: B daar liggen duizende guldens voor je. Zie je dat niet. Raap ze op, ik wil dat je ze opraapt. Altijd heb ik zegen gehad, maar van de vrouwen heb ik nooit iets willen weten (hij vraagt er telkens en vergeet dan dat hij ze heeft gevraagd). Op mijn vijftiende jaar had ik mijn hoofd al vol van hoogere zaken. Voor mij hangt over niets meer een sluier. En altijd heb ik in de boeken gezeten: de natuur des bijbels, de werken van Cosmos en de geschiedenissen van de Buitenlandsche Grieken en Romeinen: Ook heb ik wetenschappelijke werken. Ik ben met het geloof in mijn kop de wereld [tussen deze regel en de volgende: Gereisd in den geest.] over gepoetst. Van Bismarck (later zoon B) heb ik een eigenhandig cadeau gekregen, een sigarenkoker, die op mijn zwerftochten weg is geraakt, maar nog heb ik een eigenhandig gezant [in de tekst] van den

6. Fragment van het handschrift van Juffrouw Lina.
Chineeschen gezant gekregen in den oorlog van de Krim en Sebastopol, toen zijn kasteel Sleeswijk Holstein was verbrand. Dit is een Chineesche zijden zakdoek. En dan heb ik mijn verzameling gouderts en andere mineralien en marmersoorten, eigenhandig opgeraapt. Als ik duiten had ging ik weêr de wereld in, want al ben ik 50 jaar, er is geen stijvigheid in mij. Nooit heb ik gezondigd, er is niemand die in kwaadaardigheid een punt op mij kan zetten. Niet zooveel is er op mij te zeggen. Nooit vloek ik, maar altijd zie ik naar de schoonheid der natuur en de karakters der menschen. Mijn leven is in rook en damp voorbijgegaan. Ik weet alles van den aardbol en van alle andere bollen. Aardrijkskunde dat heeft mij altijd aangetrokken. Nooit heb ik gelogen. (Terzelfder tijd loog hij tegen anderen omtrent mijn bezoek zeggend dat ik haast had en naar de spoor moest. Anderen zeggen dat hij gek is en de heele buurt bij elkaar vloekt). Ik heb kennis gemaakt met koningen en prinsen en buitenlandsche leden. Ondertusschen wat zeg je van die bonte klim en dat palmpje? Spreken over het geloof en maatschappelijk. Anderen willen 't van hem hooren.
Openmaken knipslot met een spijker. Waarschijnlijk motief meiden die met flesschen werden betaald. Getrouwde man. Viel dadelijk door de mand. Langdurig ernstig zwijgen; geen expressie, kijken op de nagels. U zoekt mijn ongeluk toch niet. U zoekt mij niet. Ik sta op straat. Om godswil. Ik zweer u bij God almachtig. Eindelijk na lang aarzelen papier geteekend waarbij hij bekent. Belooft u mij daarvan pas gebruik te maken als het weder voorkomt.
President had goed gedîneerd. Geeft zich zelven het woord. Een candidaat moet ondersteund worden. Niemand vraagt het woord. Eindelijk staat er een op en zegt dat hij een goede dissertatie heeft geschreven; tweemaal president van het corps is geweest en nu president van een zangvereeniging is. Men telephoneert even om te weten of hij 't aanneemt.
G. beschuldigt mij naar ik verneem van een duur schrijver te zijn, die minstens ƒ50 per vel van zijn uitgevers vergt. Hij heeft mij betaald ƒ25 voor het geheele werk Langs den Nijl, ƒ100 voor den heelen Goudakker. Later zond hij uit eigen beweging nogmaals ƒ50 voor het laatste werk. Monaco's tweeden druk gaf hij uit zonder er mij in te kennen, zonder er recht op te hebben en zonder er mij een cent voor te betalen.
G: C.J.L.W.E. Gosler (1858-1921), uitgever en schrijver. Van Emants gaf hij uit
7. C.J.L.W.E. Gosler.
Langs den Nijl (1884), Goudakker's illusiën (1885) en de - blijkens deze aantekening niet geautoriseerde - tweede druk van Monaco (1886). In Brinkman wordt in 1884 nog een ‘nieuwe uitgave’ vermeld van Monaco (de eerste druk verscheen in 1878 bij W.C. de Graaff te Haarlem). Waarschijnlijk heeft Gosler de nog resterende exemplaren van Monaco gekocht uit de failliete boedel van De Graaff en die ‘opnieuw’ uitgegeven. De door Emants genoemde bedragen komen overeen met die welke hij noemt in een brief van 9 juli 1886 aan Smit Kleine (Brieven, p. 38).
Ik ben tien jaren in een krankzinnigen gesticht werkzaam geweest. Dat herhaalt hij elk oogenblik. Ik heb jaren lang les gegeven en beweer dan ... Ik heb een brochure geschreven en bewijs daarin ... Verwerpt de erfelijkheid op grond van de meening dat alle kinderen van twee ouders dan gelijk moesten zijn. Hij stelt Offenbach hooger dan Wagner omdat Offenbach vroolijk stemt. Hij danst den cancan en beweert dat dat de gracieuste dans van de wereld is. Hij heeft zich jaren lang laten bewaken om studies te maken van het droomen (liet zich dan wekken en in verschillende houdingen leggen). Hij danst ook met castagnetten. Als iemand tegen hem wil argumenteeren legt hij zijn hand op uw arm en zegt ssssttt. Gesticulatie met dikke uitgespreide vingers in de hoogte. Domineeachtig.
Referendaris. Begint met te zeggen: ik heb de begrooting bestudeerd en ben nu klaar. Zij kunnen mij nu tot minister of gouverneur-generaal benoemen. Laat zijn kinderen voor hem knielen. Geeft commiezen opslag van tractement. Vindt alles te goedkoop. Koopt voor groote sommen. Voor ƒ300 aan rozen in een klein tuintje. Was in Arnhem, komt een gepensionneerd militair tegen. Zegt dat hij incognito daar is. Benoemt hem tot opperbevelhebber van het leger en geeft hem zijn traktement: een kwartje.
G.v.d. T wil zijn curateele niet aanvragen wegens zwakheid van geestvermogens. Gelooft dadelijk dat dit maar een formule is. [In kantlijn: Zie vroeger Jong Holland baron.] Logeert in een kast, dankt God dat hij er uit is en zegt dat hij er niet voor zijn plezier zat. Werd daar achteraf gezet, kreeg haast geen eten meer. [In kantlijn: Hij spreekt in zichzelf: Zoo is 't altijd geweest en zoo zal het ook wel blijven.] Raast en tiert tegen zijn koetsier, die geld opneemt op een pensioen, dat hij van den koning heeft, om het voer voor het paard te betalen. Hij is nu en dan confidentieel met zijn koetsier. Gelooft alles wanneer men hem maar wijsmaakt dat hij het zelf wil en met eigen wil doet.
G.v d.T.: Gerard van den Tol.
Zie vroeger Jong Holland baron: zie nummer 10. Zie ook nummer 30.
Een jonge mooie man, die meegedaan heeft met een maskerade wordt door een meisje schriftelijk gevraagd. (Zij bekent hem dat zij hem liefheeft) Zij geeft hem rendez-vous; hij is dronken en komt niet. Hij kent haar niet, maar leert haar kennen. Volgt engagement. Zij bevallen elkander niet of wel hij verwaarloost haar en op goeden dag vergeet hij een afspraak in het gezelschap van vrienden. Zoo raakt het af.
Hij gaat met de socialisten mede om te stemmen, want hij heeft toch ook wel eens iemand lief, en wil dat dan toonen door hem te stemmen. Schande dat een bordeelhouder stemmen mag; hij niet. Hij zegt evenwel: ik ga niet meer mede als je aan mijn eigendom raakt. Zijn huurder moest er uit omdat hij zei dat D.N. zijn god was. Anders zou hij (de tuinman) in zijn eigen huis niet veilig zijn geweest.
D.N: waarschijnlijk de socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919).
Déveine. Oesterput 6 jaren bestudeerd, vrienden voor opgewarmd. Men weet niet van waar de oesters komen. Zij moeten des winters door de groote diepte tegen bevriezen bewaard kunnen worden. Tonnen inlaten waartegen de jonge oesters aanslaan; deze worden er voorzichtig afgedaan in de putten, waarin zij schalen vormen. Hij kreeg niets geen aanslag. 'S nachts uitgevaren om in de winterkoude te gaan zien hoe 't hun ging. Zag hij de schelpen openstaan dan waren zij dood. Koelwater doet hen prospereeren, maar onsmakelijk worden. Ten slotte raad om niets meer te probeeren. De eene helft der aandeelhouders verwijt hem het vruchteloos geofferde geld, de andere dat hij niet doorzet. Na zijn uittreden heeft men er een kreeftenpunt van gemaakt; maar de kreeften zijn nooit meer terecht gekomen.
Een tapper heeft om zijn meid te houden een briefkaart geschreven, waarin hij den dienst af zegt en belooft het handgeld terug te zullen geven. Hij beweert nu ten slotte dat men haar den dienst heeft opgezegd en weigert het geld af te geven.
Argumenten: Ze kunnen je niks maken. Ik wil er nog wel vijftig gulden voor zetten dat ze je niks kunnen doen. Ik zou 't niet geven. Laat ze verrekken die mevrouw. Is dat een mevrouw. 't Is een mevrouw van niks hoor.
godspenning: handgeld dat een knecht of meid ontvangt bij het in dienst treden. Dit geld moet worden teruggegeven, als de afspraak van de zijde van de dienstbode wordt verbroken.
Voor de ziekte brommig, ontevreden en ziekelijk. Vergelijken bij anderen, klagen over déveine, gevoel van miskend te zijn, lastig. In de ziekte (hoogmoedswaanzin) tevreden, verbeeldt zich alles te zijn, deelt ridderorden uit, geeft cadeaux, goedhartig, verbeeldt zich anderen gelukkig te maken.
Een jonge man bluft er op een vrouw te hebben verleid. De man hoort dat van een derde. De vrouw ontkent het. De man laat den jongen een verklaring teekenen dat alles gelogen is.
Dit jongmensch doet zich als rijk voor, weet te vleien, geeft veel cadeaux en weet vrouwen van mannen te nemen, die niet willen of kunnen duelleeren. Hij schijnt ook geld van vrouwen gekregen te hebben.
G. schrijft aan H. ten huize van zijn notaris. Notaris opent den brief en telegrafeert: Kantoor L. niet soliede. Hij telegrafeert naar verschillende plekken waar H. kan wezen. H. dadelijk terug. Bankier wil spreken. Neen zegt H., geeft mij mijn papieren maar terug. Hij wandelt met den aap in een reistasch door de stad. Conferentie met een ander over de Batjan zaak. Wat denkt u er van. O zegt H. altemaal bedrog en knoeierij. Vindt u niet dat het hoofdkantoor te Amsterdam opgeheven moest woorden. O!!!
G.: Gerard Emants (1857-1893), broer van Marcellus Emants. Hij had belangen in de Batjan Maatschappij.
Kantoor L.: waarschijnlijk de firma P.J. Landrij te 's-Gravenhage, waar de balans van 1885 van de Batjan Maatschappij ter inzage lag met het oog op de aandeelhoudersvergadering van 12 juni 1886 (blijkens een advertentie in Het vaderland van 15 mei 1886).
Batjan zaak: de Batjan Maatschappij werd in 1881 opgericht met als doel het in Batjan in Indië, ‘in cultuur brengen van onbebouwde gronden, het koopen, inzamelen en verkoopen van landbouw- en handelsproducten van allen aard, het exploiteeren van sagobosschen, het verzamelen van delfstoffen en verkoopen daarvan in ruwen of bewerkten staat, het visschen naar paarlmoer en ander zeeproduct en het oprichten der daartoe noodige fabrieken en gebouwen’. 's-Gravenhage was de zetel van de maatschappij, maar de direktie bevond zich in Amsterdam. Over 1883-1885 vond geen winstuitdeling plaats en ook verder zou de maatschappij niet erg suksesvol blijken (Zie: A.H. van Nierop en E. Baak, De Nederlandsche naamlooze vennootschappen jrg 1886, p. 528-529).
Zie ook nummer 89 en 97.
Concessionarissen moeten afstand doen van percenten die zij vooruit hebben. Dit gelukt eindelijk en nu verklaart op de vergadering de president (na de teekening van een onderhandsch contract hierover) dat er tusschen aandeelhouders en bestuur de meest volmaakte overeenstemming heerscht.
Hierna verscheen voor het Hof J.E. Van D., commissionair te Rotterdam, wien wordt ten laste gelegd valschheid in een geschrift van koophandel, door het verzinnen eener verbintenis en het desbewust gebruik maken daarvan. Deze besch. was sedert 3 Maart jl. als agent en bode in dienst van de levensverzekeringsmaatschappij ‘Conservatrix’ te Amsterdam, en als zoodanig belast met het te Rotterdam aanwerven van leden en het ontvangen van premiën, waarvoor hem provisie werd toegekend.
Besch. deed het aanvankelijk voorkomen, alsof hij met groote ijver in het belang der maatschappij werkzaam was, maar het bleek later dat de lijsten van zoogenaamd nieuwe leden, door hem overgelegd, òf voor het meerendeel gefingeerde namen bevatten òf namen inhielden van personen die, bij onderzoek, van niets wisten.
Eén zijner handelingen bracht hem met den rechter in aanraking. In de maand Mei wist hij juffrouw J.M.S. over te halen om zich te doen verzekeren voor ƒ500. Hij liet haar daartoe een aanvrage teekenen en deed zich daarna de eerste maandelijksche premie van ƒ2,28 uitbetalen. Om nu de juffrouw te doen gelooven dat haar verzekering werkelijk was aangegaan, reikte hij haar een polis uit, waarvan echter later de valschheid aan het licht kwam. In die polis, die besch. in zijn bezit had en van iemand was wiens lidmaatschap was vervallen, had hij cijfers en namen weten weg te maken en daarvoor in de plaats gesteld datgeene wat op juffr. S. betrekking had. Na de afgifte van dat valsche stuk, had hij de tweede maandelijksche premie van ƒ2,28 ontvangen en evenals de eerste voor zich behouden.
De besch. bekende de polis te hebben veranderd, maar beweerde dat dit stuk geen kracht had, daar het door een echt zou worden vervangen, wanneer de juffrouw geneeskundig zou zijn onderzocht. Liep dat onderzoek ongunstig uit, dan zou 't geld haar worden teruggegeven. De afgegeven polis diende slechts om haar niet te doen terugtreden.
Adv.-Gen. jhr. mr. De Savornin Lohman requireerde veroordeeling tot 1 jaar gevangenisstraf.
Mr. R.J.H. Patijn, die mede voor 't eerst als verdediger optrad en 's Hofs welwillendheid voor zich inriep, geloofde dat in deze zaak niet de Code Pénal maar het nieuwe Strafwetboek moest worden toegepast. Hij beweerde voorts uitvoerig dat door de knoeierijen van besch. aan de maatschappij geen nadeel kon worden toegebracht, daar zij alleen dienden om den schijn te geven, dat hij voor de maatschappij met ijver werkzaam was. Het nadeel aan juffr. S. toegebracht was z.i. uiterst gering en het kwam hem voor dat de straf door het O.M. geëischt, zeer zwaar was. Hij hoopte ten slotte dat het Hof een geringere straf zou opleggen en daarbij in rekening zou brengen de acht weken, die zijn client reeds in preventieve hechtenis had doorgebracht.
Dit kranteknipsel is afkomstig uit Het vaderland van 24 september 1886.
Algemeene vergadering. Luide rumoer van een samenzweering hing in de lucht. Drukke opkomst van de commiezen en vrienden van een referendaris aan de bestuurstafel. Stemming over 6 bestuursleden uit de gewone leden. Viermaal gestemd. Ten slotte waren twee van de ouden [hierboven geschreven: Oyens en Sluiter] herkozen, Netscher, A.E. van Kempen, Vernede, Dooremalen. Incident: ik beweer dat stemming onregelmatig was omdat de blanco biljetten niet voor de meerderheid waren medegeteld en de biljetten met 4 namen van de twee anderen blanco waren. Netscher stemopnemer beweert dat de voorzitter die opmerking had moeten maken. Ising zegt: ik leid de vergadering, maar ben haar niet. Daar de meerderheid ten slotte

8. Omslag van Het Servetje door Conviva (pseudoniem van Gerard Keller) dat handelt over Oefening Kweekt Kennis.

9. Frans Netscher.
weinig anders zou geweest zijn blijft de stemming onveranderd. Coens uit naam van anderen sprekend wijst er op dat Oefening rijk is (servetje afgeschaft?) en hooge honoraria zou kunnen geven en dat de leden meer invloed verlangen. Na afloop bedankt Levyssohn den president en zegt dat hij dat vooral doet omdat Netscher hem een grove knauw heeft gegeven. Netscher zegt dat hij hem niet begrijpt. Ising zegt dat knauwen van zekere zijde hem erg onverschillig zijn.
Oefening: Het letterkundige genootschap Oefening Kweekt Kennis (O.K.K.). Het in deze en volgende aantekeningen beschreven konflikt dat zich afspeelt in het genootschapsjaar 1886-1887 wordt ‘officieel’ beschreven door S.W.F. Margadant in zijn Geschiedenis van het letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis 1834-1934. Den Haag 1934, p. 73-79. Margadant wijt het konflikt aan de ‘persoonlijke eerzucht en kleinzielige naijver’ van Frans Netscher (1864-1923), benevens aan de afkeer die de jonge naturalist had van oudere letterkundigen.
Zie verder: zie nummer 62; zie aldaar ook de verdere verwijzing.
Algemeene vergadering: De jaarlijkse algemene vergadering van O.K.K. vond - veel drukker bezocht door gewone leden dan gebruikelijk - plaats op maandag 11 oktober 1886 in Diligentia. Gewone leden enerzijds en werkende en ereleden anderzijds leveren beide een deel van de bestuurderen. Zes bestuursleden uit de
gewone leden moesten herkozen dan wel vervangen worden. Herkozen werden J.C. de Marez Oyens (1845-1911, administrateur aan het ministerie van waterstaat, handel en nijverheid) en R.A.W. Sluiter (1824-1898). Niet herkozen werd J. van Aalst (1813-1900, leraar wiskunde Gymnasium Haganum), J.C. van Brakel (geb. 1849, kandidaat-notaris, vertrekt in 1889 naar Algiers), W.N. van Hamel (hoofdkommies Departement van Buitenlandse Zaken) en F. Stam (geb 1848, jurist, vertrekt in 1889 naar Ajaccio). In hun plaats werden gekozen Frans Netscher, A.E. van Kempen (1843-1902, fabrikant), P.A. Vernède (1837-1891, ambtenaar) en J.C. van Dooremaal (1837-1893, oogarts).
Incident: Het betreffende incident doet zich voor tussen de derde en de vierde stemming. Emants protesteerde tegen de handelwijze met de blanko stemmen en in dit verband vermelden de notulen van de vergadering, dat Netscher ‘zich tegen den voorzitter uitlaat’.
Ising: A.L.H. Ising (1824-1891), stenograaf bij de Tweede Kamer, voorzitter van O.K.K. van 1878 tot 1898.
Coens: lees: J.J. Koentz (geb. 1869).
servetje: de befaamde ‘nanut’ van spreker en werkende leden na afloop van een spreekbeurt. Vgl. het gelijknamige boekje van Conviva (ps. van Gerard Keller), Het Servetje. Herinnering aan ‘Oefening Kweekt Kennis’. Leiden 1878.
Levyssohn: H.D. Levyssohn Norman (1836-1892), voormalig lid van de Raad van Indië.
(Behalve aan het reeds genoemde boek van Margadant zijn gegevens ontleend aan de notulen van de 52e algemene vergadering van O.K.K., inventarisnr. 6 van het archief van O.K.K. in het gemeentearchief te Den Haag en aan het Verslag van den staat en de werkzaamheden van het letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis te 's Gravenhage over het jaar 1886 tot 1887 [...], inventarisnr. 53 van het archief van O.K.K.)
Ik heb een zwager in heel Amsterdam bekend. [In kantlijn: commissionair in effecten.] Ik geef hem millioenen met dezelfde gerustheid als ik hem een segaar zou geven. Die man heeft routine. Als hij in zijn hoek komt, dat is geen fijne hoek, alle hoeken kunnen niet fijn zijn, dan ziet hij dadelijk of een koers origineel of fictief is. Vat je 't, neen maar vat je 't em. [In kantlijn: In dien hoek komen ook wel fijne lui en ook gepeupel en schorri morrie.]
Lokaal boven een bierhuis, waarin zij Baccarat en Roulette spelen. Dikwijls hoog. 'S avonds laat vangen zij de meiden op van het Alcazar.
Soms bal nu.
Alcazar: een gelegenheid in de Hofstraat te Den Haag, waar blijkens regelmatige advertenties in Het vaderland iedere avond vanaf 8 uur meisjes optraden.
Vergadering van vrienden. Twee punten behandeld 1o plan president om eene buiten gewone vergadering bijeenteroepen teneinde Netscher om Oefening te redden weer af te zetten 2o de quaestie of Ising president zal kunnen blijven tegenover zoo'n bestuurs lid. Van Maurik heeft bedankt te komen vreten; men zal trachten te weten te komen of dit om der wille van Netscher is. Eerste plan geheel verworpen, men hoopt dat Netscher zelf zal aftreden of 't volgend jaar niet herkozen worden. Marez O. heeft intusschen zijn ontslag gevraagd omdat hij niet de drijver wil heeten der beweging. Hij schijnt Netscher niet gewild te hebben, maar men is 't over hem niet eens. Van Kempen blijkt bij vergissing (voorletters) gekozen te zijn. Men haalt Ising over te blijven. Hij belooft dit als andere bestuurderen het altijd en dadelijk voor hem zullen opnemen tegen Netschers hatelijkheden. Dit wordt beloofd. Anders zegt Ising geef ik hem een klap in het gezicht. Waarachtig ik zou het doen. Vosmaer blijft nu ook; maar zal Netscher vermijden. Men besluit goed op te komen voor Maandag als wanneer Van Aalst eerelid moet worden, Stam en van Brakel werkende leden. Maandag bleef de installatie der nieuwe bestuursleden eenvoudig achterwege. Verschillende vergaderingen werden in een half uur tijds achter elkander geopend en weer gesloten (Bestuur, Werkende leden en bestuur enz:) en door middel van snel afhameren werden de werkende leden en het eerelid benoemd. Dus een overrompeling zonder protest. [In kantlijn: Zie 9 bladzijden verder.]
Vervolg van nummer 57.
Vergadering van vrienden: deze vergadering vond blijkens een brief van Emants aan Smit Kleine van 18 en 19 oktober 1886 plaats op 18 oktober. Het betrof een vergadering van ‘alle bestuurderen, werkende en afgezette leden, uitgesloten Netscher, Vernède, Doormalen en van Kempen’ (Brieven, p. 42; daar ook verdere informatie over deze bijeenkomst).
Van Maurik: Justus van Maurik (1846-1904) was een van de populairste sprekers in O.K.K. Van Mauriks weigering hing samen met het feit dat Netscher over hem
10. J.C. de Marez Oyens.
11. A.E. van Kempen.
12. L.J.S. van Kempen.
13. J. van Aalst.
een zeer kritisch artikel gepubliceerd had in De nieuwe gids 1 (1885-1886) I, p. 329-354. Omdat Netscher beloofde op die avond niet als bestuurslid te zullen optreden, zou Van Maurik toch besluiten om op 8 november 1886 in O.K.K. op te treden.
Marez O.: J.C. de Marez Oyens.
Van Kempen: naast de tot bestuurslid gekozen A.E. van Kempen telde het genootschap ook L.J.S. van Kempen (1838-1910, fabrikant) onder zijn leden.
Vosmaer: de letterkundige Carel Vosmaer (1826-1888) maakte deel uit van het bestuur van O.K.K. namens de werkende leden.
Maandag: op maandag 25 oktober vergaderde om 7 uur 's avonds het bestuur van O.K.K. in Diligentia. Het besloot J. van Aalst, lid van O.K.K. vanaf 1 februari 1841 en bestuurslid vanaf 8 oktober 1860, tot erelid te benoemen. In de aansluitende vergadering van bestuur en werkende leden om kwart over zeven werd voorgesteld Stam en Van Brakel tot werkende leden te benoemen en de statutair noodzakelijke volgende vergadering ‘onmiddellijk na afloop van deze tegenwoordige vergadering’ te houden. In deze nieuwe vergadering ‘even na’ kwart over zeven werden Stam en Van Brakel inderdaad benoemd (notulen O.K.K., inventaris nr. 6 archief O.K.K. in Gemeentearchief Den Haag).
Zie 9 bladzijden verder: zie nummer 90; zie aldaar ook de verdere verwijzing.
Men geeft een groot dîner. Voor het dîner bewondert mijnheer het mooie toilet van zijn vrouw. Zij zegt voor een spiegel staande, je moogt je wel gelukkig achten zulk een elegant vrouwtje te bezitten. Hij zegt ja, ik ben ... en is dood. Op dit oogenblik komen de gasten in gala binnen.
De weduwe van dezen man heeft herhaaldelijk in haar leven droomen die maanden later woordelijk uitkomen. Onder anderen van haar dochter, die tegen een tante zegt: zeg het maar niet aan mama; ik sterf hieraan (zij wees daarbij op haar borst) en van haar man, die 's morgens in haar kamer trad zeggende: je dochter heeft geleefd.
Zie ook nummer 64.
Bovengenoemde vrouw maakt in den trein kennis met een eenvoudig gekleede dame (haar man had haar bij 't instijgen aan de medereizigers gerecommandeerd). Zij vindt die dame terug in de zalen van Monte Carlo, kennelijk als cocotte. Zij verliest van den schrik haar waaier en bril. Tehuis gekomen herinnert zij zich dat deze vrouw ze waarschijnlijk had gevonden. De vrouw bekent het; maar stelt van dag tot dag de teruggave uit omdat deze voorwerpen haar een groot geluk hebben gebracht. Zij won 80000 franken. (Zie verder) Naar de verdere reis te oordeelen brachten zij ook de eigenares geluk aan.
Bovengenoemde vrouw: zie nummer 63.
Zie verder: zie nummer 66.
| Een oude vrijster: | Lange pauze. I can't drink tea; I take cocoa. |
| De andere, een Duitsche begrijpt niet wat kokoo is en vat 't eindelijk nadat de eerste het eenige malen heeft herhaald. | |
| De eerste | Schweizer Cocoa. |
| De andere | Sprechen Sie schon ein bischen Deutsch. Das ist recht hübsch. |
| De eerste gaat er niet op in en zwijgt. | |
| Lange pauze. | |
| De andere (ziende dat de eerste kousen breit) | Ze day tat I married I have given all mij needles and my stockings to mij aunt. I can not have zose cold tings in mij hands. |
| Lange pauze. |
Deze dame van ± 60 blijkt een malloot te zijn. Zij maakt den mannen complimentjes, wil nog dansen, comediespelen, biljarten alles schijnbaar om te helpen. Aan een jonge vrouw die gedanst heeft vraagt zij: heeft hij je erg gedrukt (pressée). Zij zegt telkens ce sera charmant (nl. voor haar) en noodigt dan anderen uit haar voor te lezen, met haar te spelen enz. Zij heeft talent voor alles (walsen, teekenen, comediespelen), staat erg op manieren, vertelt dat zij 't rondweg aan iemand durft zeggen als hij manieren heeft die haar aanstoot geven. Zij kletst altijd door, iedereen heeft een schrik voor haar. Standjes over een rookenden heer aan een whist tafel. Zij smijt de kaarten neer en zegt dat zij is de la politesse la plus exquise. Hij verstaat alleen Duitsch.
Zie boven: zie nummer 63 en 64.
Een jongmensch alhier (een stumpert) moet ergens gaan waar veel wind is. Zou de dokter verwachten dat een windkuur zijn hersenen zal doen ontwaken? Verliefd op een dame (getrouwd) koopt hij om met haar te dansen een nieuwen plastron en vertelt haar dat.
Deze gegevens worden door Emants gebruikt in het verhaal ‘Een gevaarlijk middel’ in de bundel Lichte kost (Amsterdam 1892, p. 219-245, oorspronkelijk verschenen in Het vaderland van 7 en 8, 9, 10, 11 juli 1889).
Zie ook nummer 70 en 72.
Zit eenige dagen in een hôtel (restaurant) aan een tafel te eten. Een dame met een kind zit geregeld aan een andere tafel met een kind. Door middel van een gemeenschappelijken vriend maken zij kennis. Zij wil 't. Op een dag neemt zij in 't gaan naar een terras zijn arm, drukt dien buitengekomen, noodigt hem uit op haar kamer eenige photographien te zien enz: Eind was dat zij op zekeren dag met roode oogen hem
komt smeeken afte reizen, want men heeft achterdocht en zij verwacht haar aanstaande. Hij reist af, krijgt larmoyeerende brieven, vindt haar in Berlijn terug en verneemt dat zij om de praatjes flink tegen te kunnen spreken haar aanstaande (eigenlijk nog maar candidaat-aanstaande door haar familie haar opgedrongen) dadelijk heeft aangenomen.
Zie ook nummer 69.
Bovengenoemde dokter is getrouwd en heeft kinderen. Toch reist hij altijd rond. Hij is Dr in de rechten en schrijft Culturwissenschaftlich. Nu en dan stuurt hij aan zijn vrouw een kist vruchten. Hij houdt van wederzijdsche vrijheid en beschouwt de vrouw volgens het vers Die Rechte für den Spatz. Die Pflichte für das Spätzchen. Hij wilde vertrekken toen een jongmensch aankwam die er vermogend uitzag. Hij onthaalde hem 's morgens op oesters en ale. Daarna noodigde hij hem uit écarté te spelen. In weinige dagen verloor de jonge man, die slecht speelde 300 franken. Hij noodigt anderen uit om baccarat te spelen en wint dan steeds kleine sommen. Hij vraagt ook veel ter leen en belooft dan het geld te zullen zenden. Hij heeft avonturen met vrouwen, is grof in zijn aardigheden en erg brutaal. Hij beweert niets om geld te geven en altijd even fijn in zijn manieren te zijn. Soms is hij aangeschoten en dan onuitstaanbaar brutaal.
[In kantlijn: Hij leent van allerlei menschen kleine sommen, die hij nooit teruggeeft en bekladt hen dan, dat zij hem hebben willen verleiden als het vrouwen zijn, zeggend dat zij hem niet meer aanzien om dat hij niet van haar gediend was. Ruw, blufferig; vanteert zich over geluk bij vrouwen.]
Zie ook nummer 68.
Een wereld van allerlei op een goedkoopje als: spelers zie boven, die het alleen te doen is om hunne rekeningen betaald te krijgen; meisjes die achter mama's rug kleine avontuurtjes hebben (zij lokken met een blik de jongelui in hun kamer), kleine schrijfsters die wat applaus in een kleinen kring komen halen, oude vrijsters, die gezelschap op een goedkoopje zoeken. Russische princessen met valsch haar en blanketsel, die voor 2 à 5 franken op zolderkamertjes en pension zijn. Voorname Engelschen, wier Iersche pachten niet worden uitbetaald. Niet erge en niet rijke borstlijders. Nu en dan komt er een erge onder voor en gebeuren er ook erge dingen als meisjes, die door getrouwde mannen worden geschaakt. Verder nog schilderessen die les geven voor 5 franken in het uur en zelve niets kunnen, ook verkoopen zij. De amusementen zijn dansen tweemaal 's weeks, biljarten, kleine hazard spelen, praten, (bals in beddelakens met beddekussens op het hoofd waarbij de onkosten een viertal franken per hoofd bedragen). Theater is goedkoop en slecht, de hôtels dito, dito. Veel oude lui.

Montreux: in november 1886 verbleef Emants enige tijd in Montreux (zie Brieven, p. 43).
zie boven: zie nummer 69. Zie ook nummer 67.
Evenals die van nummer 72 gebruikt Emants deze gegevens in de aanhef van het verhaal ‘Een gevaarlijk middel’ in Lichte kost (Amsterdam 1892, m.n. p. 219-221).
Een meneer heeft altijd veel opgegeven van zijn voorname connectie's waaronder een bankiersfirma in Parijs. Hij spreekt op aandoenlijken toon van zijn moeder in Breslau. Op zekeren dag wordt een zijner bekenden bij hem geroepen. Hij vindt hem in tranen met een telegram en een revolver in de hand. Hij neemt hem het pistool af en hoort nu dat zijn moeder is gestorven. Een volgende telegram van een zoogenaamde broeder uit
Berlijn meldt: moeder gestorven kom dadelijk voor de begrafenis. Dadelijk pakt hij al huilend in. Op het laatste oogenblik heeft hij geen geld en vertoont een telegram uit Parijs envoyé mille francs. Met een procuratie (eenvoudig schrijven met valschen naam onderteekend) geeft hij zijn nieuwen vriend recht het geld af te halen en krijgt van hem 1000 francs te leen. Hij reist af en nu blijkt dat zijn zoogenaamde moeder in Breslau niet bekend was en dat er geen geld was gestuurd.
Eten slecht, electrisch licht dun water op een goedkoopje aangebracht, rossig en onvoldoende. Spellen kapot of afwezig. Verveling. Slechte verwarming.
Zie ook nummer 70.
Een Hongaar die in een hotel 6800 franken heeft verloren komt acht dagen na afreis van de personen met wie hij speelde uit eigene beweging tot de slotsom dat zij gauwdieven waren. Nu wil hij hen afrossen als hij ze ooit weerziet; want hij speelt alleen met Cavaliere. Ein Hungar bezahlt aber er prügelt auch.
Hij grondt er zich vooral op dat een van hen zich een Italiaansche baron noemde terwijl er in Italië geen baronnen zijn (baron de Morries). De ander was een koopman wiens voornaam was Prudent (Monsset). [Tussen de regels: négociant Alger (rentier Paris).]
De nummer 73 en 74 vormen de basis voor het verhaal ‘Een onfeilbaar systeem’, oorspronkelijk verschenen in Nederland (1887) II, p. 185-228, later opgenomen in de bundel Lichte kost, Amsterdam 1892, p. 1-62. Opvallend is, dat de namen van de personages maar weinig veranderd zijn: ‘Morries’ wordt ‘Morrien’, ‘Monsset’ wordt ‘Masset’.
De Hongaar was naar Mentone gekomen om in Monte Carlo te spelen. Hij had te huis een onfeilbaar systeem gevonden. Het spelen verveelde hem, maar hij bekende het uitsluitend met het oog op de verdiensten vol te houden. Den avond van bovengenoemde geschiedenis was mevrouw Prudent meegekomen die de Hongaarsche vrouw in den grooten salon hield. Prudent sloeg (na het écarté) voor een spel met vier omgekeerde kaarten. Men zette waarop men wilde, maar liet een kaart voor den bankier. Het ging eerst met 1e twee louis en liep op. De bankier won altijd [...?] van bankier. Men nam hem tien duizend af en liet hem toen weer wat terugwinnen, waarna hij het spel staakte belovende eerstdaags te zullen betalen. Hij had niet genoeg bij zich. Hij betaalde 1200 franken uit. Restant was 5200. De baron verliest ook voor de leus. Nog spelen zij écarté waarbij de baron, die veinst het spel niet goed te spelen hem in de kaarten kijkt. Volgende morgen maakt de vrouw uit, dat het spitsboeven zijn geweest. Zij herinneren zich nu détails. Verwisseling kaarten. [In kantlijn: Een avond te voren had de baron de Morries hem Prudent (alleen) voorgesteld. Den baron kent hij pas
sinds een paar dagen. De baron wilde Duitsch leeren van zijn vrouw en verveelde zich aan tafel naast de Engelschen.
Na dat eerst ieder de bank had gehad en had gewonnen, knoeide Prudent iets met de kaarten terwijl de baron den graaf aan de praat hield.] Beraadslaging met vrienden bijv: met echten Italiaan. Men besloot naar den commissaris te gaan en voorlopig niet te betalen. Commissaris noteert namen en zal onderzoeken, maar als men geen betere bewijzen heeft, kan hij niets doen. Hongaar is woedend, zegt dat hij in Pesth hen terstond ins kuhle zou laten zetten, want de commissaris aldaar is zijn vriend. Maar als zij dan onschuldig zijn. Wat, zegt Hongaar, eens en prison alles coupable. Maar in dit land met zijn Fraternité, Liberté, Egalité zijn 't allemaal spitsboeven.
Resultaat onderzoekingen is dat baron Morries niet in Bari is bekend en de négociant evenmin in Alger. Zij staan in geregelde correspondentie met elkaar en met een derde. Men kan hen echter niets doen en heeft ook geen bewijzen van schurkerij. Beraadslaging in 't hotel. Echte Italiaan zegt, deponeer het geld bij den commissaris en zeg dat hij 't uit moet betalen aan Prudent als deze hem bewijst een fatsoenlijk man te zijn, anders aan de armen geven. Hongaar heeft geen zin meer in 't betalen en zegt dat er in Hongarije armen genoeg zijn. Intusschen heeft de baron aan mevrouw een standje gemaakt en Prudent den graaf een beleedigenden brief geschreven. Angst voor den derde nu. De Hongaren maken zich diets dat hij op Fransch gebied hun niets zal durven doen omdat hij zeker wel wat op zijn kerfstok heeft; maar te Monaco hen aan zal spreken. Gaan dus als gejaagde herten naar Monte Carlo en poetsen de plaat zoodra zij iemand zien die op een hunner gelijkt. Bevel aan den portier hen niet binnen te laten. Verklapping van hun geheim aan alle knechts, en alle gasten. [In kantlijn: Graaf ziet in iedereen spitsboeven.] Eindelijk een standje met de vrouw van den Italiaan, die nu luid in een gesprek tegen anderen zegt dat zij zich zou schamen met een systeem te spelen en voor de verdienste naar Monte Carlo te gaan. [In kantlijn: Graaf speelt aan de bank zonder systeem om zijn geld terug te winnen dat hij nog betalen moet en daarmee verliest hij veel.] Zij zinspeelt ook op menschen die hun schulden niet betalen en verdedigt daarmee het spel in Monte Carlo waar men ten minste zeker is zijn geld te krijgen. Aanleiding tot het standje was de kwaadsprekerij van elkanders land. De Hongaar had zich uitgelaten over de slechte rioleering en de onzindelijkheid van Italie die koorts en cholera ten gevolge had. De Italiaan had daarop verteld, dat de Hongaren gesmolten [Boven de regel: vetkaarsen] kaarsvet aten in plaats van soep. Dit maakte dat de Hongaren ook den salon begonnen te vermijden. In zijn gejaagdheid kon de man niet goed meer spelen en nu ging hij maar weer naar Hongarije terug.
Zie ook nummer 73.
Een kleine kamer. Gordijn altijd toe. ƒ18 per maand. Man, vrouw en baboe (zeer jong). Man wordt langzamerhand gek, heeft wel eens van prijzen gehoord zonder maten of gewichten te kennen en wil nu groote maten of gewichten voor die zelfde prijzen hebben; schrijft dus zelf op 22 ½ cent biefstuk, 2 centen wortelen enz: Alle Hollanders zijn bedriegers, maar ik verdenk u niet tegen de juffrouw van het huis. Sluit zich altijd op, gaat nooit uit, zit altijd zonder vuur, maar rookt dure sigaren en snoept
dure Indische vruchten. Kachel tien maal per dag aanmaken voor niets extra, maar gaat telkens weêr uit. Ranselt zijn vrouw en geeft haar geen eten, want hij neemt alles zelf. Klachten van de buren, hulp geschreeuw, politie in huis, die niet helpt als men niet om hulp roept. Hij laat stof voor een japon koopen, en zijn vrouw daarvan een gezins jas maken. Verwondering van beiden dat zij zoo worden nagekeken op straat. Eerst was er niet genoeg stof voor de panden. Mevrouw beklaagd in een brief door de verhuurster en haar een ei gestuurd, alles in den boezem van de baboe. Mevrouw is te grootsch en toont dat zij wel eten heeft door het nu en dan rijst te laten regenen op het binnenplaatsje. Baboe slaapt op den grond voor het bed. Iedereen even bang voor den man. Niemand mag ooit op de kamer komen. Eindelijk gaat hij weg en wil niet de resteerende dagen in den termijn betalen. Twee mannen familieleden der verhuurster worden beneden in een donkere kamer op wacht gezet om hem niet weg te laten gaan. Hij betaalt eindelijk maar zegt aan iedereen afzonderlijk ‘u heeft ongelijk’ en eindelijk ‘u heeft ook ongelijk’.
Mevrouw krijgt zonder reden oorvegen en schoppen. Baboe heet ami. Twee brooden in de veertien dagen.
Een der mannelijke familieleden (schoonzoons) kent Fransch, spreekt meneer dan ook in het Fransch toe. Als meneer naar beneden komt is 't daar donker gemaakt in 't zijkamertje. (Zie vroeger Indische familie)
Zie vroeger Indische familie: zie nummer 24.
Aan de oogen zien dat zij het is die het medelijdend en bewonderend briefje schreef.
Kennismaking met onzekerheid of zij het is.
Herkenning door een vouw in een geleend boek gelegd. Zij vouwt op haar beurt.
Liefde waaruit niets worden kan. Zij weet het.
Prikkel van het onbaatzuchtige.
Diner tête à tête in het reeds verlaten huis.
Bekoorlijkheid van het gebrek.
Wandelingen 's avonds in den regen om niet gezien te worden.
Doorgestane gevaren.
Langzaam komende verveling, bereikt eerst hem daarna haar.
Broeder geëngageerd ziet haar of liever zijn meisje herkent hem naar een portret. Broeder spreekt er haar over aan. Het knapt onhoorbaar af.

15. Bladzijde uit het eerste schrift met aantekeningen.
den lagen prijs omdat hij geld noodig heeft. Vrouw weigert en bekent eindelijk dat zij echt zijn.
Aanstaande man arm onderhoudt zijn moeder. Vader van het meisje (niet zeer rijk) wil dat hij zijn verdiensten geheel aan zijn huishouden zal besteden (zie hieronder).
zie hieronder: zie nummer 82.
Verbetering. Schoonvader had van den jongen man - die beweerde een kleinigheid te bezitten - een lijstje gevraagd van effecten en meubelen. Dit kwam maar nooit. Eindelijk gaat hij met een notaris er op af en verneemt nu dat de jongen alleen schulden heeft. Moeder die hertrouwd is, dito, dito.
Zie ook nummer 80.
Niets dan een vervolg van Krakatau. Alle eilanden van den Indischen Archipel zullen eens verdwijnen. Van Java vind je op een goeden dag niets meer. Nederland zal ook eens in de golven verdwijnen. Daarna verdwijnt het leven op de geheele aarde. Op de maan is immers al niemand meer.
Vgl. de nummers 98 en 112.
de aardbeving te Nizza: op 23 februari 1887 vond er een aardbeving plaats te Nizza (Nice).
Krakatau: op 26 en 27 augustus 1883 vond er een grote vulkaanuitbarsting plaats op het eiland Krakatau in Straat Soenda.
Een dochter wil zich eenigszins mésallieeren. De vader is bezig zijn fortuin te verliezen in een zaak (hetzij speculatie's hetzij doordat hij om anderen te sparen aandeelen opkoopt). De grootmoeder wil hem helpen en erfgenaam maken, maar alleen op de uitdrukkelijke voorwaarde dat de dochter haar beminde afzegt.
verhalen geweten, vraagt nu aan de hoofdpersoon waarom zij gebrouilleerd zijn en deze mag niet spreken omdat de moeder van alles onkundig was.
G. is borg gebleven bij de B. Maatschappij, dat de twee ton er zullen zijn. Daarop schiet een andere bankier ze voor. Na een jaar hoort deze dat G. zwak staat en eischt het geld terug. Vergadering. In die vergadering zegt een aandeelhouder (oude landedelman). Wij vinden 't onaangenaam dat u dat geld terugeischt. De ander zegt het spijt mij maar ik kan niet anders. Daarop zegt de landedelman tegen een anderen man van adel. Zullen wij ons laten donderen door zoo'n ... Meneer je kunt je geld bij mij komen halen!
Dezelfde landedelman is gauw frère et compagnon maar wordt boos als een burgerman (bankier) hem een sigaar aanbieden durft.
G: Gerard Emants.
B. Maatschappij: Batjan Maatschappij.
Vergadering: wellicht betreft het hier de buitengewone algemene aandeelhoudersvergadering van 2 april 1887 (verslag in Het vaderland van 3 en 4 april 1887).
Zie ook de nummers 54 en 97.
F.N. en anderen willen voorstellen van hervorming doen nl. bestuur van 15 leden gekozen uit de gewone leden, en telkens (eens in de drie jaar) gedeeltelijk aftreden. Werkende leden met adviseerende stem. Rekening en verantwoording benevens begrooting aan alle gewone leden.
Ising wil, dat wij zonder discussie zullen verwerpen. iedereen is daartegen. (Partijvergadering zonder N.c.s.). Ising zegt dat hij dan geen orde kan houden. Hij wil F.N. noch bij zijn naam noemen, noch antwoorden, noch een voorstel van hem in stemming brengen. Hij wenscht - als men niet tot verwerpen vooruit wil beloven - dat hij 't voorstel mag uitstellen tot een volgende vergadering. Hij roept maar altijd over het orde houden en het in de war loopen van vergaderingen. Als niemand zijn vrees en

16. Arnold Ising sr., de voorzitter van Oefening Kweekt Kennis.
persoonlijke nijd tegen F.N. deelt (v.G. noemt hem wel een kwajongen) dan verklaart hij niet te kunnen presideeren en zal de volgende vergadering C. laten presideeren. Hij wil ook geen lid Ned. tooneel monologen laten houden omdat dan zijn zoon zou vragen: waarom ik niet. - Hij zal aftreden als F.N. praeses blijft. Hij verlangt maatregelen te nemen om in het najaar de oppositie uit het bestuur te verwijderen en hunne plannen te verijdelen. Ook van het laatste wil niemand hooren. Hij verklaart dat er niets komt van het plan v.d.M.O. om ook conférences te houden. De commissieleden daarentegen verklaren dat zij nog altijd diligent zijn. [In kantlijn: (zie verder)]
Zie vroeger: zie nummer 62 en de verdere verwijzingen aldaar.
F N: Frans Netscher.
Partijvergadering: het betreft hier een vergadering ter voorbereiding van de vergadering van bestuur en werkende leden van 2 april 1887 (zie nummer 96). De datum van deze vergadering is onbekend.
een volgende vergadering: uiteindelijk worden de hervormingsvoorstellen van Netscher pas besproken in een vergadering die wordt gehouden op 28 mei 1887 (zie nummer 104).
v G: waarschijnlijk het werkende lid J. van Gigch (1826-1897, advokaat).
C.: M.F.A.G. Campbell (1819-1890, bibliothekaris van de Koninklijke Biblio-
17. Arnold Ising jr.
theek), ondervoorzitter van O.K.K. In de vergadering van 2 april draagt Ising inderdaad op een gegeven moment de leiding van de vergadering aan Campbell over.
Hij wil ook... waarom ik niet: op de slotavond van het leesseizoen zou een Franse aktrice optreden. Om te voorkomen dat er louter Frans gesproken zou worden op deze avond werd er ook een Nederlandse akteur of aktrice gezocht. Isings zoon Arnold Paul Constant (1857-1904) was als akteur verbonden aan De Vereeniging ‘Het Nederlandsch Tooneel’.
d.M.O.: J.C. de Marez Oyens.
zie verder: zie nummer 91 en de verdere verwijzingen aldaar.
Een lid die niet heeft willen teekenen op de wetswijziging voorgesteld door F.N. schrijft daarover aan het bestuur. Ising wil nu in een circulaire de leden al waarschuwen voor het voorstel nog is ingekomen. [In kantlijn: (zie verder)]
Zie ook nummer 90 en de verwijzingen aldaar.
zie verder: zie nummer 95 en de verdere verwijzingen aldaar.
Moet Oefening nu in den geest van het Naakt model gewijzigd worden. Jammer dat die nette jongen zoo geheel anders schrijft dan hij spreekt.
Generaal N.: Waarschijnlijk generaal P.M. Netscher (1824-1903). Zie ook nummer 101.
F N.: Frans Netscher.
Oefening: Oefening Kweekt Kennis.
het Naakt model: toespeling op de in 1886 verschenen bundel Studie's naar het naakt model van Frans Netscher.
To wilde voor zijn trouwerij de kerk van Voorburg hebben. Daar staat een fijne dominee van wien de liberale d.W. uit den Haag vermoedt dat hij de kerk niet zal willen geven. To komt toen op het denkbeeld, dat er nog een kleine Fransche kerk is, waarin alleen 's zomers dienst is. Daarin ontbreken de loopers en wat er verder noodig is; de dominee is ook fijn. Nu ontstaat het gerucht, dat de eerste dominee (die geen aanhang heeft onder het gewone volk) de kerk niet wil geven terwijl hem niet gevraagd is zulks te doen. Deze gaat nu naar To en biedt de kerk aan (nat: voor zijn reputatie en
![]() 18. Generaal P.M. Netscher. |
![]() 19. Frans Netscher. |
To: J.C. van den Tol (zie nummer 28).
een fijne dominee: waarschijnlijk G.J. van Lindonk, hervormd predikant te Voorburg.
d W: waarschijnlijk S. de Waart (1849-1915), doopsgezind dominee te 's Gravenhage.
Zie verder ook nummer 102.
Voor de partijvergaderingen (vrienden van O.) moesten natuurlijk betaald worden de cognac, de zaalhuur en het gas. De cognac wordt door de heeren omgeslagen. Hoogenstraten zegt dat hij de zaalhuur op het Nut en het gas op Toonkunst zal zetten. Toonkunst repeteerde juist tegelijkertijd.
Zie ook nummer 91 en de verwijzingen aldaar.
zie verder: zie nummer 96 en de verdere verwijzingen aldaar.
O: Oefening
Hoogenstraten: de conciërge van Diligentia, volgens Johan Gram een ‘grof’ en ‘ongelikt’ persoon (zie: J.H. Rössing, Het leven van Justus van Maurik. Amsterdam z.j., p. 60.)
het Nut: Maatschappij tot nut van 't algemeen.
Toonkunst: Maatschappij tot bevordering der toonkunst.
Hoogenstraten zegt dat hij er alles van weet al komt hij niet in de vergadering. Ising is te prikkelbaar, en die man (Netscher) die komt en die gaat, maar hij doet immers niets. H. heeft op elken leesavond aan Netscher gevraagd of hij bleef. - Vergadering van Bestuur en Werkende leden. Ik breng te berde de uitvoering van het besluit genomen om de gewone leden kennis te geven van de heeren v.v. Maurik en Kleine. Het had mijns inziens in een gesloten circulaire, niet op een oproepingsbriefje moeten gebeuren. Daarna komt de geheele geschiedenis ter sprake. Jacobson zegt aan Netscher (die in een brief v. Maurik gewaarschuwd had dat hij, Netscher, niet tegenwoordig zou zijn) dat hij 't zelfde voor Kleine had moeten doen. Netscher verlangt voorlezing van allerlei documenten (brieven van v.M. en Kleine). Is ingekomen de brief waarin Tromp zijn ontslag toelicht (om het briefje zie boven) hij spreekt van het zoogenaamd Letterk. Gen. Ising wil dit briefje niet voorlezen. Ik dring er op aan en de anderen ook. Men geeft het eerst rond en leest het daarna voor. Iedereen is nieuwsgierig; maar niet allen durven het opnemen. Netscher tergend kalm. Ising wordt driftig, staat op en loopt achter de lui heen en weêr met zijn jas aan en zijn hoed op. Is de president er nu of niet? Netscher zegt aan Campbell: meneer de waarnemende voorzitter wil u aan den voorzitter vragen enz: Ising reikt als een hand uit de geestenwereld een briefkaart van Kleine aan Margadant. M. leest die voor en zegt: de president stelt me ter hand enz: Eindelijk gaat Ising weer zitten. Vernède heeft ook zijn ontslag nemen [in de tekst] en zal op de algemeene vergadering zeggen waaròm.. Ising verzet zich nog laf en flauw tegen van Zuylens optreden op een gewonen leesavond. Dit wordt toch aangenomen. Netscher die vroeger tegen Scheler stemming vroeg stelt dit nu voor. Boele spreekt nog over den onaangenamen toon en zegt: wij zitten hier toch voor ons plezier. Van Stockum hamert in een lange rede op ditzelfde aambeeld en vindt de handeling van het bestuur correct wat ik met het briefje niet vind. Ising valt Netscher nog in de rede; Netscher zegt als dat zoo voortgaat zal ik er van moeten afzien hier te spreken. Welaan roept Ising dat kan mij niet schelen.
Op een volgend (laatst servetje) spreekt Ising over de troebelen. Jacobson geeft hem den raad voortaan wat beter den president van den letterkundige te scheiden. Ising zegt dat kan hij niet. Volgens hem is 't een beleediging dat de leden Netscher tegenover hem hebben gesteld. Hij veracht Netscher en Vosmaer zegt dat hij geen fonds heeft. Margadant en Jacobson en ik verdedigen Netscher.
In kantlijn: (zie verder)]
Zie ook nummer 95 en de verwijzingen aldaar.
Vergadering van Bestuur en werkende leden: de vergadering van 2 april 1887.
20. P.A.M. Boele van Hensbroek.
21. M.F.A.G. Campbell.
22. A.W. Jacobson.
23. Carel Vosmaer.
v.v. Maurik en Kleine: niet alleen Justus van Maurik (zie nummer 62), maar ook Frits Smit Kleine weigerde in verband met Netschers bestuurslidmaatschap in O.K.K. op te treden. Omdat Netscher in dit laatste geval niet wilde wijken (er was nog tijd genoeg om naar een nieuwe spreker om te zien), ging de spreekbeurt van Smit Kleine op 28 maart 1887 niet door