terug  begin  verderprepost

4
31 Oktober 190418
Marcellus Emants aan Gonne van Uildriks

den Haag 31 Oktober 1904

 

Geachte mevrouw,

De mij toegezonden portretjes, waarvoor ik u dank zeg en die ik met aandacht bekeek, zend ik u weer terug. 't Is niet omdat ik ze gauw kwijt wil zijn, maar omdat ik - men kan nooit weten - ongaarne iets van derden lang in mijn bezit houd.

Om uw brief van 18 Okt. goed te beantwoorden meen ik de tekst op de voet te moeten volgen. Mijn eigen brief zal daardoor vreemd uitvallen en onsamenhangend lijken, maar voor u zal er toch genoeg samenhang in te vinden zijn en ik bespaar mij nodeloze uitweidingen.

Bevrediging onderstelt drang. Daarin heeft u ongetwijfeld gelijk. Bestonden er geen drangen - meest blinde drangen en ook domme drangen - misschien zouden er dan in 't geheel geen levende wezens bestaan en zeker zou de mensheid nooit verder (wat men noemt: verder) komen. Een drang om het intiemste in mij medetedelen ondervind ik in veel

[p. 33]

mindere mate dan bij u het geval schijnt te zijn. Maar ik vrees, dat iemand als u altijd de gewenste simpatie niet zal vinden of altans menen zal die niet te vinden.

Wat u in 't gros der mensen treft is hun botheid in het onderscheiden van schakeringen. Ja; dat is ook mijn ervaring. Voor de mensen is iemand altijd goed of slecht, mooi of lelik, gierig of royaal, gezond of ongezond enz. En toch ligt het merkwaardige, het kenmerkende nagenoeg altijd in de vermengingen van goed en slecht, mooi en lelik, gierig en royaal, gezond en ongezond, die de schakeringen geven.

Eigenlik zijn alle mensen gecompliceerd.

En dat de mensen zich volstoppen met aangenomen gevoelens en gedachten zal ik u zeker ook niet bestrijden.

Uw zoon wil niet, dat u de poes kust. Neen; dat zou ik u ook afraden. Het haar daargelaten heeft u toch kans allerlei bacillen naar binnen te krijgen en poes zelf hecht er veel meer aan gestreeld te worden dan gekust.

U vindt dieren natuurliker dan mensen. Hieruit blijkt, dat u als zovelen de invloed van het verstandsleven voor iets onnatuurliks houdt. Daarin ga ik niet met u mede. Ons verstand is ten slotte toch een zuiver natuurlik produkt van onze ontwikkeling. Liever zou ik dus zeggen: het dierlik leven is meer instinktief; het menselik leven is meer beredeneerd. Nu kan dat beredeneren zowel goed als verkeerd werken. Klaarblijkelik heeft u de slechte werking in het oog gevat.

Uw man smijt soms de poes plotseling van zijn schoot. Dat kan wel; maar zo doen alle mannen toch niet. Ik verzeker u, dat mijn poes zo lang mogelik met rust werd gelaten op mijn knieën en dan behoedzaam neergezet.

Als de architekt Berlage19 een vriend is van uw zoon, zou ik graag eens vernemen hoe uw zoon over de mij onbekende man denkt. Hoe veel moeite ik mij geef om de Amsterdamse beurs mooi te vinden, ik slaag er niet in. Integendeel ik vind die beurs hoe langer hoe leliker en in de ophemelingen er van lees ik nooit iets anders dan negatieve deugden bijv: geen overdaad, geen uitstekende beelden, niet dit en niet dat.

Wat zegt uw zoon?

[p. 34]

U wil uw zoon aan het grote stads leven onttrekken. Ja, dat is voorshands wel goed; maar op den duur toch niet. Mijn ouders hebben ook mij buiten zogenaamde slechte invloeden willen houden en ik ben daarvoor nog altijd niet dankbaar. Veel met mensen omgaan en wel met allerlei mensen lijkt mij noodzakelik voor een man.

U staat mij toe vragen te stellen wanneer het een of ander mij niet voldoende duidelik is.

Welnu, mevrouw, het is mij volkomen onduidelik hoe iemand met uw blik op mensen, met uw lust in ontleden er toe gekomen is een man te trouwen, die is gelijk uw man door u wordt beschreven.20

Er bestaat een instinkt van vaderlikheid, zegt u. Ja, ik heb 't wel waargenomen... bij anderen. Wat me zelf aangaat, geloof ik niet, dat ik veel instinkt of veel instinkten bezit. Naar mijn opvatting is 't haast een misdaad, zij 't een vergefelike en begrijpelike, een kind in het leven te roepen. Wat zou er verloren zijn als het leven eens in 't algemeen werd uitgeblust?

Mijns inziens: alleen veel ellende.

U wil met niemand ruilen. Op de keper beschouwd wil niemand dat. Wie het tegendeel beweert en dus wèl ruilen wil, merkt maar niet, dat hij van een ander slechts een ‘détail’ begeert bijv zijn gezondheid, zijn geld enz.

Nu meen ik op alles geantwoord te hebben en teken ik hoogachtend:

Marc. Emants

18Adressering: Mevrouw G Loman / Uildriks / Egmond a/d Hoef. Vertrekstempel: 's Gravenhage [datum en tijd onleesbaar]. Aankomststempel: Egmond a/d Hoef 1 Nov 04 4-8 N.
19H.P. Berlage (1856-1934) was onder meer de architect van het nieuwe Beursgebouw in Amsterdam dat in 1903 gereed kwam. Rudolph jr. kwam bij Berlage (die geparenteerd was aan de Lomans) over de vloer en was aanvankelijk voorbestemd om bij hem het architectenbureau te komen werken.
20Zie de inleiding voor Gonnes visie op haar man.
prepostterug  begin  verder