terug  begin  verderprepost
[p. 38]

6
31 December 190427
Marcellus Emants aan Gonne van Uildriks

den Haag 31 Desember 1904

 

Geachte Mevrouw,

Om te beginnen zend ik u mijn beste wensen toe voor het jaar 1905, dat morgen een aanvang zal nemen. En nu ga ik uw laatste brief maar weer op de voet volgen. Evenwel... nog één opmerking vooraf. ‘Geloozjeerd’ was eenmaal Kollewijns; maar de vereenvoudigers hebben gemeend water in hun wijn te moeten doen wat betreft de bastaard woorden. Dus schrijven we tegenwoordig weer ‘gelogeerd’ en ‘horloge’. In de woordenlijst van de Vereniging kan u dit alles vinden.

Of een omgang met mij al dan niet rustgevend is bleef me tot heden toe onbekend. Ik vind me zelf het rustigst in de onrust en zeer onrustig in de rust. - Moed of overmoed om voor de derde maal te trouwen. Och neen; dat is 't niet. ‘Qui a joué jouera.’28 't Is een tweede natuur geworden. Ik had noch plan, noch lust en deed het toch. Ik vond het zeer dwaas van me, maar... Al weer een staaltje van de eeuwige strijd tussen instinkt en verstand. De vrouwen juichen dan de overwinningen toe van het instinkt; de mannen die van het verstand. Ondergetekende juicht in 't geheel niet.

U vindt Blauwbaard simpatiek; maar weet u wel, dat hij volgens zijn grafschrift te Salzburg zijn vrouwen heeft... doodgekitteld?29

Wat het behagen betreft heb ik u inderdaad verkeerd begrepen. Zijn daden toeschrijven aan onjuiste motieven (in casu behaagzucht aan altruïsme) is iets zeer menseliks; maar voor mij iets zeer onaangenaams. Met mensen die daar een gewoonte van maken kan ik onmogelik opschieten. Opzet om te behagen kan, dunkt mij, onverdragelik worden; maar geheel onbewust kan behaagzucht toch nooit zijn. Iemand, die in 't geheel niet weet welke werking hij of zij op anderen uitoefent is wel wat erg onnozel.

Kinderlik doen: - ja, dat geef ik toe, dat is zeer onbehagelik.

[p. 39]

Ik heb niet gezegd, altans niet bedoeld, dat men aan een gebouw zijn bestemming moet kunnen zien, maar wel, dat een gevel de uitspraak van het inwendige moet wezen. Zie de Griekse en Gothiese gevels.

Het Centraal stasion30 vind ik een duister, konventioneel, niets zeggend lor. De goedige Gijsbrecht van de Beurs lijkt me minder gestylizeerd dan wel aanstellerig kinderachtig houterig gemaakt (vergelijk boven het gezegde over kinderachtig doen).

Gebouwen, die ik mooi vind zijn in 't algemeen de Griekse tempels en de echt Gothiese kerken. Daarin zie ik het duidelikst het geheel zich ontwikkelen uit één beginsel en de uitwendige vorm worden tot de uitspraak van het inwendige. Van andere gebouwen bewonder ik meer de onderdelen dan het geheel.

Uw zoon kan niet meer aan koude voeten lijden dan ik. Een afdoend middel heb ik nooit kunnen vinden. Veel beweging en veel rondplassen in koud water met beweging of verwarming in bed daarna, komt me nog het best voor.

U kan aardig versjes maken. Waarom heeft u dat talent niet verder ontwikkeld en er een gebruik van gemaakt voor het openbare leven?

U denkt over het pessimisme gelijk veel mensen en m.i. onjuist. Pessimisme is geen gemoeds- maar een verstandszaak. Het is de op waarneming en zelfs berekening gevestigde overtuiging, dat het leed in de levens van verreweg de meeste mensen het genot moet overheersen. Hierbij komt dan nog het inzicht, dat dit erger moet worden naarmate het verstand er meer toe komt, de balans van het leven eens op te maken en dat in deze het instinkt het leven in stand houdt terwijl het verstand de domheid van dit streven doet inzien. Deze overtuiging dempt het verdriet, omdat zij er op voorbereidt en het als noodzakelik leert beschouwen, maar dempt ook de vreugde, omdat zij belet zonder bijgedachten te genieten. In mijn ogen is een optimist een blinde. Wie het leven liefheeft moet vreselik opzien tegen de dood; wie het niet liefheeft lijdt door het leven zelf. Nodig is een zekere

[p. 40]

dosis van onverschilligheid. Pessimisme is echter nooit mopperij ofschoon men dit gelooft.

U noemt dofheid doods en vreselik. Ik ben niet dof; maar 't is de vraag of dofheid voor de patiënt zelf onaangenaam is. Idioten zijn meestal niet ongelukkig.

Schopenhauers Wille vergaat niet, maar keert zich om tot niet-meer-willen-zich-objektiveren.31

Houden van...? Mevrouw, ik ben juist onverschillig genoeg geworden om nog de dwaasheid te kunnen hebben van één mens te houden. Vindt u 't vreemd dat mijn vrouw die persoon is?

Maar uw opmerkingen zijn merkwaardig genoeg om me belang in te boezemen.

Hoogachtend:

Marc. Emants

27Adressering: Mevrouw G Loman / Uildriks / Egmond a/d Hoef. Vertrekstempel: 's Gravenhage 31 Dec 04 2-3 N. Aankomststempel: Egmond a/d Hoef 1 Jan 05 8-12 V.
28Een Frans spreekwoord: Eens een speler, altijd een speler.
29Volgens de legende lagen de vrouwen van Blauwbaard begraven op het Petersfriedhof te Salzburg. Het door Emants bedoelde grafschrift is niet teruggevonden.
30Het door P.J.H. Cuypers ontworpen Centraal Station te Amsterdam.
31In Die Welt als Wille und Vorstellung, het hoofdwerk van Arthur Schopenhauer (1788-1860), wordt de ‘Wille’ voorgesteld als een blind werkende kracht die het leven aan de gang houdt en die zich onder andere verbijzondert in de individuen. Uiteindelijk zal onder invloed van het verstand de ‘Wille’ ophouden zich te verbijzonderen.
prepostterug  begin  verder