14 Februarie 1905
den Haag
Geachte Mevrouw,
Uw stukje Agnete37 heb ik gelezen. Noch uit het schrift, noch uit de inhoud zou ik opmaken, dat u dit heeft geschreven toen u wel beschouwd al erg ziek was.38 Maar toch vind ik die inhoud niet helder genoeg.
Het Maeterlinckse motief van angst voor wat niet tastbaar is legt over de eerste helft een kleur, die niet in de tweede helft wordt volgehouden. Mij dunkt, dat er in het stukje te veel motieven zijn en dus dat de eenheid er aan ontbreekt. Maar... ik heb de waarheid niet in mijn bezit.
Nu moet ik uw schrijven van 26 Januarie beantwoorden. Of ik een beter en een minder erken. Wel zeker! Al is alles aaneengeschakeld in de keten van oorzaak en gevolg; toch heb ik als mens van mijn standpunt een oordeel en dus scheid ik de dingen in rechts en links, hoog en laag, goed en kwaad. Alleen ken ik aan deze onderscheidingen niet de minste objektieve waarde toe. Het komt mij wel voor, dat de menselike ontwikkeling met zich mede schijnt te brengen een ontwikkeling van het altruïsme; maar m.i. werkt dit er alleen toe mede om de mensheid ten slotte kollektief tot het inzicht te brengen van de absolute waardeloosheid van het leven. De Christenen zijn in mijn ogen allerinkonsekwentst. Zij preken de waardeloosheid van het aardse leven en verwijzen voor het geluk naar een onbewezen hiernamaals; maar komt nu een pessimist insgelijks de waardeloosheid van het aardse leven betogen, dan vallen zij hem aan met de argumenten van optimisten, die het aardse leven overheerlik vinden.
U spreekt van Jezus' geest; maar wat weten wij daarvan? De berichten aangaande Jezus zijn een paar eeuwen na zijn dood opgesteld - denk u dit eens goed in - en 't is niet eens zeker of de man wel bestaan heeft. De Bijbel wemelt van tegen-

De eerste pagina van een gedrukte versie van Agnete van Gonne van Uildriks. (Collectie E. ter Braak.)
strijdigheden. Wat is dat alles meer dan... litteratuur?
U zegt, dat zogenaamd verlichte mensen met ingenomenheid elke wijsgeer begroeten, die met een nieuw stelsel aankomt. Heeft u dan wel eens van mensen gehoord, die Avenarius met ingenomenheid hebben begroet?39 En toch is die man een uitstekend denker geweest.
M.i. is alle streven om de aardse toestanden te verbeteren slechts in zo verre niet volkomen ijdel als wij de nadelige gevolgen van menselike domheden wel kunnen wegnemen; maar de ellende, die in het leven door het leven zelf onvermijdelik is (en dat is de ergste ellende) nemen wij nooit weg. Hoogstens verplaatsen wij die soms een beetje. Bijv. als we de ene ziekte te voorschijn zien komen door bestrijding van de andere. En wat voor een gekke wereld zou de onze worden als wij Christus' zogenaamde voorschriften eens werkelik in toepassing brachten en zijn voorbeelden navolgden. Christus joeg de schacheraars uit de tempel.40 Stel u voor, dat ieder eens eigengerechtig op zijn minder voortreffelike medemensen ging ranselen! Christus leerde, dat men de andere wang nog moet toekeren als men op de ene een klap heeft gekregen.41 Wat zouden de mensen er lustig op los ranselen als ze wisten, dat hun slachtoffers werkelik zo dwaas zouden handelen.
Christus heeft zich tot een martelaar laten maken en daardoor veel invloed verkregen. Tegenwoordig weet men dit en verstandige regeringen maken dus geen martelaars meer. Volg nu Christus in dit opzicht eens na. Het gaat immers niet meer.
Ik voor mij stel Buddha boven Christus, omdat ik hem konsekwenter vind. Hij leerde eenvoudig:
1o elke oorzaak heeft een vast gevolg.
2o door elk handelen ontstaat meer verdriet dan vreugde.
3o van god of van goden weet ik niets.
Ruskin42 vind ik een inkonsekwente dweepzieke strever. Hij meent 't goed. Nu ja, dat is veel, maar niet alles.
Als u er schik in heeft uw huis schoon te houden, welnu dan geeft het u bevrediging aan deze neiging gevolg te geven.
Gelukkig voor u kan deze neiging geen kwaad. Maar een
dief moet stelen om bevrediging te vinden en die neiging berokkent hem wel kwaad.
't Is waarlik onze verdienste niet, als wij onschadelike neigingen bezitten. En onze neigingen zijn doorgaans zo krachtig, dat ons verstand (ons enig tegenwicht) ons niet kan weerhouden die neigingen bot te vieren.
Juffrouw Lina schreef ik zeer lang geleden, maar ik weet niet presies meer wanneer.43
De briefwisseling van Sand en Flaubert heb ik niet gelezen;44 maar ik ken Flaubert's kunstopvattingen, die ook de mijne zijn. Geen opinie's geven, maar afbeelden, de schepping (?) reproduceren zonder iets meer te willen doen dan te trachten het publiek er dieper in te laten doordringen. Strekkingskunst geeft alleen aan misbalsels het leven.
U vindt het openbare leven om er hard voor weg te lopen. Ja; dat is wel zo; maar het intieme leven is lang niet overal beter. 't Is maar minder bekend en dus kan men er veel moois van denken.
Hoe meer ik al de ellende van het leven (openbaar of intiem leven) beschouw, hoe dieper ik tot het inzicht kom, dat die ellende onvermijdelik is.
Het leven te willen is niets anders dan de dwaasheid van ons instinkt.
Wij willen nu eenmaal leven en daarom trachten we dat leven goed te praten. Het lukt maar niet en nog minder lukt het ons het leven goed te maken.
Intussen teken ik hoogachtend met vriendelike groeten:
Marc. Emants