Geachte Mevrouw,
Uw brief van 2 Junie, waarvoor ik u dank betuig, is er weer een, die tot tegenspraak prikkelt en die ik dus op de voet moet volgen in mijn antwoord. U meent, dat ik het zogenaamde geluk zal vinden, nu ik voor ziekenverpleger moet spelen. Ach, herejee; dan had ik het geluk al lang te pakken. Ik heb reeds zo vaak die rol vervuld. Toen mijn eerste vrouw te Albano de Romeinse koorts had66 en ik in mindere mate aan diezelfde ziekte leed, konden wij geen hulp krijgen, omdat we Protestanten waren. Christelike liefdadigheid en nut van de godsdienst!!! Toen moest ik hoewel ziek ook nog zelf verplegen. Dat was de eerste keer, andere keren volgden.* Op de vraag, die u de rechte noemt, ben ik daardoor niet gekomen. De zaak heeft me niet veranderd. Trouwens indien een gevoelszaak mijn verstandelike inzichten werkelik wijzigde, dan zou ik die gewijzigde inzichten ten zeerste wantrouwen. Niets bedriegt een mens meer dan zijn gevoel. Na een glas wijn zijn de gevoelens der mensen zeer vaak veranderd; dan

Christina Magdalena Prins, de eerste vrouw van Marcellus Emants.
(Collectie Letterkundig Museum.)
wijzigen zich daardoor ook vaak zijn inzichten en dan zijn die gewijzigde inzichten... niets waard.
In het zweet uws aanschijns67 enz: O, ja; dat is zeer waar; maar als het een taak is, waar dient die taak dan toe? Waarom wordt het doel ons niet gewezen? Hoe kunnen wij afsturen op een onbekend doel? En als een almacht aldus die zaak heeft ingericht, dan vraag ik waartoe die omweg? Wie almachtig is, kan ons toch dadelik tot het doel voeren.
U meent, dat ik onjuiste opvattingen heb omdat ik niet behoef te arbeiden.
O, die opvatting ken ik. Maar daar zet ik tegenover, dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen, dat zij die arbeiden moeten, ook daarom juistere opvattingen hebben. Hun opvattingen zijn andere; o ja; maar mijns inziens onjuistere, omdat de tijd tot behoorlik nadenken en navorsen hun altijd ontbroken heeft. De praktiese mens is doorgaans niet de wijze mens.
U wil me genezen. Waarvan? Van de jicht? Graag. Van mijn opvattingen? Liever niet. Gesteld eens, dat ik op de wereld heel gelukkig werd, dan zou het sterven me immers veel akeliger gaan voorkomen. Maar dit is slechts gekheid. Ik wil alleen juist-zien en kan geen opvatting aannemen, omdat die gelukkig maakt.
In de zaak Flaubert contra Sand ben ik een aanhanger van Flaubert. Sand heeft volmaakt gelijk, dat niemand zich in zijn werk geheel verloochenen kan; maar wie er niet naar streeft, kan onmogelik andere mensen zo juist mogelik schilderen. Alles komt hier aan op het streven. Dit moet gericht zijn op objektiviteit.
U vraagt: begrijpen wij ooit het leed van anderen, tenzij wij dat leed meegevoeld hebben aan ons zelf.
Ofschoon ik mensen ken, die meevoelen kunnen met anderen zonder het leed zelf te ondervinden geef ik in 't algemeen uw stelling toe. Evenwel... dan moeten wij toch met ons verstand ons gevoel begrijpen. Natuurlik is verstand zoal niet dood dan toch minderwaardig zonder gevoel; maar daar volgt niet uit, dat het gevoel ooit de plaats van het verstand
mag of kan innemen.
Platland68 ken ik niet. Wel ken ik Der Grüne Heinrich;69 maar détails uitgezonderd bevalt dat boek me niet.
Omdat u me eens met Scherr hebt vergeleken las ik van hem: Michel Geschichte eines Deutschen unserer Zeit.70 Ik begrijp echter niet welke overeenkomst u vindt tussen Scherr en mij.
Mijn leer van de uiteindelike overwinning van het verstand over het instinkt is in zo verre een hypothese als ik er aan verbind het ten slotte niet meer willen leven. Voor de rest is 't wel een feit, dat de heerschappij van 't verstand dageliks toeneemt.
George Sand zegt: il n'y a qu'un plaisir. Ik zeg: er zijn er veel meer; maar ze beletten niet, dat elk leven een nadelig saldo geeft aan geluk... ten minste voor hen, die rekenen en niet vergeten.
Voor de brief van de heer Loman71 over zijn jicht ben ik u en hem zeer dankbaar. Ongetwijfeld kan ik daaruit lering trekken al heeft deze lijder geen knobbeljicht zoals ik. Ik heb hem al weer geschreven eensdeels om hem persoonlik mijn dank te betuigen, maar ook om hem aangaande sommige biezonderheden nog 't een en ander te vragen. Wat evenwel de aanbevolen middelen betreft, die waren me alle reeds bekend. Ja, ik ken er nog meer en het ongeluk is, dat ik van de zekere werking dezer middelen niet overtuigd ben.
Zelfs die koudwaterkuur lijkt me weinig afdoende, want ten eerste is de kwaal toch teruggekeerd en dan is het kwaad wel tijdelik weggebleven na het watergebruik, maar dit wil nog niet zeggen door het watergebruik.
Ik heb mijn hele leven met koud water gewerkt en toch jicht gekregen. Glimlachen moest ik - zeg u 't toch nooit aan de vriendelike schrijver - bij de vermelding van de moed, die nodig zou zijn om na een bad van zeer heet water te nemen een bad van koud water. Daar is juist niets geen moed voor nodig. 't Is eenvoudig alleraangenaamst. Wel zou er moed nodig zijn (verkeerde moed) om een zeer koud bad te nemen als men zelf koud is. In mijn slaapkamer is altijd een koud bad gereed en kan ik niet slapen, dan plof ik daar even
in. Dat is wel eens driemaal in één nacht gebeurd. Hier (in Zwitserland) krijg ik een heet damp of elektries zweetbad en daarop een koude douche. Ik heb er niets geen moed voor nodig. Aangenaam was 't mij overigens te lezen, dat die wateraanwending bij de Heer Loman in elk geval niet nadelig had gewerkt. Ik ga er dus mede door. Voor het levensgeluk stel ik eventjes vast, dat ik dol houd van lekkere wijnen en van mening ben, dat er zonder lekkere dranken geen rechte gezelligheid kan bestaan. Toch moet ik het drinken (dat ik zeer matig deed) nu geheel opgeven. Entbehren sollst du, sollst entbehren.72 't Is juist, maar drommels pessimisties.
Ten slotte wil ik u een goede overtocht naar Loosduinen73 toewensen. Moge het dorp u meevallen in de bewoning.
Mij trekt de rust van het dorpsleven altijd erg aan. Ik ben evenwel overtuigd, dat ik het op een dorp geen maand uithoud.
U is anders en dat is voor u een groot voordeel. Veel tevredenheid dus en een goede gezondheid te Loosduinen en veel voldoening in uw zoon.
Hoogachtend blijf ik tekenen:
Marc. Emants
25 Junie 1905
