terug  begin  verderprepost

17
17 Januari 1906103
Marcellus Emants aan Gonne van Uildriks

17 Januarie 1906 den Haag

 

Geachte Mevrouw,

Met u neem ik aan, dat een verloren geloof wel degelik een verlies en geen winst is; maar u kent mijn hypothese. Volgens mij moet het mensdom hoe langer hoe meer dingen (ingebeelde voordelen en werkelike voordelen, die echter minder waarde hebben dan ze schijnen te bezitten) verliezen om eindelik tot de overtuiging te komen, dat niet-leven beter is dan leven. Ons instinkt strijdt er tegen; ons verstand moet leren dat instinkt overwinnen. Voor het dageliks leven neem ik ook met u aan, dat werken het beste is wat u doen kan. ‘Grübeln’ vind ik altijd verkeerd. Een pessimist moet een opgeruimd wezen zijn; anders is hij de naam van pessimist onwaardig. Dat u vertalen zeer moeilik vindt, verwondert mij niets. In vele gevallen is 't een hopeloos werk. De meeste mensen denken: table is tafel en je prends is ik neem. Je prends la table is dus ik neem de tafel en vertalen is niets waard. Ja wel, zo schijnt het; maar wie dieper in de zaak doordringt, ziet dat het dikwels onmogelik is gelijkwaardige woorden in de eigen taal voor vreemde woorden te vinden. Vertaal eens presies ‘leisten’ in het Nederlands of ‘een gulle lach’ in het Duits.

Maar laat u een uitgever in uw werk schrappen? 't Is waar: zelfs een uitgever kan een fatsoenlik en artistiek mens zijn; maar dat u twee zulke zeldzame vogels104 gevangen zou hebben is mij haast te machtig. De verandering van ‘een groot aantal kinderen’ in ‘een behoorlik aantal’ zou ik zeker afkeu-

[p. 76]

ren; ten eerste omdat die verandering mij ongerechtvaardigd en onnodig voorkomt, ten tweede omdat in mijn ogen elk aantal kinderen hoe klein ook, al onbehoorlik is.

Tegen het woord er heb ik in 't geheel geen bezwaar.

U vraagt of ik blij ben zo dikwels ik Holland de rug toekeer. Ja en neen. In vele opzichten ja; maar toch ook weer neen, omdat ik op stuk van zaken nooit lust heb om op reis te gaan en eenmaal vertrokken evenmin lust heb om terug te keren. Dat is even dwaas als lastig voor me zelf, maar 't is altijd zo geweest.

U kan ongetwijfeld op reis gaan met een spiritustoestelletje en een breikous; maar dat zal de reis veel duurder maken. Immers u zal van dergelike dingen alleen kunnen genieten

illustratie
Omslag van het door Gonne van Uildriks vertaalde Thymian. Uit het leven van een gevallen vrouw. 2e druk Allert De Lange Amsterdam. Oorspronkelijke titel: Tagebuch einer Verlorenen, door Margarete Böhme. De vertaalster heeft de hoofdfiguur in de Nederlandse versie als auteur opgevoerd.

[p. 77]

als u ergens rustig is en daar u toch alles zal willen zien, zal u er dus langer voor moeten wegblijven.

Klimmen is in Noorwegen haast nooit nodig. Men reist daar tegenwoordig meest in rijtuig of boerekar of boot. De kariolen105 verdwijnen of zijn verdwenen en wandelingen hoeft men - uitgezonderd in Jotunheim - zelden te ondernemen om de mooie dingen te zien.

U schrijft, dat ik de mensen te hard aangrijp. Maar mevrouw, daar zijn de mensen mij doorgaans veel te onverschillig voor. Meestal grijp ik in 't geheel niet aan, maar ik sla van me af. Dat is waar en wel zo hard mogelik. Wat hebben ze zich ook met mij te bemoeien. Als ik anderen met rust laat, verlang ik, dat die anderen ook mij met rust laten. Wat beweegt de mensen toch altijd als critici of rechters over elkander te poseren?

Wat uw vriend van Beveren106 betreft hoop ik dat u mij op de hoogte zal houden. Die man lijkt me de moeite van een kennismaking waard. Als buur had ik hem evenwel liever niet.

Dat de Raad van Beheer weigerde mijn stuk te spelen, verwondert mij niets. Die lui missen bij veel andere kwaliteiten ook nog moed. Zij durven alleen spelen wat niemand aanstoot kan geven. Van daar, dat ze zo zelden een stuk spelen, dat de kennismaking waard is. Naar mijn schatting is die Raad van Beheer een ramp voor onze toneeltoestanden.

Als u de uitspraak van de Zweedse u beet heeft, beveel ik me aan voor een klanknabootsing in Nederlandse tekens. - Voor uw vrees voor krankzinnigheid vind ik in uw brief geen enkele grond. Ik zou daar maar nooit over denken. Dat u mij op straat gemakkeliker zal herkennen dan ik u verwondert mij niets. Ik loop altijd te suffen en ben bovendien sterk bijziende. Toch zal ik eens uitkijken.

Met zeer, zeer veel genoegen las ik het Tagebuch einer Verlorenen.107 Hoe verbazend zielkundig juist is alles daarin behandeld. Dat is nu juist iets naar mijn smaak. Toch heb ik één aanmerking. Is 't aannemelik dat iemand, die zo kan observeren en zo kan weergeven wat ze ziet, nooit eens beproefd heeft met schrijven haar brood te verdienen? Men

[p. 78]

zal antwoorden: van dit talent is ze zich niet bewust. Ja wel; maar wie in geldverlegenheid zit, probeert dunkt mij wel gekker dingen. Uit deze aanmerking kan u nu wel afleiden dat het mij moeilik valt te geloven in de echtheid van dit dagboek. Ik kan mij dan ook geen echt dagboek voorstellen zonder: herhalingen (van woorden, gedachten, gebeurtenissen) ongelijkheden in behandeling, korte uitroepen, onvolledigheden enz. enz. Van dit alles is hier evenwel geen sprake. Maar... hoe meer ik de echtheid van het dagboek wantrouw, des te meer bewonder ik het werk.

Met het oordeel van de Duitsers over dat boek kan ik mij niet verenigen, maar met uw bezwaren tegen Thymian ook niet. Ondanks uw mensekennis lijkt u mij tegenover een ‘Verlorene’ toch nog op een konventioneel standpunt te staan. Waarom anders verwijt u haar, dat zij geen zin heeft het afschuwelik saaie leven te gaan leiden, waartoe haar tante haar wil veroordelen enkel en alleen omdat zij eens het slachtoffer van meneer Meinerts gemeenheid is geweest? Waarom verwijt u haar genotzucht en onwaarheid? Zijn wij allen niet genotzuchtig en leugenachtig? M.i. is het enige verschil, dat wij niet allen dezelfde genietingen najagen en niet allen op dezelfde manier liegen. Indien Thymian een geschikte man had kunnen trouwen, zou zij haar genotzucht en haar leugenachtigheid hebben kunnen botvieren zonder dat een haan er naar gekraaid had (bl. 253).108 Waarom wordt er toch altijd zoveel spektakel over gemaakt indien een vrouw eens doet wat haast geen enkele man nalaat? Dat een zogenaamd gevallen vrouw zich nagenoeg nooit meer opheffen kan, noem ik een schande voor... alle fatsoenlike mensen.* Al wat Thymian doet is eenvoudig het gevolg van het feit, dat een gevallen vrouw letterlik als een ongedierte door de mensen wordt gejaagd en vervolgd. Wordt ook een dier daardoor niet schuw, sluw, achterdochtig enz.? Ik heb ook eens te vergeefs gepoogd een zogenaamd gevallen vrouw er weer boven op te brengen. Ofschoon ik mij borg stelde voor het geld, wilde niemand haar een lokaal verhuren om er een nering in te beginnen. Wel vond niemand haar te slecht om haar te bele-

[p. 79]

digen en af te zetten... En toch noemen de Hagenaars zich voor het merendeel Christenen. Naar mijn oordeel zijn er onder tien gevallen vrouwen doorgaans meer hulpvaardige mensen dan onder tien fatsoenlike. (zie o.a. bl. 193 bovenaan109) Quels gredins que les honnêtes gens, zegt Zola110 en hij heeft volmaakt gelijk. bl 273111 Dat Thymian zich zelve vrij pleit is zeer natuurlik. Ten eerste doet ieder dat en ten tweede heeft zij nog gelijk ook (in mijn schatting). Ik vind Thymian ook volstrekt niet onoprecht tegenover zich zelf. Zij ziet zich maar anders dan u haar ziet.

Wat het spiritisme betreft meen ik niet beter te kunnen doen dan u te zenden een afdruk van een Gidsartikel door mij geschreven.112 Ik behoef dit niet terug te hebben. - Ik heb ook gehele geesten gezien, maar die materialisaties heb ik gewantrouwd. Bewijzen van bedrog kreeg ik evenwel niet. Dit gebeurde te Berlijn.113

Om nog even tot Thymian terug te keren vind ik haar aanhankelikheid voor Casimir114 niet alleen volkomen begrijpelik, maar zelfs het bewijs van een zeer edele natuur. Een goede echte vrouw hecht zich en laat niet meer af door welke terugstotende biezonderheden ook afgeduwd. Casimir is geen liefde van haar; maar de onbewuste gehechtheid aan haar eigen jeugd.

En nu basta. Zoals ik zei: ik heb van het boek veel genoten.

U veel sukses met uw vertalingen wensend teken ik hoogachtend:

Marc. Emants

103Adressering: Mevrouw G Loman / Van Uildriks / Egmond a/d Hoef. Vertrekstempel: 's Gravenhage 17 1 1906 5-6 N. Aankomststempel: Egmond a/d Hoef 18 Jan 06 2-6 V.
104Gonne Loman-van Uildriks vertaalde op dat moment voor de Amsterdamse uitgevers G. Schreuders en Allert de Lange. Later zou ze o.a. nog vertalen voor Leo Simons (Wereldbibliotheek) en J. Philip Kruseman.
105Lichte tweewielige wagentjes.
106Een onwillige buurman in Loosduinen. Zie de kladversie van de brief van Gonne Loman-van Uildriks van 27 augustus 1906.
107Tagebuch einer Verlorenen. Von einer Toten, überarbeitet und heraus-gegeben von Margarete Böhme verscheen voor het eerst in 1905. Het boek is een gefingeerd dagboek dat zogenaamd door de schrijfster Margarete Böhme (1869-1939) bewerkt was. Het boek had groot succes: in 1910 waren al meer dan 130.000 exemplaren verkocht. Gonne Loman-van Uildriks was overtuigd van de authenticiteit van het dagboek. Van haar hand zou in 1906 bij Allert de Lange te Amsterdam een Nederlandse vertaling verschijnen, met op de titelpagina de gefingeerde dagboek-schrijfster als auteur: Thymian, Uit het leven eener gevallen vrouw , bewerkt door G. Loman-Van Uildriks. Van deze vertaling verscheen nog een tweede druk.
Thymian is de dochter van een apotheker in een stadje van een paar duizend inwoners. Als ze een jaar of veertien is, sterft haar moeder. Haar vader viert zijn seksuele lusten bot op diverse huishoudsters. Eén daarvan pleegt zelfmoord als ze zwanger raakt en hij weigert haar te trouwen. Haar vader eclipseert tijdelijk en in de volgende nacht maakt de apothekersbediende Meinert van de gelegenheid gebruik om Thymian te ontmaagden. Na enige tijd wordt duidelijk dat Thymian in verwachting is. Ze weigert Meinert te trouwen en wordt bij een vroedvrouw in de kost gedaan, waar ze Conny Lissmann, een lotgenote uit het leven ontmoet. Ze wordt - vooral door haar deugdzame tante - geprest haar kind af te staan en komt bij een even strenge als huichelachtige dominee in de kost. Het wordt haar duidelijk dat ze niet meer voor fatsoenlijke omgang in aanmerking komt. Ze loopt weg en komt via Conny Lissmann in de prostitutie terecht. Enkele pogingen om een ‘fatsoenlijk’ leven te gaan leiden mislukken. Uiteindelijk komt ze in de betrekkelijk gunstige situatie dat ze de maîtresse wordt van een oude graaf. Aan haar deelname aan lief-dadigheidsacties komt een einde door toedoen van een joodse ‘dame’. Intussen heeft ze echter al een eerste bloedspuwing gehad. Vlak voor haar dood komt ze in contact met haar jeugdvriendin Margarete Böhme, aan wie ze haar dagboek nalaat.
108Waarschijnlijk is dit ‘253’ een verschrijving voor ‘273’. Op laatstgenoemde pagina komt de hier passende zin voor:
‘Man kann sehr wohl mit beiden Füssen durch Schlamm und Schmutz waten und seine Seele klar und rein halten, und kann eine äusserlich hochgeachtete “ehrbare” Frau und doch durch und durch unanständig sein, weil niedrige Gesinnung, Kleinlichkeit und innere Gemeinheit Seele und Denkungsart versauen und verpesten.’
In de vertaling van Gonne Loman-Van Uildriks luidt deze zin:
‘Men kan wel tot aan de enkels door slijk en modder waden en toch zijne ziel onbesmet bewaard hebben, en eene zeer geachte en zoogenaamd deugdzame vrouw kan door en door verachtelijk zijn, wanneer laagheid, kleingeestigheid en inwendige ruwheid haar geest en gemoed hebben verontreinigd en besmet’ (p. 193).
*vergelijk bl. 149115
115‘Wie manche würden sich gern “retten” lassen. Freilich nicht durch Besserungsanstalten und Stadtmissionen, immer von oben herab, von dem Kothurn der überlegenen Moral [...]. Nein, um hier zu ändern und zu bessern, müsste schon eine neue Weltordnung, eine vollständige Umkremplung der Begriffe und Verhältnisse vorangehen.’ In de vertaling van Gonne Loman-Van Uildriks: ‘Hoe velen zouden zich niet gaarne laten “redden”. Niet altijd in doorgangshuizen en door zendingsvereenigingen, uit de hoogte, van het voetstuk af der zelfverheerlijking [...]. Neen [...]. Om hier verandering en verbetering in te brengen zou in de geheele beschaafde maatschappij een totale omkeer moeten plaats grijpen in begrippen en verhoudingen.’
109
‘Ich habe in der Zeit erfaheren, dass es unter den Leichen auch Menschen gibt, Menschen mit fühlenden Herzen und werktätiger Nächstenliebe.’
In de vertaling van Gonne Loman-Van Uildriks:
‘toen heb ik ondervonden, dat onder die levende lijken ook menschen zijn; menschen met een gevoelig hart, die veel voor een ander over hebben.’ (p. 137)
110‘Geen groter tuig dan fatsoenlijke mensen’, de slotzin van de roman Le ventre de Paris van Emile Zola (1840-1902).
111Zie noot 94.
112‘Een zitting met Eusapia Paladino’ in De Gids 67 (1903), dl. III, p. 65-81, over een seance met het beroemde Italiaanse medium.
113In het najaar van 1901 bezocht Emants seances met drie mediums in Berlijn. Hij kreeg telkens de indruk met opzet of onbewust misleid te worden. Zie zijn opstel ‘Waaraan behoefte bestaat’ in Het Toekomstig Leven (1902), p. 137-139.
114Thymian heeft een zwak voor haar jeugdvriend Casimir Osdorff, een voor niets deugende graaf uit een verarmde familie die aan lager wal raakt. Thymian trouwt met hem om als nette vrouw een pension te kunnen beginnen. Ze blijft hem verzorgen, zelfs als hij veroordeeld wordt voor homoseksuele prostitutie.
prepostterug  begin  verder